Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AB1106

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-02-2001
Datum publicatie
02-04-2003
Zaaknummer
AWB 99/12020
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Ter beoordeling staat of de aanvraag om een vtv wegens ontbreken van een mvv terecht buiten behandeling is gesteld. Niet in geschil is dat verzoekster bij haar aanvraag geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan zij een beroep wenst te doen op de vrijstellingscategorieën. Verweerder heeft verzoekster ingevolge artikel 4:5 Awb de gelegenheid geboden gegevens te verstrekken en bescheiden te overleggen ter ondersteuning van haar aanvraag en om te motiveren waarom zij in aanmerking dient te komen voor vrijstelling van het mvv-vereiste. Verzoekster heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. Eerst in het bezwaarschrift heeft verzoekster aangegeven dat zij niet in staat is in haar land van herkomst een mvv aan te vragen omdat zij moest vluchten voor ernstig geweld dat zij onder deze omstandigheden in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste. Voorts heeft verzoekster gesteld dat het in strijd is met iedere logica om verzoekster terug te sturen naar haar land van herkomst omdat de door haar gevraagde vtv haar op grond van de bestaande regels niet kan worden geweigerd. Met verweerder is de president van oordeel dat primair ter beoordeling staat of de aanvraag op het moment van de bestreden beschikking op basis van de toen bekende feiten en omstandigheden buiten behandeling kon worden gesteld. De aard en inhoud van het bestreden besluit, in casu buiten behandelingstelling centraal dient te staan. Weliswaar heeft de bezwaarprocedure onder meer de functie van een volledige heroverweging waarbij rekening dient te worden gehouden met nieuwe feiten en omstandigheden, doch daar staan de aard en inhoud van het bestreden besluit tegenover en is er slechts aanleiding tot heroverweging van een besluit voor zover die feiten en omstandigheden een nieuw licht werpen op het aan het primaire besluit ten grondslag liggende feitencomplex. In dit concrete geval is er door verzoekster ten tijde van haar aanvraag niets aangevoerd, terwijl niet gebleken is dat verzoekster door omstandigheden buiten haarzelf niet in staat is geweest haar motieven naar voren te brengen. Afwijzing van de voorlopige voorziening en bezwaar ongegrond verklaard met toepassing van 33b Vw.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 4:5, geldigheid: 2001-02-13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2001/117

Uitspraak

President van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer

nevenzittingsplaats Dordrecht

__________________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:84 Algemene wet bestuursrecht

juncto artikel 33a en 33b Vreemdelingenwet

__________________________________________________

Reg.nr : AWB 99/12020 VRWET

Inzake : A, verzoekster, woonplaats kiezende ten kantore van haar gemachtigde,

mr. M.A.W. Dankelman, advocaat te B

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. M.B. Langius, ambtenaar ten departemente.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Verzoekster, geboren op [...] 1973, bezit de Columbiaanse nationaliteit. Zij verblijft sedert onbekende datum in Nederland als vreemdelinge in de zin van de Vreemdelingenwet (Vw) in Nederland. Op 23 september 1999 heeft zij een

aanvraag ingediend, welke op 28 september 1999 door de korpschef van de politieregio Haaglanden is ontvangen, om verlening van een vergunning tot verblijf, met als doel „arbeid in loondienst“. Deze aanvraag is door verweerder op 8

december 1999 buiten behandeling gesteld vanwege het ontbreken van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Verzoekster heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. Verweerder heeft op grond van artikel 32 Vw bepaald

dat uitzetting gedurende de periode dat het bezwaar aanhangig is, niet achterwege zal worden gelaten.

2. Op 21 december 1999 heeft verzoekster de president van de rechtbank verzocht een voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting achterwege te laten, totdat op het bezwaar is beslist. Verweerder heeft de op de zaak

betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek.

3. De openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 30 januari 2001. Verzoekster en haar gemachtigde zijn niet ter zitting verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

1. Ingevolge artikel 8:81 Algemene wet bestuursrecht kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is

ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. In het kader van de uitzetting moet daarbij, op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b Vw, worden getoetst of het bezwaar tegen de beschikking tot weigering van toelating een redelijke kans van slagen heeft.

Ingevolge artikel 33b Vw kan de president hangende de afdoening van het bezwaar of het administratief beroep na de behandeling van een tegen de uitzetting gerichte voorlopige voorziening tevens uitspraak doen in de hoofdzaak

betreffende de niet-toelating.

3. Verzoekster stelt dat zij in aanmerking komt voor een vergunning tot verblijf met als doel het verrichten van arbeid al dan niet in loondienst.

Daartoe heeft zij onder meer aangevoerd dat zij niet in staat was een mvv te verwerven, omdat zij halsoverkop haar land van herkomst heeft moeten verlaten op de vlucht voor ernstig geweld. Onder deze omstandigheden meent verzoekster

in aanmerking te komen voor een van de vrijstellingsgronden genoemd in artikel 16a Vreemdelingenwet (Vw), dan wel artikel 52a van het Vreemdelingenbesluit (Vb). Zij meent dat het in strijd is met iedere logica om haar eerst naar

haar geboorteland terug te zenden om haar daar een mvv te laten aanvragen, die haar op grond van de bestaande regels niet zal kunnen worden geweigerd.

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat verzoeker niet voor toelating in aanmerking komt en dat uitzetting niet achterwege hoeft te blijven. Verweerder heeft de aanvraag om toelating buiten behandeling gesteld omdat

verzoekster niet over een geldige mvv beschikt. Ingevolge artikel 16a, eerste lid van de Vreemdelingenwet wordt een aanvraag om een vergunning tot verblijf slechts in behandeling genomen indien de vreemdeling beschikt over een

geldige machtiging tot voorlopig verblijf. De aanvraag komt naar het oordeel van verweerder niet in aanmerking voor een inhoudelijke beoordeling nu de strekking van artikel 16a Vw is dat het onderzoek naar de verblijfsvoorwaarden in

het land van herkomst wordt verricht. Verweerder stelt vast dat verzoekster bij haar aanvraag geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan zij een beroep wenst te doen op een van de vrijstellingcategorieën.

