Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AB0679

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-01-2001
Datum publicatie
05-07-2002
Zaaknummer
AWB 99/11510
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser behoort tot de bevolkingsgroep der shi’itische Hazara’s en stelt dat sprake is van groepsvervolging van Hazara’s door de Taliban. Onder verwijzing naar de REK-uitspraak van 14 juli 2000, heeft de rechtbank geoordeeld dat sprake kan zijn van groepsvervolging indien serieuze aanwijzingen bestaan dat in beginsel alle tot een groep behorende personen aan vervolging bloot (zullen) staan. Van groepsvervolging van Hazara’s is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Weliswaar was de algehele situatie in Aghanistan ten tijde van het bestreden besluit van 27 december 1999 zorgwekkend, doch niet zodanig dat vreemdelingen die afkomstig zijn uit dat land in het algemeen dan wel diegenen die behoren tot de bevolkingsgroep der Hazara’s zonder meer als vluchteling zijn aan te merken. Verwezen is in dit verband naar de ambtsberichten van de minister van Buitenlandse Zaken van 4 maart 1998 (pagina 32) en van 3 november 1998 (pagina 14), waaruit blijkt dat de Hazara’s weliswaar behoren tot de kwetsbare groeperingen doch dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat Hazara’s zodanig stelselmatig worden vervolgd op etnische gronden dat gesteld kan worden dat er serieuze aanwijzingen zijn dat alle Hazara’s aan vervolging bloot staan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE

Zittingsplaats Assen

Vreemdelingenkamer

regnr.: Awb 99/11510 VRWET Z VR

UITSPRAAK

inzake: A,

geboren op 23 juli 1953,

verblijvende te B,

van Afghaanse nationaliteit,

IND dossiernummer 9810028000,

eiser,

gemachtigde: mr. F.S. van Nierop, advocaat te Utrecht;

tegen: DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde: mr. F. Heus, advocaat te 's-Gravenhage.

1 PROCESVERLOOP

1.1 Op 3 oktober 1998 heeft eiser een aanvraag om toelating als vluchteling gedaan. Bij beschikking van 13 april 1999 heeft verweerder de aanvraag om toelating als vluchteling niet ingewilligd wegens de niet-ontvankelijkheid ervan.

Voorts heeft verweerder overwogen dat eiser evenmin in aanmerking komt voor een vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard. Wel is aan eiser een voorwaardelijke vergunning tot verblijf verleend.

1.2 Eiser heeft bij brief van 29 april 1999 bezwaar gemaakt tegen de niet-inwilliging van zijn aanvraag.

1.3 Bij brief van 15 december 1999 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op bezwaar.

1.4 Bij beschikking van 27 december 1999 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

1.5 Bij beroepschrift van 20 januari 2000 heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank tegen deze beschikking.

De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eiser gezonden en hem in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 28 november 2000. Eiser is daarbij verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2 OVERWEGINGEN

2.1 Aangaande het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het door eiser ingediende bezwaarschrift overweegt de rechtbank als volgt.

2.2 In artikel 6:2, aanhef en onder b, Algemene wet bestuursecht (Awb) is bepaald dat het niet tijdig nemen van een besluit voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit wordt gelijkgesteld.

2.3 Artikel 7:10, eerste lid, Awb bepaalt dat het bestuursorgaan binnen zes weken of -indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 Awb is ingesteld- binnen tien weken na ontvangst van het bezwaarschrift beslist.

Ingevolge het derde lid van dit artikel, kan het bestuursorgaan de beslissing voor ten hoogste vier weken verdagen onder schriftelijke mededeling daarvan.

2.4 In het onderhavige geval heeft verweerder eiser schriftelijk meegedeeld dat de beslissing voor vier weken wordt verdaagd. Verweerder diende derhalve binnen tien weken te beslissen.

2.5 Niet in geschil is dat verweerder niet binnen tien weken heeft beslist op het namens eiser ingediende bezwaarschrift.

2.6 Vastgesteld moet evenwel worden dat verweerder het bezwaar van eiser bij besluit van 27 december 1999 ongegrond heeft verklaard. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat eiser geen belang meer heeft bij een beoordeling van

de rechtmatigheid van de door eiser gestelde fictieve weigering van verweerder. Een dergelijke beoordeling zou immers slechts de vraag betreffen of verweerder heeft gehandeld in strijd met artikel 7:10, eerste lid, Awb door het niet

tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar. Nu ook overigens door eiser niet is aangegeven welk belang hij heeft bij een inhoudelijke oordeel op dit punt, dient het beroep naar het oordeel van de rechtbank in zoverre

niet-ontvankelijk te worden verklaard.

2.7 In artikel 6:20, vierde lid, Awb is bepaald dat het bezwaar of beroep tegen de weigering te beslissen wordt geacht mede te zijn gericht tegen het besluit op de aanvraag, in dit geval de beschikking van 27 december 1999, tenzij

die beschikking aan het bezwaar of beroep tegemoet komt.

Gelet op deze bepaling alsmede op de strekking van het besluit van 27 december 1999 en de brief van 20 januari 2000, wordt het beroep geacht mede te zijn gericht tegen dat besluit.

2.8 Beoordeeld moet worden of dit besluit van 27 december 1999 in rechte stand kan houden. Daartoe moet worden bezien of het de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

2.9 Op grond van artikel 15 Vreemdelingenwet (Vw) in samenhang met artikel 1(A) van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen kunnen vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waarin zij gegronde reden

hebben te vrezen voor vervolging wegens hun godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging of hun nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of een bepaalde sociale groep, als vluchteling worden

toegelaten.

2.10 Het vluchtrelaas van eiser komt op het volgende neer.

Eiser is afkomstig uit Afghanistan en behoort tot de bevolkingsgroep der shi'itische Hazara's. Eiser is bang voor de Taliban vanwege zijn afkomst en religie.

In september 1996 heeft eiser met zijn gezin in verband met de dreigende inname van Kabul door de Taliban uit voorzorg Kabul verlaten en zich met zijn gezin gevestigd in Mazar-i-Sharif.

Omstreeks mei/juni 1997 vond de broer van eiser, genaamd C, tijdens een uit de hand gelopen woordenwisseling de dood. Ook D werd tijdens deze woordenwisseling gedood. Eisers broer C wordt zowel door de vader van D als door diens

broer verantwoordelijk gehouden voor de dood van D. Sedertdien worden eiser en zijn familie door familieleden van D bedreigd. Volgens eiser had de woordenwisseling te maken met de machtswisseling in Mazar-i-Sharif.

In juli 1998 heeft eiser met zijn gezin Mazar-i-Sharif verlaten en is hij naar Jalalabad vertrokken. Ook dit keer uit voorzorg.

Een week voor eisers aankomst in Jalabad werden in die stad omstreeks 250 Hazara's door de Taliban opgepakt en meegenomen.

Op 2 september 1998 heeft eiser Afghanistan via Pakistan verlaten. Omstreeks 30 september 1998 is hij per vliegtuig in Nederland aangekomen. In Nederland heeft hij zich vervolgens bij de politie gemeld. De politie wilde hem eerst

niet helpen. Uiteindelijk heeft de politie eiser een papiertje gegeven zonder hem verder uit te leggen wat hij moest doen. Na 2 dagen op straat te hebben doorgebracht kwam eiser twee Afghanen tegen die hem hebben verwezen naar het

AC in Zevenaar.

2.11 Verweerder heeft de aanvraag om toelating als vluchteling niet-ontvankelijk verklaard met toepassing van artikel 15b, eerste lid onder f, van de Vreemdelingenwet omdat eiser bij aankomst in Nederland zich niet onverwijld heeft

gemeld bij een met het toezicht op vreemdelingen belaste ambtenaar, terwijl hij ook niet beschikte over een voor toegang tot Nederland vereist document voor grensoverschrijding. Voor dit verzuim bestond geen geldige reden. De door

eiser opgegeven reden komt voor eisers risico.

Subsidiair heeft verweerder eisers aanvraag om toelating als vluchteling afgewezen wegens de kennelijke ongegrondheid ervan. In dat verband stelt verweerder zich op het standpunt dat niet is gesteld, noch is gebleken dat eiser

vanwege zijn Hazara-afkomst of religie persoonlijke problemen heeft ondervonden of dat er gevaar bestaat dat hij in de toekomst voor dergelijke problemen heeft te vrezen. Verweerder heeft in dit verband verwezen naar de

ambtsberichten van 4 maart 1998 (kenmerk DPC/AM-67526) en 3 november 1998 (kenmerk DPC/AM-602771) van de Minister van Buitenlandse Zaken over de situatie in Afghanistan, waarin staat vermeld dat in Afghanistan geen sprake is van

grootschalige vervolging van Hazara's op etnische gronden. Evenmin duidt eisers verklaring dat hij zich had voorgenomen om zich in Jalalabad te vestigen, maar op advies van zijn oom is vertrokken volgens verweerder op een situatie

waarin eiser gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging in de zin van het Verdrag. Ook heeft eiser naar het oordeel van verweerder niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege zijn broer een gegronde reden heeft te vrezen voor

vervolging van de zijde van de autoriteiten.

