Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AB1232

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-02-2001
Datum publicatie
07-02-2002
Zaaknummer
AWB 99/8457
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Sierra Leone / vvtv.

De REK heeft in haar uitspraken van 1 februari 2000 geoordeeld dat het standpunt van verweerder, dat voor de periode van 1 december 1997 tot 19 juli 1999 geen aanleiding bestond tot het voeren van een vvtv-beleid met betrekking tot asielzoekers afkomstig uit Sierra Leone, niet berust op een draagkrachtige motivering. Verweerder heeft bij brief van

3 april 2000 aan de voorzitter van de Tweede Kamer bericht dat hij de REK-uitspraken in deze zou volgen. Op 20 april 2000 heeft verweerder een werkinstructie uitgebracht waarin is vermeld dat verweerder de periode van 1 december 1997 tot 3 januari 2000 aanmerkt als een periode waarin een vvtv-beleid had moeten worden uitgevoerd. Verweerder heeft in de beslissing op bezwaar van 8 september 1999 daarom ten onrechte overwogen dat eiseres niet in aanmerking kwam voor een vvtv.

Het beroep is in zoverre gegrond. Geen aanleiding voor het instandhouden van de rechtsgevolgen gelet op de recente ontwikkelingen in Sierra Leone en gelet op de verklaring van verweerder ter zitting dat het Ministerie van Buitenlandse Zaken is gevraagd een nieuw ambtsbericht uit te brengen en dat naar aanleiding van dat ambtsbericht zal worden bezien of een uitstel-van-vertrekbeleid dan wel een vvtv-beleid is geïndiceerd.

Ten overvloede wordt overwogen dat het standpunt van verweerder, dat het uitstel van vertrek van eiseres is beëindigd door de algemene brief van 3 januari 2000, niet kan worden gevolgd nu in werkinstructie 223 vermeld staat dat uitstel van vertrek individueel dient te worden ingetrokken, wanneer dit uitstel - zoals in casu - individueel is verstrekt.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:77, geldigheid: 2001-02-28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

Zitting houdende te Arnhem

Vreemdelingenkamer

Registratienummer: AWB 99/8457

Datum uitspraak: 28 februari 2001

Uitspraak

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in samenhang met artikel 33a van de Vreemdelingenwet (Vw)

in de zaak van

A,

geboren op [...] 1975,

van Sierraleoonse nationaliteit,

eiseres,

gemachtigde mr. F.J.M. Schonkeren,

tegen

DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

verweerder,

gemachtigde mr. C.E.J. van Buren-Buijs.

Het procesverloop

Op 26 augustus 1997 heeft eiseres aanvragen om toelating als vluchteling en verlening van een vergunning tot verblijf gedaan. Bij beschikking van 16 februari 1999 heeft verweerder de aanvragen niet ingewilligd.

Eiseres heeft daartegen bij bezwaarschrift van 16 maart 1999 bezwaar gemaakt. Bij beschikking van 8 september 1999 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Bij de bekendmaking van die beschikking is aan eiseres tevens

medegedeeld dat aan haar, als zij beroep instelt, op grond van de algehele situatie in Sierra Leone, uitstel van vertrek wordt verleend.

Bij beroepschrift van 5 oktober 1999 heeft eiseres beroep ingesteld bij de rechtbank tegen deze beschikking.

Openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 11 januari 2001. Eiseres is daarbij verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

De beoordeling

1. In deze procedure dient te worden beoordeeld of de beschikking van 8 september 1999 in rechte stand kan houden.

2. Op grond van artikel 15 van de Vw in samenhang met artikel 1(A) van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen kunnen vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waarin zij gegronde reden hebben te vrezen

voor vervolging wegens hun godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging of hun nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of een bepaalde sociale groep, als vluchteling worden toegelaten.

3. Het vluchtrelaas van eiseres komt op het volgende neer.

Eiseres behoort tot de Mandingo bevolkingsgroep, zij woonde in B, zij is gehuwd en heeft twee minderjarige zonen. Haar echtgenoot is in 1995 vertrokken waarna zij nooit meer iets van hem heeft vernomen.

De vader van eiseres is in 1994 gedood omdat hij zich met de politiek bemoeide.

Eiseres heeft tot aan haar vlucht regelmatig gereisd tussen Gambia en Sierra Leone. Zij werkte in beide landen als traditioneel danseres en prostituee om in haar levensonderhoud te voorzien.

In 1996 is eiseres met een visum drie weken in Nederland geweest samen met het zoontje van haar overleden zuster. Kennissen in Nederland hadden daar voor gezorgd omdat het zoontje iets aan zijn voeten mankeerde en in Nederland

geopereerd kon worden. Eiseres is na die drie weken weer teruggekeerd naar Sierra Leone omdat de toekomst er op dat moment rooskleurig uitzag. Ahmed Tejan Kabbah, een oom van de moeder van eiseres, was democratisch tot president

gekozen.

