Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AB1129

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
31-01-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 01/845 VRONTO
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / uitzetting / voortvarendheid.

Tijdens de voorlopige hechtenis heeft verweerder geen voorbereidingen voor de uitzetting van eiser getroffen. De rechtbank is van oordeel dat van verweerder niet gevergd kan worden uitzettingsvoorbereidingen te treffen ten behoeve van een vreemdeling wiens celstraf nog niet door de rechter bepaald is. Op 4 januari 2001 is eiser door de strafrechter veroordeeld. Vanaf die datum wordt van verweerder verwacht activiteiten te ondernemen om de uitzetting van eiser te effectueren. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet op een kenbare wijze te kennen heeft gegeven welke uitzettingshandelingen hij heeft verricht in de detentieperiode van 4 januari 2001 tot 9 januari 2001, maar gelet op de korte duur van die periode en op het feit dat op 19 januari 2001 al een presentatie bij de Marokkaanse autoriteiten voor eiser is gepland, kan niet geoordeeld worden dat verweerder daarbij zodanig onvoldoende voortvarend te werk is gegaan dat de bewaring als onrechtmatig moet worden aangemerkt. Beroep ongegrond, afwijzing verzoek om schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

enkelvoudige kamer

Uitspraak

op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 34a Vreemdelingenwet (Vw)

reg. nr.: AWB 01/845 VRONTO

inzake : A, van (gestelde) Algerijnse nationaliteit, verblijvende in het Justitieel Complex ‘Koning Willem II’ te Tilburg, eiser,

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij bevel tot bewaring van 9 januari 2001 is eiser op grond van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw in bewaring gesteld. Verweerder heeft op diezelfde dag schriftelijk een last tot uitzetting van eiser gegeven.

Bij beroepschrift van 9 januari 2001 heeft mr. drs. E.M. Hoorenman, advocaat te Amsterdam, namens eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot bewaring. Daarbij is opheffing van de maatregel gevorderd alsmede

toekenning van schadevergoeding en veroordeling van verweerder in de proceskosten.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 17 januari 2001. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. drs. Hoorenman, voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door gemachtigde mr. B. Perels,

werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van verweerders ministerie. Tevens was ter zitting aanwezig M.L. Selmi, tolk in de Arabische taal.

II. OVERWEGINGEN

Eiser heeft het volgende -zakelijk weergegeven- aangevoerd. Eiser heeft een lange periode in strafrechtelijke detentie gezeten zonder dat verweerder in die periode enkele voorbereidingen heeft getroffen om eiser, na expiratie van

zijn detentie, uit te zetten. Verweerder heeft onvoldoende voortvarend gewerkt aan de uitzetting van eiser. De bewaring is derhalve onrechtmatig geworden.

Verder merkt eisers gemachtigde op dat van eiser geen paspoort gevergd kan worden omdat hij minderjarig is. In zijn land van herkomst kan men pas in het bezit komen van een paspoort of identiteitsdocument als men meerderjarig is

geworden.

Verweerder heeft het volgende -zakelijk weergegeven- aangevoerd. Aan alle formele en materiële vereisten voor de inbewaringstelling is voldaan. Eiser zat vanaf 28 november 2000 in voorarrest. Op 4 januari 2001 is eiser door de

strafrechter veroordeeld. Eiser moest nog vier dagen – de duur van de gevangenisstraf met aftrek van de duur van het voorarrest - in een jeugdinrichting doorbrengen. In de tijd van het voorarrest van eiser kon verweerder geen

activiteiten ondernemen om de uitzetting van eiser voor te bereiden. De datum van de expiratie van de detentie was immers onzeker.

Zodra verweerder, op 5 januari 2001, met de expiratiedatum – 9 januari 2001 – van de straf van eiser bekend was, is hij echter volop met de voorbereidingen van eisers uitzetting bezig. Op 19 januari 2001 zal eiser worden

gepresenteerd bij de Marokkaanse autoriteiten. Eiser zal tevens zo spoedig mogelijk worden gepresenteerd bij de Algerijnse autoriteiten.

De rechtbank overweegt het volgende.

De rechtbank stelt vast dat eiser niet beschikt over een geldige titel tot verblijf, dat zijn identiteit en nationaliteit niet vaststaan, dat hij niet beschikt over voldoende middelen van bestaan en dat zijn uitzetting is gelast. De

rechtbank is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat verweerders standpunt dat aannemelijk is dat eiser zich aan de uitzetting zal onttrekken, niet ongegrond is.

Voorts dient, gelet op het door eiser ingenomen standpunt, de vraag te worden beantwoord of verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld inzake de (voorbereiding van) uitzetting van eiser. De rechtbank stelt vast dat eiser,

voorafgaand aan de inbewaringstelling van 9 januari 2001, ruim een maand in (strafrechtelijk) voorarrest heeft gezeten. Ingevolge het bepaalde in hoofdstuk A6/9.9 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 1994 moet verweerder alles in het

werk stellen om bewaring ter fine van uitzetting van vreemdelingen die strafrechtelijk gedetineerd zijn te voorkomen of althans zo kort mogelijk te houden. Tijdens de voorlopige hechtenis heeft verweerder geen voorbereidingen voor

de uitzetting van eiser getroffen. De rechtbank is van oordeel dat van verweerder niet gevergd kan worden uitzettingsvoorbereidingen te treffen ten behoeve van een vreemdeling wiens celstraf nog niet door de rechter bepaald is. Op 4

januari 2001 is eiser door de strafrechter veroordeeld. Vanaf die datum wordt van verweerder verwacht activiteiten te ondernemen om de uitzetting van eiser te effectueren. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet op een

kenbare wijze te kennen heeft gegeven welke uitzettingshandelingen hij heeft verricht in de detentieperiode van 4 januari 2001 tot 9 januari 2001, maar gelet op de korte duur van die periode en op het feit dat op 19 januari 2001 al

een presentatie bij de Marokkaanse autoriteiten voor eiser is gepland, kan niet geoordeeld worden dat verweerder daarbij zodanig onvoldoende voortvarend te werk is gegaan dat de bewaring als onrechtmatig moet worden aangemerkt.

Uit het vorenstaande is evenmin gebleken dat een reëel perspectief op uitzetting ontbreekt.

De rechtbank concludeert dat de toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel niet in strijd is met de wet en dat deze bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid gerechtvaardigd is te achten. Derhalve wordt

het beroep ongegrond verklaard.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank geen gronden aanwezig om toepassing te geven aan artikel 34j Vw of artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING:

De rechtbank

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Salomon, rechter, en door deze in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2001, in tegenwoordigheid van mr. I. El Haddouchi, griffier.

Afschrift verzonden op: 06 maart 2001

Conc.: IH

Coll:

Bp:-

D:B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof te 's-Gravenhage, voorzover het betreft het al dan niet toekennen van schadevergoeding of de hoogte daarvan. De Officier van Justitie kan binnen veertien dagen na de

uitspraak en de vreemdeling binnen een maand na de betekening van de uitspraak hoger beroep instellen door het afleggen van een daartoe strekkende verklaring bij de griffie van deze rechtbank.