Voorts had eiser zich volgens verweerder in Pakistan voor hulp tot de UNHCR kunnen wenden.

Naar de mening van verweerder heeft eiser verder geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan moet worden geconcludeerd dat eiser bij terugkeer in Afghanistan een reëel risico loopt te worden onderworpen aan een

zodanige behandeling dat verwijdering naar dat land in strijd zou zijn met artikel 3 Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.

Evenmin is gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan eiser om overige klemmende redenen van humanitaire aard in het bezit zou behoren te worden gesteld van een vergunning tot verblijf.

Verweerder heeft op grond van artikel 7:3 Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgezien van het horen van eiser.

In verband met de situatie in Afghanistan heeft verweerder eiser wel voor een voorwaardelijke vergunning tot verblijf in aanmerking gebracht.

2.12 Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder zijn aanvraag om toelating als vluchteling ten onrechte niet-ontvankelijk heeft geacht in verband met het bepaalde in artikel 15b, eerste lid onder f, Vw. Hij heeft zich wel

degelijk onverwijld gemeld bij de politie. Dat in het dossier van eiser niet het papiertje zit waaruit de tijdige aanmelding van eiser bij de politie blijkt dient naar het oordeel van de gemachtigde van eiser niet geheel voor

rekening van eiser te komen, nu eiser wel heeft kunnen aangeven dat hij aan de Vreemdelingendienst een papiertje heeft afgegeven.

Voorts stelt eiser, onder verwijzing naar paragraaf 43 van het Handbook, dat de gegrondheid van vrees voor vervolging niet noodzakelijkerwijs hoeft te worden afgeleid uit persoonlijke ervaringen, doch tevens kan worden afgeleid uit

hetgeen familieleden en anderen is of zal overkomen.

Dat eiser niet de bescherming heeft ingeroepen van de UNHCR in Pakistan komt omdat deze organisatie volgens eiser volstrekt niet in staat is om Hazara's de nodige bescherming te bieden.

Ten slotte doet eiser een beroep op artikel 3 van het Anti-Folterverdrag en artikel 7 van het BUPO-verdrag.

2.13 De rechtbank overweegt allereerst met betrekking tot de niet-ontvankelijkverklaring van eisers aanvraag om toelating als vluchteling als volgt.

Ingevolge artikel 15b, eerste lid, sub f van de Vw wordt een aanvraag om toelating als vluchteling niet ingewilligd wegens de niet-ontvankelijkheid ervan, indien de vreemdeling niet beschikt over een voor toegang tot Nederland

vereist document voor grensoverschrijding, tenzij hij zich onverwijld onder opgave van de plaats waar of waarlangs hij in Nederland is binnengekomen heeft vervoegd bij een ambtenaar, belast met de grensbewaking of het toezicht op

vreemdelingen, en zich er daar op heeft beroepen gegronde reden te hebben om voor vervolging in de zin van artikel 15 van die wet te vrezen.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat onder "onverwijld" als bedoeld in vorenaangehaald artikel moet worden verstaan dat een asielzoeker zich in de regel binnen twee dagen dient te melden bij de bevoegde autoriteiten,

doch dat dit geen vaste termijn is.

Niet betwist wordt dat eiser op 30 september 1998 Nederland is binnengereisd zonder in het bezit te zijn van de voor toelating tot Nederland noodzakelijke documenten. Vast staat voorts dat eiser zich op 2 oktober om 00.40 uur heeft

gemeld als asielzoeker.

Eiser heeft ter zake verklaard dat hij na aankomst in Nederland twee dagen al zoekende in Amsterdam heeft rondgezworven omdat hij niet wist wat hij moest doen en waar hij naartoe moest gaan. De reisleider had hem in de steek gelaten

en hij begreep niet wat op het papiertje stond dat hij van de politie had gekregen.

De rechtbank is van oordeel dat in dit geval niet kan worden volgehouden dat eiser niet heeft voldaan aan de verplichting om zich na binnenkomst in Nederland onverwijld te melden bij de vreemdelingendienst. De rechtbank heeft

hierbij van belang geacht dat in casu sprake is van een zeer geringe overschrijding van de in de regel door verweerder gehanteerde termijn.

