Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AB1013

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-01-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/70787 VRONTO
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

SAMENVATTING

Bewaring / strafvordelijk voortraject. Verweerder is in gebreke gebleven om de door de rechtbank gevraagde informatie over de ondernomen activiteiten tijdens de periode van de inverzekeringstelling te verschaffen. Daartoe heeft verweerder zich bediend van een argument dat niet als juist kan worden aanvaard. De rechtbank acht de stelling van verweerder - die hij in de brief van 14 december 2000 heeft geuit - dat het strafvorderlijke voortraject in de onderhavige zaak, gezien de door de rechtbank te hanteren marginale toetsing, niet ter beoordeling staat, onjuist. Teneinde marginaal te kunnen toetsen of het strafrechtelijke voortraject zodanige gebreken toont dat (ook) de bewaring onrechtmatig is, dient de rechtbank immers over dat traject te worden geïnformeerd. De rechtbank is derhalve van oordeel dat, ook met inachtneming van de marginale toetsing, het strafvorderlijk voortraject zodanige gebreken moet worden geacht te vertonen dat ook de daarop volgende inbewaringstelling van begin af aan onrechtmatig is geweest. Daarbij is met name van belang dat niet zonder nadere informatie vanzelf spreekt dat er tijdens de periode van de inverzekeringstelling, ruim twee dagen, het nodige onderzoek zal hebben plaatsgevonden als daarvan niet uit enig stuk blijkt.

Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

UITSPRAAK

op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 34a van de Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr.: AWB 00/70787 VRONTO

inzake : A, van Bulgaarse nationaliteit, verbleven hebbende op het politiebureau te B, eiseres,

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij bevel tot bewaring van 19 november 2000 is eiseres op grond van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw in bewaring gesteld. Verweerder heeft op diezelfde datum schriftelijk een last tot uitzetting van eiseres

gegeven.

Bij beroepschrift van 19 november 2000 heeft mr. B.A. Zevenbergen, advocaat te Amsterdam, namens eiseres beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot bewaring. Daarbij is opheffing van de maatregel gevorderd alsmede

toekenning van schadevergoeding.

Volgens de door verweerder gefaxte telefoonnotitie van 27 november 2000 is ter uitzetting van eiseres naar Bulgarije een vlucht geboekt op 28 november 2000 om 15.30 uur.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 28 november 2000. Eiseres is aldaar vertegenwoordigd door mr. Zevenbergen, voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door gemachtigde mr. D. Grip, werkzaam bij de

Immigratie- en Naturalisatiedienst van verweerders ministerie. Tevens was ter zitting aanwezig N. Stoyanova, tolk in de Bulgaarse taal.

Ter zitting heeft mr. Zevenbergen, voornoemd, het beroepschrift van 17 november 2000 ingetrokken voor wat betreft de gevraagde opheffing van de vreemdelingenbewaring.

Bij beslissing van 28 november 2000 heeft de rechtbank het onderzoek heropend teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen om nadere inlichtingen in te winnen over de strafvorderlijke activiteiten die zijn ondernomen ten aanzien

van eiseres in de periode tussen 17 november 2000 vanaf 11.00 uur en 19 november 2000 tot 14.00. De rechtbank heeft tevens besloten de zaak zonder nadere zitting af te doen, zulks nadat de gemachtigde van eiseres de gelegenheid zal

hebben gehad op de verstrekte inlichtingen te reageren en partijen daartoe toestemming hadden verleend.

Op 14 december 2000 is een fax van verweerder binnengekomen. Daarop heeft de gemachtigde van eiseres bij fax van 18 december 2000 gereageerd. Het onderzoek ter zitting is op 18 december 2000 gesloten.

II. OVERWEGINGEN

Eiseres heeft het volgende -zakelijk weergegeven- aangevoerd. Eiseres is op 17 november 2000 om 11.21 uur in verzekering gesteld en op 19 november 2000 te 14.05 uur is het strafvorderlijk belang van het onderzoek vervallen. De

inverzekeringstelling wordt opgelegd in het belang van het (strafrechtelijke) onderzoek. Uit de in het dossier opgenomen stukken en uit de door verweerder op 14 december 2000 verstrekte informatie blijkt niet welke activiteiten

tijdens de periode van de inverzekeringstelling - in verband met dat onderzoek – door de recherche zijn ontplooid. Eiseres stelt – in de brief van 18 december 2000 – dat de inverzekeringstelling te lang heeft geduurd en daarom in

strijd is met de wet, waardoor de daarop gevolgde inbewaringstelling ook van meet af aan onrechtmatig is.

Verweerder heeft het volgende -zakelijk weergegeven- aangevoerd. Aan de formele en materiële vereisten voor de inbewaringstelling is voldaan.

Verweerder stelt voorts - bij brief van 14 december 2000 - dat hetgeen zich tussen

17 november 2000 vanaf 11.00 en 19 november 2000 om 14.00 strafvorderlijk heeft afgespeeld, gezien de aan de rechtbank toekomende bevoegdheid tot marginale toetsing van het strafvorderlijke voortraject, in de onderhavige procedure

niet ter beoordeling staat.

De rechtbank overweegt het volgende.

De rechtbank stelt vast dat het beroep voorzover het strekte tot opheffing van bewaring na de indiening van het beroep is ingetrokken. Thans moet derhalve uitsluitend nog worden beoordeeld of er gronden zijn om schadevergoeding toe

te kennen.

Bij beslissing van 28 november 2000 is verweerder de gelegenheid geboden nadere informatie te verschaffen over de strafvorderlijke activiteiten die zijn ondernomen ten aanzien van eiseres in de periode tussen 17 november 2000 vanaf

11.00 uur en 19 november 2000 tot 14.00 uur. Verweerder is echter in gebreke gebleven om de door de rechtbank gevraagde informatie te verschaffen. Daartoe heeft verweerder zich bediend van een argument dat niet als juist kan worden

aanvaard. De rechtbank acht de stelling van verweerder – die hij in de brief van 14 december 2000 heeft geuit – dat het strafvorderlijke voortraject in de onderhavige zaak, gezien de door de rechtbank te hanteren marginale toetsing,

niet ter beoordeling staat, onjuist. Teneinde marginaal te kunnen toetsen of het strafrechtelijke voortraject zodanige gebreken vertoont dat (ook) de bewaring onrechtmatig is, dient de rechtbank immers over dat traject te worden

geïnformeerd. De rechtbank is derhalve van oordeel dat, ook met inachtneming van de marginale toetsing, het strafvorderlijke voortraject zodanige gebreken moet worden geacht te vertonen dat ook de daarop volgende inbewaringstelling

van begin af aan onrechtmatig is geweest. Daarbij is met name van belang dat niet zonder nadere informatie vanzelf spreekt dat er tijdens de periode van de inverzekeringstelling, ruim twee dagen, het nodige onderzoek zal hebben

plaatsgevonden als daarvan niet uit enig stuk blijkt.

De rechtbank acht het beroep gegrond en ziet in het vorenstaande aanleiding eiseres ten laste van de Staat der Nederlanden een vergoeding als bedoeld in artikel 34j van de Vw toe te kennen en wel tot een bedrag van ƒ 200,- per dag

dat eiseres ten onrechte op een politiebureau aan de vrijheidsontnemende maatregel onderworpen is geweest en ƒ 150,- per dag dat eiseres in een Huis van Bewaring aan de vrijheidsontnemende maatregel onderworpen is geweest tot de

beëindiging van de inbewaringstelling.

Gelet op het vorenstaande is er voorts aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten van eiseres in verband met de behandeling van het beroep, welke zijn begroot op ƒ 710,- als kosten van

verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING:

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot vergoeding van de schade, tot een nader – door de partijen - te bepalen bedrag, te betalen door de griffier van de rechtbank aan eiseres;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag groot ƒ 710,- (zegge: zevenhonderd en tien gulden), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier van deze rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J. van Bennekom, rechter, en door deze in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2001 in tegenwoordigheid van mr. I. El Haddouchi, griffier.

Afschrift verzonden op:

Conc.: IH

Coll:

Bp:-

D:B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof te 's-Gravenhage, voorzover het betreft het al dan niet toekennen van schadevergoeding of de hoogte daarvan. De Officier van Justitie kan binnen veertien dagen na de

uitspraak en de vreemdeling binnen een maand na de betekening van de uitspraak hoger beroep instellen door het afleggen van een daartoe strekkende verklaring bij de griffie van deze rechtbank.