Echter in mei 1997 is de regering van Kabbah omvergeworpen en heeft John Paul Koroma de macht overgenomen. De situatie in Sierra Leone was verschrikkelijk. Eiseres en haar familie liepen extra gevaar omdat zij familie waren van

Kabbah. Eiseres vertrok vervolgens naar Gambia, maar omdat daar ook een coup plaatsvond was zij daar ook niet veilig. Zij is vervolgens met behulp van een buurman in Gambia, mijnheer C, gevlucht met het vliegtuig vanuit Gambia naar

Nederland. Op 26 augustus 1997 is eiseres Nederland binnengekomen.

4. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiseres noch persoonlijke feiten en omstandigheden heeft genoemd die aannemelijk maken dat zij gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging, noch persoonlijke omstandigheden heeft

genoemd die maken dat zij niet zou terug kunnen keren naar haar land van herkomst.

Voorts heeft verweerder in zijn verweerschrift gesteld dat in de bestreden beschikking ten onrechte is overwogen dat eiseres niet in aanmerking kwam voor een vvtv. Echter, de rechtsgevolgen van de beslissing kunnen in stand blijven

nu verweerder inmiddels heeft besloten het uitstel van vertrek-beleid te beëindigen.

5. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij voor een verblijfstitel hier te lande in aanmerking komt omdat zij aannemelijk heeft gemaakt dat zij te vrezen heeft voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Voorts

stelt zij dat de door haar geschetste verschrikkelijke levensomstandigheden in casu voldoende grond vormen voor een terecht beroep op verlening van een vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard

(vtv hum) en dat gezien de lange duur van de onzekere en slechte veiligheidstoestand in Sierra Leone de Staatssecretaris ten onrechte geen vvtv-beleid voert ten aanzien van dat land. Bovendien stelt eiseres dat door verweerder de

hoorplicht is geschonden, aangezien het bezwaarschrift allerminst als kennelijk ongegrond beoordeeld kon worden.

6. Vooropgesteld moet worden, dat niet is gebleken dat de politieke en mensenrechtensituatie in Sierra Leone zodanig is, dat asielzoekers uit dat land zonder meer als vluchteling behoren te worden aangemerkt. Derhalve zal

aannemelijk moeten zijn, dat met betrekking tot eiseres persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan waardoor zij gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging in vluchtelingenrechtelijke zin.

7. De verklaringen van eiseres bevatten geen concrete aanwijzingen van enige op haar persoon gerichte aandacht van wie dan ook, al dan niet in verband met de (betrekkelijk verre) familieband met president Kabbah. Daarom is buiten

twijfel dat eiseres geen vluchteling is en geen aanspraak kan maken op bescherming ingevolge artikel 3 van het EVRM.

Uit het ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 25 november 1999 (kenmerk: DPC/AM 668007) blijkt dat de situatie in Sierra Leone ten tijde van het vertrek van eiseres bijzonder slecht was. Er heerste chaos en met

name de strijders van de RUF begingen de meest afschuwelijke wandaden. Echter, de onvrede van eiseres met de algehele situatie in Sierra Leone is op zichzelf niet toereikend voor een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het

Verdrag.

8. Op grond van artikel 11, vijfde lid, van de Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf, daaronder begrepen de voorwaardelijke vergunning tot verblijf, geweigerd worden op gronden aan het algemeen belang ontleend.

Verweerder voert met het oog op de bevolkings- en werkgelegenheidssituatie hier te lande een beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen - behoudens verplichtingen welke voortvloeien uit internationale overeenkomsten - slechts voor

verlening van een vergunning tot verblijf in aanmerking komen indien met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend of indien sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard.

9. Gelet op hetgeen bij de beoordeling van de asielaanvraag is overwogen, is niet aannemelijk dat eiseres bij gedwongen verwijdering naar Sierra Leone een reëel risico loopt te worden blootgesteld aan een behandeling waartegen

artikel 3 van het (Europees) Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) of artikel 3 van het Anti-folterverdrag bescherming beogen te bieden, zodat eiseres aan die bepalingen geen

aanspraak tot verlening van een vergunning tot verblijf zonder beperkingen kan ontlenen.

10. Evenmin is aannemelijk dat sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard die eiseres aanspraak geven op verlening van een vergunning tot verblijf. De door eiseres geschetste levensomstandigheden doen daar niet aan af. De

situatie van eiseres verschilt niet wezenlijk ten opzichte van vele andere alleenstaande vrouwen in Sierra Leone. Dat juist zij zich niet zou weten te handhaven is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk.

11. Gezien het voorgaande heeft verweerder in redelijkheid kunnen weigeren eiseres een vergunning tot verblijf zonder beperkingen te verlenen.

12. Ingevolge artikel 12b, eerste lid, van de Vw kan verweerder een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv) verlenen aan een vreemdeling die zich in Nederland bevindt en een aanvraag om toelating heeft ingediend, indien naar

het oordeel van verweerder gedwongen verwijdering naar het land van herkomst van bijzondere hardheid voor de vreemdeling zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

Eiseres heeft betoogd dat verweerder haar ten onrechte niet in het bezit heeft gesteld van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf omdat de algehele situatie in Sierra Leone zodanig is, dat het van onevenredige hardheid is haar

te dwingen daarheen terug te keren.

De Rechtseenheidskamer (REK) van deze rechtbank heeft in haar uitspraken van 1 februari 2000 (JV 2000 nr. 49) geoordeeld dat het standpunt van verweerder, dat voor de periode van 1 december 1997 tot 19 juli 1999 geen aanleiding

bestond tot het voeren van een vvtv-beleid met betrekking tot asielzoekers afkomstig uit Sierra Leone, niet berust op een draagkrachtige motivering. Verweerder heeft bij brief van 3 april 2000 aan de voorzitter van de Tweede Kamer

van de Staten-Generaal bericht dat hij de uitspraken van de REK in deze zou volgen. Op 20 april 2000 heeft verweerder een werkinstructie uitgebracht waarin is vermeld dat verweerder de periode van 1 december 1997 tot 3 januari 2000

aanmerkt als een periode waarin een vvtv-beleid had moeten worden uitgevoerd. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder in de bestreden beschikking ten onrechte heeft overwogen dat eiseres niet in aanmerking kwam voor

een vvtv.

Het beroep moet derhalve, voorzover betrekking hebbende op de weigering tot verlening van een vvtv gegrond worden verklaard.

Voor het instandhouden van de rechtsgevolgen bestaat geen aanleiding. De rechtbank hecht hierbij betekenis aan de recente ontwikkelingen in Sierra Leone die de rechtbank ambtshalve bekend zijn en aan de verklaring van verweerders

gemachtigde ter zitting, dat tussentijds de minister van Buitenlandse Zaken is gevraagd een nieuw ambtsbericht uit te brengen, naar aanleiding waarvan zal worden bezien of uitstel van vertrek dan wel een vvtv-beleid voor Sierra

Leone geïndiceerd is.

Ten overvloede zij nog opgemerkt dat het aan eiseres verstrekte uitstel van vertrek individueel is verstrekt. Het standpunt van verweerder dat dit uitstel van vertrek is beëindigd door de algemene brief van 3 januari 2000, kan door

de rechtbank niet worden gevolgd, nu in werkinstructie 223 vermeld staat dat uitstel van vertrek individueel dient te worden ingetrokken, wanneer dit uitstel individueel is verstrekt.

13. Gelet op hetgeen in rechtsoverweging 7 bij de beoordeling van de asielaanvraag is overwogen kan er redelijkerweijs geen twijfel over bestaan dat het bezwaar van eiseres ongegrond is, zodat verweerder het bezwaar terecht met

toepassing van artikel 7:3 aanhef en onder b van de Awb kennelijk ongegrond heeft geacht.

14. Uit hetgeen in rechtsoverweging 12 is overwogen vloeit voort dat het onderhavige beroep gedeeltelijk gegrond is. Het bestreden besluit zal derhalve gedeeltelijk worden vernietigd.

15. Nu het beroep gedeeltelijk gegrond wordt verklaard bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met het instellen van beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Het bedrag van de te vergoeden

proceskosten wordt vastgesteld op ƒ 1.420,– (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor de behandeling ter zitting, waarde per punt ƒ 710,– en wegingsfactor 1). Voorts bestaat aanleiding de Staat aan te wijzen als

rechtspersoon die aan eiseres het door haar betaalde griffierecht dient te vergoeden.

De Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond voorzover het gericht is tegen het gedeelte van de beschikking van 8 september 1999 dat strekt tot het weigeren van een vvtv aan eiseres;

vernietigt dat gedeelte van de bestreden beschikking;

verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van ƒ 1.420,–, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten dient te voldoen aan eiseres;

wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding aan eiseres van het door haar betaalde griffierecht ad ƒ 50,--.

Deze uitspraak is gedaan door mrs. A.W.M. van Hoof, W.P.C.G. Derksen en J.C.E. Ackermans-Wijn en in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2001 in tegenwoordigheid van M.H. Zijm als griffier.

de griffier, de voorzitter,

28 februari 2001