Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AB1171

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
31-01-2001
Datum publicatie
07-02-2002
Zaaknummer
AWB 00/3328
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Horen / ambtelijke commissie.

Ten aanzien van eisers stelling dat het horen door een ambtelijke commissie in strijd met artikel 7:5 Awb heeft plaatsgevonden overweegt de rechtbank het volgende. Teneinde zoveel mogelijk te waarborgen dat het horen aan zijn doel beantwoordt, is in de Awb een aantal procedurele vereisten opgenomen. Een van die vereisten is neergelegd in artikel 7:5 Awb en houdt in dat bij het horen door meer dan een persoon de meerderheid van degenen die horen, waaronder degene die het horen leidt, niet bij de voorbereiding van het besluit aanwezig is geweest. De ratio van deze bepaling is dat het gewenst is dat degenen die bij de voorbereiding van het bestreden besluit betrokken zijn geweest, niet ook de gang van zaken bij het horen bepalen.

In casu staat vast dat degene die voorzitter is geweest van de ambtelijke hoorcommissie, tevens de beslissing in primo heeft ondertekend. Verder bestond de commissie uit een rapporteur en een - niet inhoudelijk bij de zaak betrokken - notulist. Uit het verslag van de hoorzitting blijkt dat het horen merendeels door de rapporteur is gedaan, en dat deze eerder dan de voorzitter aan het woord is geweest. Uit het verslag blijkt niet dat laatstgenoemde als zodanig in belangrijke mate invloed heeft uitgeoefend op de vraagstelling. Evenmin blijkt uit de vragen die zij zelf heeft gesteld dat sprake is geweest van enige vooringenomenheid.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet gesteld worden dat eiser door de gang van zaken is benadeeld. Eiser heeft alle gelegenheid gehad zijn relaas naar voren te brengen. Gelet op de gang van zaken tijdens het gehoor, kan de vraag of in bezwaar een deugdelijke heroverweging heeft plaatsgevonden, naar het oordeel van de rechtbank, positief worden beantwoord.

De rechtbank is daarom van oordeel dat geen sprake is van een dusdanig ernstige schending van artikel 7:5 Awb, dat dit niet met toepassing van artikel 6:22 Awb kan worden geheeld. De grief faalt derhalve. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:5
Algemene wet bestuursrecht 6:22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, enkelvoudig

__________________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht

juncto artikel 33a Vreemdelingenwet

__________________________________________________

Reg.nr: AWB 00/3328 VRWET

Inzake: A, eiser, woonplaats kiezende ten kantore van zijn gemachtigde, mr. M. Obers, advocaat te Helmond

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. J. Prins, ambtenaar ten departemente.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiser, geboren op [...] 1969, bezit de Iraakse nationaliteit. Hij verblijft sedert 6 mei 1997 als vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet (Vw) in Nederland. Op 6 mei 1997 heeft hij een aanvraag ingediend om toelating als

vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard. Bij beschikking van 17 juli 1997 zijn de aanvragen niet ingewilligd wegens de niet-ontvankelijkheid ervan.

In juli 1997 heeft eiser in Duitsland asiel aangevraagd. Eiser stelt op 23 maart 1998 Nederland opnieuw te zijn binnengekomen. Op 25 maart 1998 heeft hij aanvragen ingediend om toelating als vluchteling en om verlening van een

vergunning tot verblijf. Hierop is door verweerder op 29 maart 1999 afwijzend beslist. Eiser heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. Op 3 november 1999 is eiser gehoord door een ambtelijke commissie (AC). Verweerder

heeft op 14 januari 2000 het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Op 9 februari 2000 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het

beroep.

3. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 20 december 2000. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens

was ter zitting aanwezig de heer Gaffaf als tolk.

II. OVERWEGINGEN

1. In dit geding dient te worden beoordeeld of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Daartoe moet worden bezien of dit besluit de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

2. Eiser stelt dat hij in aanmerking komt voor toelating in Nederland.

Daartoe heeft eiser onder meer aangevoerd dat hij lid was van de KDP en werkzaam was bij de douane aan de grensovergang Ibrahim Khlil, aan de Turks-Iraakse grens. Problemen ontstonden in juni 1996 toen eiser van zijn directeur

opdracht kreeg om een landcruiser van de MEET, de Turkse veiligheidsdienst die samenwerkte met de KDP, tegen te houden, welke opdracht eiser heeft uitgevoerd. Na dit incident werd eiser beschuldigd van samenwerking met de

bestuurder van de landcruiser en van het doorgeven van informatie aan de PUK. Eiser werd gevangengenomen en mishandeld. Eiser werd opgenomen in het ziekenhuis waaruit hij op 12 maart 1997, door omkoping, kon ontsnappen. Eiser dook

onder, waarna hij het land heeft verlaten.

Tevens heeft eiser gesteld dat het horen d.d. 3 november 1999 door de ambtelijke commissie in strijd met artikel 7:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft plaatsgevonden.

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet voor toelating in aanmerking komt. Ook overigens komt eiser volgens verweerder niet voor toelating in aanmerking. Ten aanzien van eisers grief dat het horen door de ambtelijke

commissie heeft plaatsgevonden in strijd met artikel 7:5 Awb, stelt veerweerder zich op het standpunt dat eiser niet in zijn belang is geschaad.

4. Allereerst overweegt de rechtbank ten aanzien van eisers stelling dat het horen d.d. 3 november 1999 door een ambtelijke commissie in strijd met artikel 7:5 Awb heeft plaatsgevonden het volgende.

Teneinde zoveel mogelijk te waarborgen dat het horen aan zijn doel beantwoordt, is in de Awb een aantal procedurele vereisten opgenomen. Een van die vereisten is neergelegd in artikel 7:5 Awb en houdt in dat bij het horen door meer

dan een persoon de meerderheid van degenen die horen, waaronder degene die het horen leidt, niet bij de voorbereiding van het besluit aanwezig is geweest. De ratio van deze bepaling is dat het, gezien het streven om tot een

deugdelijke heroverweging te komen, gewenst is dat degenen die bij de voorbereiding van het bestreden besluit betrokken zijn geweest, niet ook de gang van zaken bij het horen bepalen.

In casu staat vast dat mr. M. van Norren, die voorzitter is geweest van de ambtelijke hoorcommissie, tevens de beslissing in primo heeft ondertekend. Verder bestond de commissie uit een rapporteur en een - niet inhoudelijk bij de

zaak betrokken - notulist. Uit het verslag van de hoorzitting blijkt dat het horen merendeels door de rapporteur is gedaan, en dat deze eerder dan Van Norren aan het woord is geweest. Uit het verslag blijkt niet dat genoemde Van

Norren als voorzitter in belangrijke mate invloed heeft uitgeoefend op de vraagstelling. Evenmin blijkt uit de vragen die zij zelf heeft gesteld dat sprake is geweest van enige vooringenomenheid.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet gesteld worden dat eiser door de gang van zaken is benadeeld. Eiser heeft alle gelegenheid gehad zijn relaas naar voren te brengen. Gelet op de gang van zaken tijdens het gehoor, kan de

vraag of in bezwaar een deugdelijke heroverweging heeft plaatsgevonden, naar het oordeel van de rechtbank, positief worden beantwoord.

De rechtbank is daarom van oordeel dat geen sprake is van een dusdanig ernstige schending van artikel 7:5 Awb, dat dit niet met toepassing van artikel 6:22 Awb kan worden geheeld. De grief faalt derhalve.

5. Met betrekking tot de gehandhaafde weigering eiser als vluchteling toe te laten, overweegt de rechtbank als volgt.

6. Ingevolge artikel 1 (A) van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76) en artikel 15, eerste lid, Vw is van

vluchtelingschap sprake in geval de betrokkene afkomstig is uit een land waarin hij gegronde redenen heeft te vrezen voor vervolging wegens zijn godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging, zijn nationaliteit, dan

wel wegens het behoren tot een bepaald ras of tot een bepaalde sociale groep.

