Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AB1173

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-02-2001
Datum publicatie
09-08-2002
Zaaknummer
AWB 99/1172
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vtv echtgenote / naturalisatie / procesbelang.

Eiser is op 13 juni 1997 gehuwd. Op 17 juni 1997 dient hij een aanvraag in om een vtv bij echtgenote. De echtgenote is op 1 december 1998 genaturaliseerd tot Nederlander. Inmiddels is eiser, met ingang van 5 maart 1999, in het bezit gesteld van de gevraagde vtv.

In beroep stelt eiser procesbelang te hebben: indien zijn vtv met ingang van een eerder datum wordt verleend, kan hij eerder in aanmerking komen voor naturalisatie.

De rechtbank oordeelt dat eiser geen procesbelang (meer) heeft, omdat eiser ook op basis van zijn huidige vtv een verzoek om naturalisatie kan (had kunnen) indienen. Uit artikel 8 Rijkswet op het Nederlandschap en de Handleiding daarop blijkt dat een vreemdeling die gehuwd is met een Nederlander een verzoek om naturalisatie kan indienen, indien het huwelijk ten minste drie jaar heeft geduurd. Het is niet zo dat pas drie jaar na de naturalisatie van de echtgeno(o)t(e) een verzoek om naturalisatie kan worden ingediend.

Beroep niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Ars Aequi RV20010048 met annotatie van H. Ahmad Ali

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE DEN HAAG

zittinghoudende te Utrecht

Reg.nr.: AWB 99/1172 VRWET H

UITSPRAAK ex artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw) van de enkelvoudige kamer voor de behandeling van vreemdelingenzaken, inzake het beroep van:

A, geboren in 1966, van Marokkaanse nationaliteit, eiser,

gemachtigde: mr. P.J. de Bruin, advocaat te Rotterdam,

tegen een besluit van

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. J. van Koesveld, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te Den Haag.

-------------------------------------------------------------------------------

1 GEGEVENS INZAKE HET GEDING

1.1 Aan de orde is het beroep tegen het besluit van verweerder van 15 januari 1999, waarbij de niet-inwilliging van de aanvraag om eiser een vergunning tot verblijf (vtv) te verlenen met als doel verblijf bij echtgenote B, is

gehandhaafd.

1.2 Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 4 januari 2001. Daarbij hebben eiser en verweerder bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet.

2 OVERWEGINGEN

2.1 Bij de beoordeling van het beroep gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden zoals die naar voren komen uit de stukken en het verhandelde ter zitting.

Eiser is op 13 juni 1997 getrouwd met zijn Marokkaanse echtgenote B (hierna te noemen: referente) en heeft op 17 juni 1997 een aanvraag ingediend om een vtv voor verblijf bij haar. Referente heeft op 1 december 1998 de Nederlandse

nationaliteit verkregen. Ter zitting is gebleken dat eiser op 5 maart 1999 nogmaals een aanvraag heeft ingediend voor verblijf bij referente en dat deze aanvraag met ingang van diezelfde datum is ingewilligd.

2.2 De rechtbank zal allereerst beoordelen of eiser nog belang heeft bij een uitspraak op het beroep, nu aan eiser hangende het beroep een vtv is verleend. Eiser stelt processueel belang te hebben, aangezien hij eerder de

Nederlandse nationaliteit kan verkrijgen, als hij met ingang van een eerdere datum een vtv heeft.

2.3 In artikel 8, lid 1 onder c, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RwNed) wordt -voor zover relevant- bepaald:

Voor verlening van het Nederlanderschap (..) komen slechts in aanmerking verzoekers:

c. die tenminste vijf jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek in Nederland (..) woonplaats of werkelijk verblijf hebben gehad.

In artikel 8, lid 2, RwNed wordt vervolgens bepaald:

Het in het eerste lid, onder c bepaalde geldt niet met betrekking tot een verzoeker die (..) sedert tenminste drie jaren de echtgenoot is van een Nederlander.

2.4 In de (Vernieuwde) Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap staat ter toelichting op laatsgenoemde bepaling vermeld dat het moet gaan om een vreemdeling die ten minste drie jaar onafgebroken

getrouwd is en samenwoont met één-en dezelfde Nederlander. (..).(..). De (niet-Nederlandse) echtgenoot van een tot Nederlander genaturaliseerde vreemdeling kan een beroep doen op lid 2, mits het huwelijk ten minste drie jaar heeft

geduurd, waarbij ook de duur van het huwelijk in het buitenland mag worden meegeteld. Het is dus niet zo dat pas drie jaren na de naturalisatie van de één, de ander een verzoek kan indienen.

2.5 De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat eiser geen enkel processueel belang meer heeft bij een uitspraak op zijn beroep. Hiertoe is redengevend dat eiser reeds op basis van de aan hem verleende vtv een

verzoek tot naturalisatie kan indienen. Eiser is op 13 juni 1997 getrouwd en had dus blijkens de Handleiding op het moment dat het huwelijk met de tot Nederlander genaturaliseerde echtgenote drie jaar heeft geduurd (in casu op 13

juni 2000) een dergelijk verzoek kunnen indienen. Bepalend is immers dat de echtgenoot op het moment van de aanvraag Nederlander is. Eiser heeft derhalve geen belang meer bij verlening van een vtv met ingang van eerdere datum. Een

ander belang van eiser is niet gesteld noch gebleken. Derhalve is aan het onderhavig beroep voor eiser ieder procesbelang komen te ontvallen.

2.6 Het beroep is derhalve niet-ontvankelijk.

2.7 Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is niet gebleken.

3 BESLISSING

De rechtbank:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M.J. Hilhorst-Hagen, lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken, en uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2001, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Groenewoud als griffier.

afschrift verzonden op: 23 februari 2001

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.