Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AB1221

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-02-2001
Datum publicatie
07-02-2002
Zaaknummer
AWB 00/4768
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

AMA-beleid / leeftijdsonderzoek.

In het kader van een mogelijke verlening van een vtv AMA heeft een leeftijdsonderzoek plaatsgevonden. Blijkens het onderzoeksrapport was bij verzoekster ten tijde van het onderzoek nog geen sprake van een volledige uitrijping van ten minste een van de sleutelbeenderen. Verwezen zij voorts naar de uitspraken AWB 99/8968 en AWB 99/8971 d.d. 10 oktober 2000 van de rechtbank 's-Hertogenbosch, waarin is overwogen dat op basis van de sleutelbeenonderzoeken niet uit valt te sluiten dat volledige sleutelbeensluitingen ook voorkomen bij 20-jarigen en, in de toekomst wellicht ook bij 19-jarigen blijken voor te komen. Overeenkomstig deze uitspraken is de president van oordeel dat er een niet aanvaardbare kans bestaat dat een vreemdeling met volledig gesloten sleutelbeenderen ten tijde van het leeftijdsonderzoek niet 21 jaar, maar (slechts) 19 jaar oud is. De president vermag vooralsnog niet in te zien dat deze conclusie geen gevolgen kan hebben voor het antwoord op de vraag op welke leeftijd reeds sprake kan zijn van partiële sluiting in de mate die bij verzoekster is aangetroffen. Immers, bij personen van wie de sleutelbeenderen vroeg volledig sluiten, zal mogelijk ook in een eerder stadium sprake zijn van een bepaalde mate van partiële. Niet uit te sluiten valt derhalve dat de conclusies uit het onderhavige rapport omtrent de mate van waarschijnlijkheid dat verzoekster ten tijde van haar asielaanvraag minderjarig was alsmede dat zij over haar leeftijd de waarheid heeft gesproken, niet zullen kunnen worden gehandhaafd. Gelet op de onzekerheid hieromtrent dient de belangenafweging in het kader van artikel 8:81 Awb in het voordeel van verzoekster uit te vallen. Toewijzing verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te 's-Hertogenbosch

Sector Bestuursrecht

--------------------------------

Uitspraak

--------------------------------

AWB 00/4768 VV

Uitspraak van de president op het verzoek als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 33a van de Vreemdelingenwet (Vw) in het geschil tussen:

A, verblijvende te B, verzoekster,

gemachtigde mr. L.J.G. de Haas, advocaat te Tilburg,

en

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. drs. R.J.R. Hazen, ambtenaar ten departemente.

I. PROCESVERLOOP

Verzoekster bezit de Chinese nationaliteit en is vreemdeling in de zin van de Vw.

Op 20 december 1997 heeft verzoekster aanvragen ingediend om toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf.

Bij beschikking van 11 november 1999 heeft verweerder de aanvraag van verzoekster om toelating als vluchteling op grond van artikel 15c, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw niet ingewilligd wegens kennelijke ongegrondheid

ervan. Tevens heeft verweerder afwijzend beslist op de aanvraag om een vergunning tot verblijf.

De beschikking is aan verzoekster uitgereikt op 29 november 1999. Daarbij is verzoekster medegedeeld dat nog aan de hand van de inhoud van een eventueel bezwaarschrift zal worden beslist of zij de behandeling ervan in Nederland mag

afwachten.

Op 2 december 1999 heeft verzoekster tegen voornoemde beschikking bezwaar gemaakt bij verweerder.

Namens verzoekster zijn op 20 december 1999 de gronden van het bezwaar aangevuld.

Bij schrijven van 30 mei 2000 heeft verweerder de ontvangst van het bezwaarschrift bevestigd. Daarbij heeft verweerder verzoekster medegedeeld dat zij de behandeling van haar bezwaarschrift niet in Nederland mag afwachten.

Bij verzoekschrift van 6 juni 2000 is de president van deze rechtbank verzocht een onverwijlde voorziening te treffen, inhoudende dat verweerder niet zal overgaan tot de uitzetting van verzoekster uit Nederland zolang nog niet is

beslist op het door haar ingediende bezwaarschrift.

Verweerder heeft naar aanleiding van het voornoemde verzoek de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het verzoek om een voorlopige voorziening is behandeld ter zitting van de rechtbank van 18 januari 2001, waar verzoekster niet is verschenen, maar is vertegenwoordigd door haar gemachtigde.

Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de

president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

In dit geschil dient de president te beoordelen of, hangende de bezwaarprocedure, de uitzetting van verzoekster verboden moet worden. Hiertoe moet worden bezien of verweerder in redelijkheid heeft kunnen komen tot de beslissing om

de uitzetting van verzoekster niet achterwege te laten gedurende de periode dat het bezwaar aanhangig is. Voorts dient te worden bekeken of uitzetting hangende het bezwaar anderszins in strijd is met rechtsregels. De president geeft

geen definitief, maar slechts een voorlopig oordeel over de zaak.