Evenmin heeft verzoekster een model 50 ondertekend. Gelet hierop stelt verweerder zich primair op het standpunt dat de in het bezwaarschrift aangevoerde feiten en omstandigheden buiten beschouwing gelaten dienen te worden. Bij de

beoordeling van de vraag of de aanvraag buiten behandeling kan worden gesteld, is immers slechts van belang of de aanvraag op het moment van de bestreden beschikking op basis van de toen bekende feiten en omstandigheden buiten

behandeling kon worden gesteld. Nu verzoekster ten tijde van de aanvraag geen beroep op enige vrijstellingscategorieën heeft gedaan, kan zij naar de mening van verweerder hierop niet alsnog in de bezwaarfase een beroep doen.

Voor zover hetgeen in het bezwaarschrift is aangevoerd door verzoekster toch als een beroep op de hardheidsclausule moet worden opgevat, is verweerder van mening dat verzoeksters dat zij op de vlucht is voor geweld in haar land,

Colombia onvoldoende heeft onderbouwd.

5. De president overweegt het volgende.

Met ingang van 11 december 1998 is artikel 16a Vw in werking getreden. Dit artikel bepaalt - kort gezegd - dat een aanvraag om toelating slechts in behandeling wordt genomen indien de vreemdeling beschikt over een geldige mvv. Met

de invoering van dit artikel is het beschikken over een mvv een wettelijke basis voor het in behandeling nemen van een aanvraag om toelating. Artikel 16a, derde lid, Vw kent zes categorieën, waarbij vrijstelling van het mvv-vereiste

plaatsvindt. Daarnaast zijn ingevolge het bepaalde in artikel 16a, vierde lid, Vw jo artikel 52a Vb twaalf andere dan de in het derde lid bedoelde categorieën vreemdelingen vrijgesteld van het bezit van een mvv. Tot slot kan

krachtens artikel 16a, zesde lid, Vw in zeer bijzondere individuele gevallen voor het in behandeling nemen van een aanvraag om toelating worden afgezien van de vereiste mvv. Dit is de zogeheten hardheidsclausule.

Ter beoordeling staat of verweerder in de bestreden beslissing terecht de aanvraag om een vergunning tot verblijf wegens het ontbreken van een mvv buiten behandeling heeft gesteld.

Niet in geschil is dat verzoekster bij haar aanvraag geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan zij een beroep wenst te doen op meergenoemde vrijstellingscategorieën.

Verweerder heeft verzoekster ingevolge artikel 4:5, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de gelegenheid geboden gegevens te verstreken en bescheiden te overleggen ter ondersteuning van haar aanvraag en om te motiveren

waarom zij in aanmerking dient te komen voor vrijstelling van het mvv-vereiste. Verzoekster heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.

Eerst in het bezwaarschrift heeft verzoekster aangegeven dat zij niet in staat is in haar land van herkomst een mvv aan te vragen omdat zij moest vluchten voor ernstig geweld en dat zij onder deze omstandigheden in aanmerking komt

voor vrijstelling van het mvv-vereiste. Voorts heeft verzoekster gesteld dat het in strijd is met iedere logica om verzoekster terug te sturen naar haar land van herkomst omdat de door haar gevraagde vergunning tot verblijf haar op

grond van de bestaande regels niet kan worden geweigerd.

Met verweerder is de president van oordeel dat primair ter beoordeling staat of de aanvraag op het moment van de bestreden beschikking op basis van de toen bekende feiten en omstandigheden buiten behandeling kon worden gesteld. De

aard en inhoud van het bestreden besluit, in casu de buiten behandelingstelling dient centraal te staan. Weliswaar heeft de bezwaarprocedure onder meer de functie van een volledige heroverweging waarbij rekening dient te worden

gehouden met nieuwe feiten en omstandigheden, doch daar staan de aard en inhoud van het bestreden besluit tegenover en is er slechts aanleiding tot heroverweging van een besluit voor zover die feiten en omstandigheden een nieuw

licht werpen op het aan het primaire besluit ten grondslag liggende feitencomplex. In dit concrete geval is er door verzoekster ten tijde van haar aanvraag niets aangevoerd, terwijl niet is gebleken dat verzoekster door

omstandigheden buiten haarzelf niet in staat is geweest haar motieven naar voren te brengen.

6. Op grond van het vorenstaande heeft naar het oordeel van de president verweerder terecht geconcludeerd dat verzoekster niet behoort tot een van de categorieën die zijn vrijgesteld van het mvv-vereiste als genoemd in artikel 16a

Vw dan wel in artikel 52a Vb en terecht de gevraagde vergunning buiten behandeling heeft gesteld.

7. Gelet hierop is de president van oordeel dat verweerder terecht op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b Vw besloten heeft de uitzetting niet achterwege te laten. Nu voorts nader onderzoek naar het oordeel van de

president redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, wordt het bezwaar met toepassing van artikel 33b Vw ongegrond verklaard.

Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 Algemene wet bestuursrecht.

8. Van omstandigheden op grond waarvan één der partijen moet worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte kosten is de president niet gebleken.

III. BESLISSING

De president:

RECHT DOENDE:

1. verklaart het bezwaar ongegrond;

2. wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

IV. RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Aldus gedaan door mr. W.M.P.M. Weerdesteijn en uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2001, in tegenwoordigheid van drs. S.R. Jonkergouw, griffier.

afschrift verzonden op: