Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AB1179

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-01-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/76428 OVERIO H e.v.
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

AC-Schiphol / Kirgizië / etnische Russen.

Gelet op de aard van de incidenten en uitlatingen van belagers, overgelegde documenten en het ontbreken van een actueel ambtsbericht, alsmede het beeld dat naar voren komt uit het Country Report van 1999, heeft verweerder niet in het kader van de AC-procedure de conclusie kunnen trekken dat in casu geen sprake is van etnisch geweld. Dit geldt ook voor het standpunt dat gesteld noch gebleken is dat de autoriteiten verzoekers geen bescherming hebben willen of kunnen bieden en dat een vestigingsalternatief voorhanden is in Kirgizië dan wel (gelet op ambtshalve bekende informatie omtrent de positie van gedwongen etnisch Russische migranten) in de Russische Federatie. Beroepen gegrond, afwijzing verzoeken.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:86
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Haarlem

fungerend president

enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken

U I T S P R A A K

artikel 8:81 en 8:86 Algemene Wet Bestuursrecht (Awb)

artikel 33a, 34a en 34j Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr: AWB 00/76428 OVERIO H (voorlopige voorziening)

AWB 00/76431 OVERIO H (beroepszaak)

AWB 00/76434 OVERIO H (vrijheidsontneming)

en AWB 00/76480 OVERIO H (voorlopige voorziening)

AWB 00/76481 OVERIO H (beroepszaak)

AWB 00/76482 OVERIO H (vrijheidsontneming

inzake: A en B, geboren op [...] 1958 en [...] 1958, alsmede hun minderjarige zoon C, van Russische dan wel Kirgizische nationaliteit, verblijvende in het Grenshospitium te Amsterdam, verzoekers,

gemachtigde: mr. A.J. van Duijne - Strobosch, advocaat te 's-Gravenhage;

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. M.H. Steenbergen, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te 's-Gravenhage.

1. GEGEVENS INZAKE HET GEDING

1.1 Aan de orde zijn de verzoeken om voorlopige voorziening hangende de beroepen van verzoekers tegen de beschikkingen van verweerder van 26 december 2000. Deze beschikkingen zijn genomen in het kader van de zogenoemde

AC-procedure en behelzen de niet-inwilliging van de aanvragen om toelating als vluchteling en strekken tevens tot het niet verlenen van een vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard. Verzocht wordt om

schorsing van de beslissing van verweerder om uitzetting niet achterwege te laten totdat op de beroepen tegen voormelde beschikking is beslist.

1.2 Voorts is aan de orde de beroepen gericht tegen de vrijheidsontnemende maatregel van artikel 7a Vw die verweerder verzoekers met ingang van 22 december 2000 heeft opgelegd. Deze beroepen strekken tevens tot toekenning van

schadevergoeding.

1.3 De openbare behandeling van de geschillen heeft plaatsgevonden op 3 januari 2001. Daarbij hebben verzoekers en verweerder bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet. Voorts zijn verzoekers ter zitting

gehoord.

2. OVERWEGINGEN

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien

onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, zulks vereist.

2.2 Op grond van artikel 8:86 van de Awb heeft de president na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen

aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Er bestaat in dit geval aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

2.3 De AC-procedure voorziet in een afdoening van asielverzoeken binnen 48 uur. Deze procedure leent zich slechts voor die asielverzoeken waaromtrent binnen deze korte termijn procedureel en inhoudelijk naar behoren kan worden

beslist.

2.4 De president stelt vast dat er in dit geval geen sprake is van een zodanig asielverzoek. Daarbij is het volgende van belang.