7. Vooropgesteld moet worden dat de situatie in (Noord)-Irak niet zodanig is dat vreemdelingen afkomstig uit dat land in het algemeen zonder meer als vluchteling kunnen worden aangemerkt. Eiser zal dus aannemelijk moeten maken dat

met betrekking tot hem persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan die zijn vrees voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin rechtvaardigen.

8. Eiser is daarin niet geslaagd. De rechtbank overweegt daartoe dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt gegronde vrees te hebben voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Eiser heeft tweemaal asiel aangevraagd in

Nederland en eenmaal in Duitsland waarbij hij verschillende personalia heeft gebruikt en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd. Eisers verklaring dat hij dit heeft gedaan omdat hij toch nog wilde proberen om terug te keren naar

Irak en daarom niet wilde dat alles over hem bekend zou zijn in Nederland en Duitsland, acht de rechtbank niet geloofwaardig. Verwacht mag worden dat iemand die een asielaanvraag doet, omdat hij vreest voor vervolging in zijn land

van herkomst, de betrokken autoriteiten op wie hij een beroep doet om bescherming, de waarheid zal vertellen. Eisers tegenstrijdige verklaringen doen naar het oordeel van de rechtbank ernstig afbreuk aan de geloofwaardigheid van het

relaas.

Voor zover enig geloof dient te worden gehecht aan het relaas zoals door eiser bij het nader gehoor d.d. 8 december 1998 en bij het gehoor door een ambtelijke commissie d.d. 3 november 1999 naar voren is gebracht, overweegt de

rechtbank dat niet aannemelijk is dat eiser zich heeft geprofileerd als een belangrijk tegenstander van de KDP-autoriteiten. Daartoe is overwogen dat niet duidelijk is waarom eiser ervan zou worden beschuldigd te hebben samengewerkt

met de chauffeur van de landcruiser om deze door te laten naar Turkije. Eiser heeft immers eigenhandig en voor de ogen van toekijkende collega's de poging van de chauffeur om naar Turkije te rijden verijdeld. Bovendien is niet

aannemelijk dat eiser ervan wordt beschuldigd een handlanger van de PUK te zijn vanwege het PUK-verleden van zijn broer, nu deze zich reeds had overgegeven aan de KDP. Ook valt niet in te zien dat, als er verdenkingen van verraad

ten aanzien van eiser bestonden, eiser werd gevraagd aan deze grenspost, op een "gevoelige" plaats, dienst te doen. Voorts wijst de simpele wijze van ontsnapping uit het ziekenhuis er evenmin op dat eiser door de autoriteiten als

een gevaarlijk of belangrijk tegenstander werd beschouwd. De verklaring van eiser dat hij kon ontsnappen door omkoping, doet aan het voorgaande niet af.

9. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder bij het bestreden besluit zijn weigering eiser toe te laten als vluchteling terecht heeft gehandhaafd.

10. Ingevolge artikel 3 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), dient te worden beoordeeld of aannemelijk is dat betrokkene een reëel risico loopt te worden onderworpen aan

foltering, dan wel aan een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing.

Gelet op rechtsoverweging 8 is niet aannemelijk geworden dat gedwongen terugkeer van eiser naar (Noord)-Irak strijd oplevert met artikel 3 EVRM.

11. Evenmin is gebleken van klemmende redenen van humanitaire aard op grond waarvan verweerder een vergunning tot verblijf in redelijkheid niet heeft kunnen onthouden.

12. Het beroep is derhalve ongegrond.

13. Van omstandigheden op grond waarvan ‚‚n der partijen moet worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte kosten is de rechtbank niet gebleken.

III. BESLISSING

De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

IV. RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Aldus gedaan door mr. J.Th. Drop en in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2001, in tegenwoordigheid van mr. M. Kruijt, griffier.

afschrift verzonden op: