Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AB0680

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-01-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/11026
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Irak / bloedwraak.

Eiser wordt door familie van een derde verantwoordelijk gehouden voor de dood van deze derde.De rechtbank is van oordeel dat hierin geen vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag kan worden gevonden.

De rechtbank sluit niet uit dat, in een bepaalde politieke context, dreigementen die verband houden met een familievete die reeds generaties lang wordt gevoerd en die in breed verband tot repercussies leidt, tot vervolging kunnen leiden op grond van het behoren tot een sociale groep. In dit geval is van dreigementen in het kader van een dergelijke situatie echter geenszins gebleken. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

enkelvoudige kamer

Uitspraak

artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht

jo artikel 33a Vreemdelingenwet

reg.nr. : AWB 99/11026 VRWET

Inzake: A, verblijvende in het Asielzoekerscentrum te B, eiser,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiser, geboren op [...] 1974, bezit de Irakese nationaliteit. Hij verblijft naar eigen zeggen sedert 17 december 1998 als vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet (Vw) in Nederland. Op 27 december 1998 heeft hij een aanvraag

ingediend om toelating als vluchteling. Bij besluit van 25 maart 1999 heeft verweerder de aanvraag om toelating als vluchteling niet ingewilligd vanwege kennelijke ongegrondheid. Verweerder heeft ambtshalve overwogen dat eiser

evenmin in aanmerking komt voor verlening van een vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard. Eiser heeft tegen het besluit bezwaar gemaakt bij brief van 19 april 1999. Bij besluit van 20 mei 1999 heeft

verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Het besluit is bij brief van dezelfde datum aan de gemachtigde van eiser gezonden.

2. Bij brief van 2 juni 1999 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. In beroep heeft eiser verzocht het bestreden besluit te vernietigen. De rechtbank heeft partijen meegedeeld het beroep versneld te zullen

behandelen. Op 20 maart 2000 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 4 juli 2000 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 november 2000. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. P.C.M. van Schijndel, advocaat te

’s-Gravenhage. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door

mr. C.E.J. van Buren-Buijs, juridisch medewerker bij Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn, advocaten en notarissen te 's-Gravenhage. Er was geen tolk ter zitting aanwezig.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

2. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij in aanmerking komt voor toelating als vluchteling dan wel voor verlening van een vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard. Hiertoe voert hij het

volgende aan.

Eiser heeft de Irakese nationaliteit en behoort tot de Koerdische bevolkingsgroep. Eiser had samen met zijn broer C een bedrijf in Sulaimaniya (Noord-Irak). Eiser begon dekens te vervoeren tussen Bana (Iran) en Sulaimanya. Op

25 oktober 1998 gingen eiser, zijn vriend D en eisers broer C naar de plaats Bana. Toen zij in de grensplaats Sayranban arriveerden bleven eiser en zijn broer daar en D ging naar Iran om te kijken of er controleposten waren. Toen D

niet terugkeerde zijn eiser en zijn broer eveneens naar Iran gegaan en hebben in een theehuis op D gewacht. Toen D niet kwam opdagen zijn eiser en zijn broer naar een oom in Bana gegaan, waar zij ook tevergeefs op D hebben gewacht.

Na twee dagen arriveerden de dekens in Bana, waarna eiser de dekens vervoerde naar de grensplaats in Irak. Van daaruit ging hij met een auto terug naar Sulaimaniya. Toen eiser thuiskwam bleek dat D was gedood en dat eisers familie

door de familie van D was beledigd. Volgens de familie van D was D door eiser en zijn broer om het leven gebracht. Eiser vermoedt dat de familie van D eiser en zijn broer verdenkt van de moord op D, daar zij die dag allebei veel

geld hadden en D volgens zijn familie om zijn geld is vermoord. Eiser is drie uur na thuiskomst ondergedoken bij een oom in Baziyan. Eisers familie heeft nog geprobeerd te onderhandelen met D's familie maar deze wilde niets van

eisers familie weten. Vervolgens heeft de familie van D de familie van eiser bedreigd. De familie van D wil eiser en zijn broer vermoorden. Eiser heeft met de hulp van een reisagent Irak omstreeks 8 november 1998 op illegale wijze

verlaten.

In beroep heeft eiser gesteld dat verschillende gewapende en rivaliserende Koerdische groepen opereren in Noord-Irak. In dat gebied heerst geen gezag. Derhalve kan hij bij geen enkele autoriteit bescherming inroepen tegen de

bloedwraak van de familie van D.

Ter zitting heeft eiser erop gewezen dat op pagina’s 81 tot en met 83 van het ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 12 april 2000 vermeld wordt dat zowel in het PUK-gebied als in het KDP-gebied de mate waarin de

autoriteiten in staat en bereid zijn voldoende bescherming te bieden aan vrouwen tegen ere-wraak mede wordt bepaald door de positie van de echtgenoot binnen de clan. Niet valt in te zien waarom hetzelfde niet zou gelden ten aanzien

van bloedwraak. Wanneer iemand niet voldoende bescherming krijgt van de autoriteiten tegen bloedwraak, dan kan er sprake zijn van vrees voor vervolging wegens het behoren tot een bepaalde sociale groep, namelijk een familie. In dit

verband heeft eiser ter zitting ook gesteld dat zijn eigen familie apolitiek is, terwijl de familie van D invloed heeft binnen de PUK. Dit komt weliswaar niet duidelijk naar voren in het asieldossier, maar er is ook niet naar

gevraagd door de contactambtenaar. Desgevraagd heeft de gemachtigde van eiser gesteld niet te weten of eiser ooit de bescherming van de PUK heeft ingeroepen. In elk geval verwacht hij geen bescherming van de kant van de PUK, omdat

de familie D betrokken is bij de PUK. Desgevraagd heeft eisers gemachtigde aangevoerd niet op de hoogte te zijn van de situatie waarin eisers broer en overige achtergebleven familieleden thans verkeren.

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser nimmer lid of sympathisant is geweest van een politieke partij of beweging. Verzoeker heeft geen reden te vrezen voor vervolging van de zijde van de wettige regering dan wel enige

andere partij in Noord-Irak. De omstandigheid dat eiser het land heeft verlaten uit angst voor een wraakactie van de familie van D is niet gerelateerd aan één van de vervolgingsgronden van het Vluchtelingenverdrag.

Voorts is niet gebleken dat er een reëel risico bestaat dat eiser bij terugkeer in het land van herkomst zal worden onderworpen aan een behandeling die strijd oplevert met artikel 3 van het Europese Verdrag tot bescherming van de

rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De algehele situatie in Irak is niet zodanig dat van asielzoekers die uit dit land afkomstig zijn niet gevergd zou kunnen worden dat zij aantonen dat er ten aanzien van hen

daadwerkelijke concrete redenen zijn, gelegen in hun persoonlijke feiten en omstandigheden, die de conclusie rechtvaardigen dat voor hen bij terugkeer naar het land van herkomst een reëel gevaar bestaat voor een zodanige behandeling

dat verwijdering naar dat land in strijd zou zijn met artikel 3 EVRM.

Ook komt eiser niet in aanmerking voor een voorwaardelijke vergunning tot verblijf. Sedert 20 november 1998 is het vvtv-beleid ten aanzien van Irakese asielzoekers beëindigd. Voorts geldt Noord-Irak bij de beoordeling van Irakese

asielaanvragen als binnenlands vestigingsalternatief, tenzij een Irakese asielzoeker behoort tot één van de risicogroepen als genoemd op pagina 17 van het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 13 november 1998

(DPC/AM-568758). Eiser behoort niet tot een van de risicogroepen en heeft geen problemen ondervonden van de Irakese autoriteiten, de Patriottische Unie van Koerdistan (PUK) dan wel de Koerdistaanse Democratische Partij (KDP).

Eiser is in dit geval niet gehoord omdat daartoe, gelet op het bepaalde in artikel 32, tweede lid, van de Vw geen verplichting bestaat en dit evenmin door de zorgvuldigheid wordt gevorderd.

In het verweerschrift heeft verweerder nog gesteld dat zowel de KDP als de PUK het door hen beheerste gebied goed onder controle hebben. Zij tolereren geen agressie van andere groeperingen in hun regio's. In principe kunnen zowel de

KDP als de PUK in staat worden geacht de bevolking in “hun” gebied te beschermen tegen derden. Verweerder heeft hierbij verwezen naar het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 13 november 1998. Er bestaat geen

aanleiding om aan te nemen dat de PUK eiser niet in deze zin zou willen beschermen. Eiser heeft niet eens geprobeerd de bescherming van de PUK in te roepen.

Ter zitting heeft verweerder gesteld dat het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse zaken van 12 april 2000 een duidelijk en genuanceerd beeld geeft van de positie van mensen in Noord-Irak die te vrezen hebben voor bloed- of

ere-wraak. Dergelijke conflictsituaties komen voor, maar niet zo veel als vroeger, en worden niet altijd gedoogd. Duidelijk is dat de vraag of de autoriteiten de nodige bescherming zullen bieden afhangt van de clanverhoudingen in

het bewuste geval. Het is aan eiser om reeds tijdens het nader gehoor de voor zijn individuele geval relevante concrete aanwijzingen naar voren te brengen. Eiser heeft echter pas ter zitting gesteld dat de familie van Luqman invloed

heeft binnen de PUK.

De rechtbank overweegt het volgende.

4. Ingevolge artikel 1(A) van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (het Vluchtelingenverdrag) in combinatie met artikel 15 van de Vw kunnen als vluchteling worden toegelaten vreemdelingen die

afkomstig zijn uit een land waar zij gegronde reden hebben te vrezen voor vervolging wegens ras, godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep.

5. Ingevolge artikel 11, vijfde lid, van de Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend. Verweerder voert bij de toepassing van dit artikellid

het beleid dat vreemdelingen niet voor toelating in aanmerking komen, tenzij met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel klemmende redenen van humanitaire aard of verplichtingen

voortvloeiende uit internationale overeenkomsten tot toelating nopen. Dit beleid is neergelegd in de Vreemdelingencirculaire (Vc).

6. Voorop wordt gesteld dat de algehele situatie in Irak, Noord-Irak daaronder begrepen, niet zodanig is dat vreemdelingen die afkomstig zijn uit dat gebied zonder meer als vluchteling zijn aan te merken. Het beroep op het

vluchtelingschap moet mitsdien worden beoordeeld aan de hand van eiser persoonlijk betreffende feiten en omstandigheden.

7. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat het relaas van eiser niet tot vluchtelingschap kan leiden. Daarbij is van belang dat eiser heeft gesteld dat de familie van D hem verdenkt van het plegen van moord op D, derhalve van

het plegen van een commuun delict. De rechtbank is van oordeel dat hierin geen vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag kan worden gevonden. Van een ander (toegedicht) motief tot vervolging dat wel verband houdt met één der

(limitatief opgesomde) gronden van dat Verdrag is niet gebleken. De rechtbank sluit niet uit dat, in een bepaalde politieke context, dreigementen die verband houden met een familievete die reeds generaties lang wordt gevoerd en die

in breed verband tot repercussies leidt, tot vervolging kunnen leiden op grond van het behoren tot een sociale groep. In dit geval is van dreigementen in het kader van een dergelijke situatie echter geenszins gebleken.

8. Indien een vreemdeling bij gedwongen terugkeer naar zijn land van herkomst het reële risico loopt te worden onderworpen aan een behandeling die is verboden bij artikel

3 EVRM, dient verweerder ingevolge vaste jurisprudentie van het Europese Hof voor de rechten van de mens hiertegen bescherming te bieden. Het is het beleid van verweerder om - in beginsel - een verblijfstitel te verlenen indien zich

een dergelijke situatie voordoet.

9. Eiser heeft gesteld dat de PUK niet bereid zal zijn hem tegen eventuele wraakacties van de kant van de familie D te beschermen. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiser deze stelling in onvoldoende mate aannemelijk

heeft gemaakt. Met name is niet gebleken dat eiser bescherming heeft gezocht bij de PUK, en waarom niet. Pas ter zitting heeft eiser aangegeven dat de familie van D invloed heeft binnen de PUK. Wanneer eisers vrees dat de lokale

autoriteiten hem geen voldoende bescherming zouden bieden in belangrijke mate was ingegeven door het feit dat de familie D invloed had binnen de PUK, dan had het in de lijn der verwachtingen gelegen dat eiser dit ook meteen zou

hebben vermeld tijdens het nader gehoor, of op zijn minst in bezwaar. Nu eiser dit heeft nagelaten en hij in beroep geen nadere informatie heeft verstrekt over wie van de familie D precies invloed heeft binnen de PUK en uit welken

hoofde, is de rechtbank van oordeel dat aan dit gestelde gegeven voorbij dient te worden gegaan.

10. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat verweerder zich met recht op het standpunt heeft gesteld dat eiser geen vluchteling is. Uit het voorgaande volgt tevens dat verweerder op goede gronden heeft kunnen oordelen dat eiser bij

terugkeer niet zal worden onderworpen aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. Bovendien is niet gebleken van overige klemmende redenen van humanitaire aard op grond waarvan aan eiser verblijf hier te lande zou moeten

worden toegestaan. Eiser behoort tot de Koerdische bevolkingsgroep, is afkomstig uit Noord-Irak en heeft daar nog familieleden wonen. Op grond van de beschikbare informatie over de situatie in Noord-Irak, is de rechtbank van oordeel

dat eiser in staat moet worden geacht zich in dat gebied staande te houden.

11. De conclusie is dat verweerder in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen. Voorts is niet gebleken dat het bestreden besluit in aanmerking komt om te worden vernietigd wegens strijd met enig algemeen beginsel

van behoorlijk bestuur.

12. Op grond van het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

13. Van omstandigheden op grond waarvan verweerder het griffierecht zou moeten vergoeden dan wel een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

III. BESLISSING

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2001, door

mr. T. Luigjes, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S. van Walsum, griffier.

Afschrift verzonden op: 30 januari 2001

Conc.:SvW

Coll:

Bp: -

D: B