2.5 Verzoekers hebben ter onderbouwing van hun asielverzoeken in het eerste en nader gehoor het volgende naar voren gebracht. Verzoekers zijn afkomstig uit Kyrgyzstan (de voormalige Sovjet-republiek Kirgizië). Zij zijn etnische

Russen. Verzoekster is op 22 maart 2000 mishandeld op straat door drie haar onbekende mannen met een Aziatisch uiterlijk. Verzoekster is daarbij geslagen en geschopt in het gezicht en op andere plaatsen. Zij heeft een klap met een

voorwerp op haar hoofd gekregen, waardoor zij bewusteloos is geraakt. De mannen hebben niets van verzoekster meegenomen. Verzoekster is toen zij bijkwam naar huis gegaan. Zij is naar de polikliniek gegaan, alwaar zij is behandeld

door een zenuwarts en een traumatoloog. Verzoekster heeft bij haar asielaanvraag een medische verklaring hiervan overgelegd. Verzoekster heeft van dit incident aangifte gedaan bij de plaatselijke politie. Vervolgens hebben

verzoekers anonieme telefoontjes gekregen met dreigementen dat verzoekers de aangifte in moesten trekken. Ongeveer een tot twee keer per week werd er gebeld. De telefoontjes hebben van maart tot december 2000 plaatsgevonden. Er werd

gevraagd waarom verzoekers er nog steeds waren en nog steeds op "hun grond" liepen. Daarna is er gedreigd dat de zoon van verzoekers zou worden vermoord. Van hem zou een verslaafde en een homo worden gemaakt en hij zou worden

verkocht. Verzoekers werden bang. Toen hun zoon op een dag in april van school naar huis liep, is hij door een paar jongens mishandeld. Verzoekers hebben daarop hun aangifte ingetrokken. In augustus 2000 is de zoon van verzoekers

overgeplaatst naar een andere school. In november 2000 is hij voor de tweede maal mishandeld en met een mes bedreigd. Verzoekster vermoedt dat de daders dezelfde mannen waren als de personen die haar in maart hadden mishandeld. Op

20 december 2000 ontvingen verzoekers wederom een anoniem telefoontje met bedreigingen. Er werd gezegd dat verzoekers hun zoon niet eeuwig zouden kunnen bewaken en dat hij op een zeker moment toch verkocht of ontvoerd zou worden.

Verzoekers hebben toen besloten te vluchten. Met behulp van een reisagent zijn zij naar Nederland gekomen.

Verzoeker heeft in zijn relaas naast het vorenstaande ook nog als volgt verklaard. Hij heeft zelf diverse malen etnische conflicten gehad met mensen van Aziatische origine. Dit is begonnen nadat Kyrgyzstan onafhankelijkheid had

verworven. Verzoeker vermoedt dat de ondervonden problemen een etnische achtergrond hebben en meent dat er een verband is tussen de mannen die zijn vrouw en zoon hebben aangevallen c.q. mishandeld en de politie. Na de eerste aanval

op zijn zoon heeft verzoeker geprobeerd aangifte te doen. De politie vond echter dat er geen grond was om een onderzoek te starten.

2.6 De in het AC aanwezige rechtshulpverlener heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid tot het indienen van correcties en aanvullingen op het rapport van nader gehoor. Hierin is naar voren gebracht dat verzoekster nadat zij was

mishandeld huiswaarts is gekeerd, waarna een ambulance is gebeld. Verzoekster heeft toen eerste hulp gekregen. Hierna is verzoekster thuis gebleven en is zij de volgende dag naar de polikliniek gegaan. Uit de dreigementen leidden

verzoekers af dat het dezelfde mensen waren (of mensen van dezelfde groep of bende) die zowel verzoekster als haar zoon hadden mishandeld.

2.7 Verweerder acht de onderhavige zaak AC waardig. Het asielrelaas is in de eerste plaats onaannemelijk, nu er in verzoeksters relaas en tussen de relazen van verzoekers onderling inconsistenties te bespeuren zijn. Subsidiair acht

verweerder het relaas onvoldoende zwaarwegend, omdat de incidenten die verzoekers in Kyrgyzstan hebben meegemaakt niet zijn te herleiden tot een vervolgingsgrond: de mishandelingen zijn volgens verweerder slechts aan te merken als

op zich zelf staande (niet met elkaar verband houdende) commune delicten en niet als vervolging. Dat het hier zou gaan om etnisch geweld acht verweerder niet aannemelijk, nu geenszins is gebleken van een discriminatoire bejegening.

De verklaring, dat de autoriteiten het gezin niet zouden kunnen of willen beschermen is slechts op vermoedens gebaseerd. Tenslotte kunnen verzoekers zich aan eventuele problemen onttrekken door zich elders in Kyrgyzstan te vestigen.

2.8 In beroep is - samengevat - naar voren gebracht er wel degelijk een verband bestaat tussen de mishandeling van verzoekster in maart 2000, de mishandelingen van de zoon van verzoekers en de politie. Hierop duidt immers de

omstandigheid dat de zoon werd verteld dat zijn vader de aangifte naar aanleiding van de mishandeling van verzoekster diende in te trekken. In aanmerking dient te worden genomen dat uit het Country Report on Human Rights Practices

van 1999 blijkt dat Kyrgyzstan een armzalige staat van dienst heeft op het gebied van de mensenrechten, er vele klachten in behandeling zijn van burgers die geen etnische Kirgiezen zijn en de etnische Russen het land gedurende de

laatste jaren in grote getale hebben verlaten. Gelet hierop is juist aannemelijk dat verzoekers het slachtoffer zijn geworden van etnisch geweld.

Verzoekers tegenwerpen, zoals verweerder heeft gedaan, dat zij de bescherming van de autoriteiten hadden moeten inroepen is volstrekt onredelijk, nu zij juist voor de politie te vrezen hebben. Tenslotte menen verzoekers dat, indien

een vestigingsalternatief wordt tegengeworpen, verweerder nauwkeurig dient aan te geven, waar verzoekers dat alternatief zouden hebben en waarom.

Verzoekers menen te worden blootgesteld aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM bij terugkeer naar Kyrgyzstan.

2.9 Naar het oordeel van de president heeft verweerder niet binnen het bestek van de AC-procedure het standpunt zoals verwoord in de bestreden beschikking kunnen innemen, en wel om de hiernavolgende redenen.

2.10 In de eerste plaats volgt de president verweerder niet in zijn primaire standpunt dat het relaas van verzoekers niet aannemelijk zou zijn. Verweerder heeft dit standpunt hierop gebaseerd, dat het relaas van verzoekster op

zichzelf genomen innerlijk niet consistent zou zijn en dat er daarnaast verschillen zouden zijn tussen de relazen van verzoekster, verzoeker en dat van hun zoon onderling. De gemachtigde van verweerder heeft desgevraagd ter zitting

aangegeven dat de ongeloofwaardigheid hoofdzakelijk wordt bepaald door inconsistenties in verzoeksters verklaringen. De president volgt verweerder hierin niet. Blijkens het zich in het dossier bevindende rapport van nader gehoor van

verzoekster is naar het oordeel van de president niet zozeer sprake van tegenstrijdigheden, alswel van zelfcorrecties en aanvullingen van de zijde van verzoekster naar aanleiding van een aantal vragen en hetgeen zij hierop had

geantwoord. De relazen van verzoekers zijn naar het oordeel van de president onderling consistent, nu de daarin genoemde gebeurtenissen en de tijdstippen waarop deze hebben plaatsgevonden, met elkaar stroken. Dat verzoeker op

nadrukkelijker wijze dan verzoekster heeft aangegeven te vermoeden dat hier sprake is geweest van etnisch geweld, doet hieraan niet af. De president gaat bij de beoordeling van het relaas in het hiernavolgende dan ook uit van de

geloofwaardigheid van de door verzoekers afgelegde verklaringen.

2.11 Voorts is de president van oordeel dat verweerder niet binnen de AC-procedure al tot de conclusie is kunnen komen dat de gestelde problemen geen etnische achtergrond hebben. Verweerder gaat daarmee namelijk voorbij aan de

ernstige aard van de incidenten c.q. intimidaties die verzoekers aan hun aanvragen ten grondslag hebben gelegd, de aard van de uitlatingen van de personen die verzoekers naar zij hebben gesteld telefonisch hebben bedreigd

(uitlatingen zoals "jullie lopen op onze aarde" en "jullie drinken ons water") en de kopieën van schriftelijke verklaringen die verzoekers ter staving van hun asielrelaas hebben overgelegd. Bovendien ontbreekt een actueel

ambtsbericht over de situatie in Kyrgyzstan. Tenslotte overweegt de president dat het relaas van verzoekers wél past in het beeld van de huidige toestand in Kyrgyzstan zoals dat naar voren komt uit in beroep aangehaalde Country

Report van 1999 inzake Kyrgyzstan. Weliswaar is uit hetgeen verzoekers naar voren hebben gebracht niet met absolute zekerheid af te leiden, dat verzoekers op etnische gronden zijn belaagd, maar het relaas bevat naar het oordeel van

de president voldoende aanknopingspunten die in die richting wijzen. Voor verweerder had dit aanleiding moeten vormen om nader onderzoek te doen naar de bejegening van etnische Russen door de huidige autoriteiten en de bevolking in

Kyrgyzstan.

2.12 Daarnaar ter zitting gevraagd heeft verweerder zijn standpunt, dat gesteld noch gebleken is dat de autoriteiten van Kyrgyzstan het gezin van verzoekers geen bescherming hebben willen of kunnen bieden, nader toegelicht.

Volgens verweerder hadden verzoekers zich bij gebrek aan bescherming van de zijde van de lokale politie dienen te wenden tot hogere instanties. De vraag, op welke hogere instanties verweerder hiermee het oog heeft en op welke wijze

verzoekers zich dan tot die instanties hadden moeten richten, heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting niet op bevredigende wijze kunnen beantwoorden. Op de vraag, of verzoeker op zijn werk getracht heeft bescherming te

krijgen tegen de intimidaties, heeft verzoeker ter zitting aangegeven dat hij dit niet heeft geprobeerd omdat men op zijn werk niet in zijn problemen geïnteresseerd was en omdat de Russen op zijn werk een kleine minderheid vormden.

Gelet op dit alles, en mede in het licht van hetgeen omtrent de bejegening van etnische Russen in Kyrgyzstan naar voren komt uit genoemd Country Report van 1999, is de president van oordeel dat verweerder ook dit standpunt niet

zonder nader onderzoek binnen het kader van de AC-procedure heeft mogen innemen.

2.13 Datzelfde geldt voor het standpunt dat verzoekers zich aan de problemen zouden kunnen onttrekken door zich elders te vestigen. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat dit standpunt aldus dient te worden begrepen, dat

verzoekers zich ofwel elders in Kyrgyzstan kunnen vestigen, ofwel naar de Russische Federatie kunnen uitwijken, nu zij etnische Russen zijn. Ter zitting is verweerder gevraagd naar een onderbouwing van dit standpunt. Verweerder

heeft aangegeven dat uit ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken inzake de Russische Federatie zou blijken dat etnische Russen uit voormalige Sovjet-Republieken zich zonder problemen kunnen vestigen in het huidige

Rusland, maar heeft niet verwezen naar een concreet ambtsbericht. Ook op dit punt had van verweerder het oordeel van de president nader onderzoek mogen worden verwacht. Zelfs indien dient te worden aangenomen, dat verzoekers op

grond van hun (gestelde) Russische nationaliteit ook beschikken over het Russisch staatsburgerschap (hetgeen verweerder blijkens het verhandelde ter zitting kennelijk heeft aangenomen, maar niet nader heeft onderzocht), is het gelet

op hetgeen de president ambtshalve uit openbare bronnen bekend is over de positie van gedwongen etnisch Russische migranten nog maar de vraag of verzoekers in de Russische Federatie ook daadwerkelijk een vestigingsalternatief

voorhanden hebben dat voldoet aan de daaraan (onder andere door UNHCR) gestelde eisen.

De conclusie moet dan ook zijn dat verweerder niet binnen het AC-model onder de enkele verwijzing dat verzoekers etnische Russen zijn de conclusie heeft mogen trekken dat er in de Russische Federatie voor verzoekers een

vestigingsalternatief voorhanden is.

2.14 De beroepen tegen de afwijzende beschikkingen op de asielaanvragen van verzoekers zullen dan ook gegrond worden verklaard. Gegeven deze beslissing bestaat geen aanleiding meer voor toewijzing van het verzoek om voorlopige

voorziening.

2.15 Met betrekking tot de aan verzoekers opgelegde maatregel overweegt de rechtbank allereerst dat gesteld noch gebleken is dat de oplegging van de maatregel onrechtmatig is geweest.

2.16 Gelet op voormelde gegrondverklaring van het beroep is echter de grond voor de voortgezette toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel ex artikel 7a Vw komen te ontbreken. De beroepen tegen de voortduring van de maatregel

na de beslissingen op de aanvragen zijn derhalve gegrond.

2.17 Nu de toepassing van de maatregel vanaf 26 december 2000 onrechtmatig is geweest, wordt, gelet op het in het Grenshospitium geldende regime, een schadevergoeding toegekend van ƒ 100,- per persoon per dag over 11 dagen.

2.18 In dit geval ziet de president aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door verzoekers gemaakte proceskosten, zulks met inachtneming van het Besluit proceskosten

bestuursrecht. De kosten zijn op voet van het bepaalde in het bovengenoemde Besluit vastgesteld op ƒ 1.420,-- (1 punt voor de beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1, aantal samenhangende zaken

minder dan vier). Aangezien ten behoeve van verzoekers een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge het tweede lid van artikel 8:75 Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier.

2.19 De president ziet tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:82, vierde lid, Awb, te bepalen dat verweerder aan verzoekers het zowel voor de hoofdzaken als voor de verzoeken om voorlopige voorziening betaalde

griffierecht ad telkens ƒ 50,-- zal vergoeden.

3. BESLISSING

De fungerend president:

3.1 verklaart de beroepen gegrond en vernietigt de bestreden beschikkingen van 26 december 2000;

3.2 draagt verweerder op nieuwe beschikkingen te nemen op de aanvragen van 23 december 2000;

3.3 wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af;

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad ƒ 1.420,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, moet voldoen;

3.5 wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van de door verzoekers betaalde griffierecht ad zes maal ƒ 50,--.

De rechtbank:

3.6 verklaart de beroepen tegen de vrijheidsontnemende maatregel ex artikel 7a, tweede en derde lid, Vw gegrond en beveelt de opheffing van de maatregel van verzoekers met ingang van 5 januari 2001;

3.7 wijst de verzoeken om toekenning van schadevergoeding toe;

3.8 kent aan verzoekers ten laste van de Staat (Ministerie van Justitie) een vergoeding toe van ƒ 3.300,-- (zegge: drie duizend drie honderd gulden), uit te betalen door de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem;

3.9 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad ƒ 1.420,--, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon, die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, moet voldoen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.F.H. Lycklama à Nijeholt, fungerend president, tevens lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken, en uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2001, in tegenwoordigheid van mr. drs.

H.J.M. Baldinger als griffier.

Voornoemd lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken beveelt de tenuitvoerlegging van de in deze uitspraak toegekende schadevergoeding ten bedrage van ƒ 3.300,-- (zegge: drie duizend en drie honderd).

Aldus gedaan op 5 januari 2001, door mr. G.F.H. Lycklama à Nijeholt, lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken.

afschrift verzonden op: 5 januari 2001

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage, voor zover het betreft de beslissing inzake schadevergoeding. De Officier van Justitie kan binnen veertien dagen na de uitspraak en de vreemdeling

binnen een maand na de betekening van de uitspraak hoger beroep instellen door het indienen van een verklaring als bedoeld in de artikelen 449 en 451a van het Wetboek van Strafvordering bij de Arrondissementsrechtbank te

's-Gravenhage, zittingsplaats Haarlem.

Voor het overige staat geen gewoon rechtsmiddel open.