Verzoekster legt aan haar bezwaar ten grondslag dat zij in China gegronde redenen heeft te vrezen voor vervolging, dan wel dat er klemmende redenen van humanitaire aard aanwezig zijn op grond waarvan haar een vergunning tot verblijf

dient te worden verleend.

Verzoekster heeft ter ondersteuning van haar aanvragen om toelating ten overstaan van een contactambtenaar van het Ministerie van Justitie, zoals blijkt uit het rapport van gehoor van 11 februari 1998, het volgende aangevoerd.

Verzoekster bezit de Chinese nationaliteit en is op [...] 1982 geboren in Huzhou, China. Ze is op zeer jonge leeftijd te vondeling gelegd en is vervolgens gevonden door haar pleegouders. In 1989 is verzoeksters pleegmoeder overleden

ten gevolge van een busongeluk. Van 1989 tot 1993 is verzoekster naar school gegaan. Vanaf medio 1993 mocht verzoekster van haar pleegvader niet meer naar school, maar moest ze het huishoudelijke werk doen. Op haar twaalfde jaar,

begin 1994, is verzoekster voor het eerst door haar pleegvader verkracht, hetgeen na die datum nog veel vaker is gebeurd. Op 7 november 1994 werd verzoekster moeder van een zoon, van wie verzoeksters pleegvader de vader was. Direct

na de geboorte is verzoeksters zoon weggegeven. Verzoekster weet niet waar haar zoon nu is. In 1995 is verzoekster gesteriliseerd, dit gebeurde in opdracht van haar pleegvader. Op 6 februari 1996 is verzoeksters pleegvader

overleden. Voor zijn dood is verzoekster, in verband met een geldlening, door haar pleegvader als onderpand aan de heer Wang gegeven. De heer Wang heeft de begrafenis van verzoeksters pleegvader geregeld. Na het overlijden van haar

pleegvader tot haar vertrek uit China heeft verzoekster in het restaurant/hotel van de heer Wang moeten werken. Naast afwassen, groenten wassen en schoonmaken, moest verzoekster 's-nachts met de hotelgasten de nacht doorbrengen.

Verzoekster heeft twee tot drie keer geprobeerd weg te lopen, maar ze is steeds weer opgespoord. In augustus 1997 kwam verzoekster in het restaurant C tegen. Verzoekster moest met C slapen en heeft hem verteld wat ze had meegemaakt.

C heeft haar meegenomen naar Nederland. In Nederland is verzoekster van de heer C weggevlucht, omdat ze voelde dat er iets niet goed was met de plannen die C met haar had.

Verweerder is van mening dat voormeld relaas geen grond oplevert om verzoekster toe te laten als vluchteling of haar een vergunning tot verblijf zonder beperking te verlenen.

In het kader van een mogelijke verlening van een vergunning tot verblijf op grond van het beleid ten behoeve van alleenstaande minderjarige asielzoekers, dat is neergelegd in hoofdstuk B7/13 van de Vreemdelingencirculaire (verder:

AMA-beleid), heeft op 12 maart 1999 een antropobiologisch onderzoek plaatsgevonden naar de leeftijd van verzoekster. Blijkens het verslag van het leeftijdsonderzoek van 10 augustus 1999 van drs. H.Th. van der Pas is de conclusie van

het onderzoek dat een leeftijd van 18,00 jaar of ouder wordt toegekend aan verzoekster ten tijde van het röntgenologisch onderzoek. Na aftrek van de wachttijd (1,23 jaar) blijkt verzoekster ten tijde van de asielaanvraag 16,77 jaar

of ouder geweest te zijn. Volgens verzoeksters eigen opgave zou zij ten tijde van de asielaanvraag 15,36 jaar zijn geweest. De statistische kans op een correcte leeftijdsopgave is volgens het rapport 2,50%, de kans op een te lage

leeftijdsopgave is derhalve 97,50%. De statistische kans op minderjarigheid ten tijde van het asielverzoek is 22,36%, de kans op meerderjarigheid is 77,64%. Blijkens bijlagen 5 en 6 van het onderzoeksrapport was bij verzoekster ten

tijde van het onderzoek nog geen sprake van een volledige uitrijping (sluiting) van ten minste één van de sleutelbeenderen.

Op grond van deze conclusies stelt verweerder zich blijkens het bestreden besluit en het verhandelde ter zitting op het standpunt dat moet worden aangenomen dat eiser onjuiste informatie heeft verstrekt omtrent haar leeftijd. Hoewel

het leeftijdsonderzoek louter statistisch gezien een niet te verwaarlozen kans van 22,36% openlaat dat verzoekster ten tijde van haar asielverzoek minderjarig was, mag ervan worden uitgegaan dat die kans in werkelijkheid veel

geringer is, gezien de grote mate van waarschijnlijkheid dat verzoekster omtrent haar leeftijd niet de waarheid heeft gezegd, aldus verweerder. Door omtrent haar leeftijd niet de waarheid te spreken, frustreert verzoekster volgens

verweerder voorts de onderzoeksmogelijkheden in haar land van herkomst naar het bestaan van adequate opvang in haar land van herkomst. Om deze redenen kan zij geen aanspraak doen gelden op een vergunning op grond van het AMA-beleid.

Ten aanzien van verzoeksters mogelijke aanspraak op een vergunning tot verblijf op grond van het AMA-beleid overweegt de president als volgt.

Gelet op Bijlage II bij het onderzoeksrapport gaat drs. H.Th. van der Pas bij het leeftijdsonderzoek uit van de volgende veronderstellingen.

1. Uit sleutelbeenonderzoeken is gebleken dat de laagste leeftijd waarbij sleutelbeensluiting is gevonden 20 jaar is. Daarbij wordt niet uitgesloten dat sleutelbeensluiting ook op 19-jarige leeftijd waargenomen zou kunnen worden.

2. Sleutelbeensluiting bij 20-jarigen is een zeer zeldzaam verschijnsel bij de onderzochte gevallen.

3. Bij een gewoon rijpingsproces sluit het sleutelbeen op de leeftijd van 21 jaar, respectievelijk op de leeftijd van 20 jaar als betrokkene tot de uiterst vroege rijpers behoort. Deze conclusie heeft een kwantitatieve

betrouwbaarheid van meer dan 95%.

Verwezen zij voorts naar de uitspraken van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 10 oktober 2000, geregistreerd onder nummers AWB 99/8968 en AWB 99/8971. Het daarin overwogene maakt de president in het onderhavige geval tot

het zijne. In voornoemde uitspraken is - kort gezegd - overwogen dat op basis van de sleutelbeenonderzoeken die de basis vormen voor het onderzoeksprotocol niet uit valt te sluiten dat volledige sleutelbeensluitingen ook voorkomen

bij 20-jarigen en, in de toekomst wellicht ook bij 19-jarigen blijken voor te komen (de zogenaamde vroege sluiters/rijpers). Het rechterlijk oordeel in de aangehaalde uitspraken heeft betrekking op de situatie dat de

sleutelbeenderen van de betrokken vreemdelingen ten tijde van het onderzoek volledig gesloten waren.

Overeenkomstig deze uitspraken is de president van oordeel dat er een, niet aanvaardbare, kans bestaat dat een vreemdeling met volledig gesloten sleutelbeenderen ten tijde van het leeftijdsonderzoek niet 21 jaar, maar (slechts) 19

jaar oud is. De president vermag vooralsnog niet in te zien dat deze conclusie geen gevolgen kan hebben voor het antwoord op de vraag op welke leeftijd reeds sprake kan zijn van een partiële sluiting in de mate die bij verzoekster

is aangetroffen. Immers, bij personen van wie de sleutelbeenderen vroeg volledig sluiten, zal mogelijk ook in een eerder stadium sprake zijn van een bepaalde mate van partiële sluiting dan in het onderzoeksrapport wordt aangenomen.

Verweerder heeft althans geen informatie aangedragen op grond waarvan deze gedachtegang niet zou mogen worden gevolgd. Niet uit sluiten valt derhalve dat de conclusies uit het onderhavige onderzoeksrapport omtrent de mate van

waarschijnlijkheid dat verzoekster ten tijde van haar asielaanvraag minderjarig was alsmede dat zij over haar leeftijd de waarheid heeft gesproken, niet zullen kunnen worden gehandhaafd.

Gelet op de onzekerheid omtrent de juistheid van de conclusies uit het onderzoeksrapport dient naar het oordeel van de president reeds hierom de belangenafweging die in het kader van artikel 8:81 van de Awb dient plaats vinden, in

het voordeel van verzoekster uit te vallen. De president laat in verband daarmee daar, of verzoekster aanspraak zou kunnen maken op toelating als vluchteling dan wel een vergunning tot verblijf zonder beperking.

Een en ander leidt tot de conclusie dat verzoekster in de gelegenheid dient te worden gesteld de behandeling van het bezwaar in Nederland af te wachten. Het verzoek om een voorlopige voorziening dient dan ook te worden toegewezen in

die zin dat verweerder zal worden verboden om verzoekster uit Nederland te verwijderen zolang nog niet op het door haar ingediende bezwaarschrift is beslist.

De president acht termen aanwezig verweerder onder toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en

de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal f 1.420,-- voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

* 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) verzoekschrift;

* 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

* waarde per punt f 710,--;

* wegingsfactor 1.

Tevens zal de president bepalen dat door de Staat der Nederlanden aan verzoekster het door haar gestorte griffierecht dient te worden vergoed.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De president:

verbiedt verweerder verzoekster uit Nederland te verwijderen zolang nog niet is beslist op het door haar ingediende bezwaarschrift;

veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten vastgesteld op f 1.420,--, te vergoeden door de Staat der Nederlanden, en te voldoen aan de griffier;

gelast de Staat der Nederlanden aan verzoekster te vergoeden het door haar gestorte griffierecht.

Aldus gedaan door mr. W.C.E. Winfield, als president, in tegenwoordigheid van mr. J.Th. Lenting, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 februari 2001.

Afschriften verzonden: 12 maart 2001

Ma