Het vorenstaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder in redelijkheid niet heeft kunnen besluiten eisers aanvraag om toelating als vluchteling niet-ontvankelijk te verklaren.

In zoverre komt het bestreden besluit dan ook voor vernietiging in aanmerking.

2.14 Subsidiair heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser niet als vluchteling kan worden aangemerkt wegens kennelijke ongegrondheid van de aanvraag. De rechtbank overweegt als volgt.

2.15 Vooropgesteld moet worden, dat niet is gebleken dat de politieke en mensenrechtensituatie in Afghanistan zodanig is, dat asielzoekers uit dat land zonder meer als vluchteling behoren te worden aangemerkt. Vervolgens is het de

vraag of ten aanzien van leden van de Hazara-bevolkingsgroep sprake is van groepsvervolging zoals eiser stelt.

2.16 Ten aanzien van groepsvervolging in het algemeen overweegt de rechtbank het volgende. In beginsel wordt, indien een asielzoeker om toelating als vluchteling heeft verzocht, vluchtelingschap beoordeeld op een individuele basis.

Normaal gesproken is het behoren tot een bepaald ras, een bepaalde etnische minderheid of een bepaalde sociale groep onvoldoende voor een geslaagd beroep op vluchelingschap. Echter onder bijzondere omstandigheden kan het behoren tot

een groep wel voldoende zijn voor gegronde vrees voor vervolging.

Naar het oordeel van de rechtbank kan sprake zijn van groepsvervolging indien serieuze aanwijzingen bestaan dat in beginsel alle tot een groep behorende personen aan vervolging bloot (zullen) staan. De rechtbank verwijst naar de

uitspraak van de Rechtseenheidskamer van 14 juli 2000, JV 2000/190.

2.17 Ten aanzien van de positie van de Hazara's in Afghanistan wordt het volgende overwogen. Vooropgesteld wordt dat de algehele situatie in Afghanistan ten tijde van het bestreden besluit zorgwekkend was, doch niet zodanig dat

vreemdelingen die afkomstig zijn uit dat land in het algemeen dan wel diegenen die behoren tot de bevolkingsgroep der Hazara's zonder meer als vluchteling zijn aan te merken. In dit verband wordt verwezen naar de ambtsberichten van

de Minister van Buitenlandse Zaken van 4 maart 1998 (pagina 32) en van 3 november 1998 (pagina 14). Uit de ambtsberichten blijkt dat de bevolkingsgroep der Hazara's weliswaar behoren tot kwetsbare groeperingen doch dat er

onvoldoende aanwijzingen zijn dat Hazara's zodanig stelselmatig worden vervolgd op etnische gronden dat gesteld kan worden dat er serieuze aanwijzingen zijn dat alle Hazara's aan vervolging bloot staan. Er is derhalve geen sprake

van groepsvervolging van Hazara's.

Nu gelet op het vorenoverwogene, naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van groepsvervolging, zal eiser aannemelijk moeten maken dat met betrekking tot hem persoonlijk gegronde reden bestaan voor vluchtelingschap.

2.18 De rechtbank is van oordeel dat eiser hierin niet is geslaagd. In dit verband overweegt de rechtbank, dat eiser zelf heeft aangegeven en ter zitting desgevraagd heeft bevestigd, dat hij nimmer persoonlijk problemen heeft

ondervonden van de zijde van de Taliban. Concrete feiten of omstandigheden die tot het oordeel zouden moeten leiden dat hij voor toelating als vluchteling in aanmerking komt zijn door hem niet naar voren gebracht.

Eisers stelling dat de gegrondheid van de vrees voor vervolging niet noodzakelijkerwijs behoeft te worden afgeleid uit de persoonlijke activiteiten van de vreemdeling zelf, maar dat ook hetgeen familieleden is of zal overkomen, als

gevolg van het hebben van een bepaalde politieke overtuiging, ertoe kan leiden dat de vrees van de vreemdeling gegrond is en/of dat aan dit (andere) familielid een "vermeende" politieke overtuiging wordt toegedicht, wordt door de

rechtbank onderschreven. In casu levert dit voor eiser echter niets op, nu eiser naar het oordeel van de rechtbank -voor zover hij zich beroept op hetgeen zijn broer is overkomen- in het geheel niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij

en zijn familie door die gebeurtenis in de negatieve belangstelling van de Taliban zijn komen te staan.

2.19 Op grond van artikel 11, vijfde lid, Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf, daaronder begrepen de voorwaardelijke vergunning tot verblijf, geweigerd worden op gronden aan het algemeen belang ontleend. Verweerder

voert met het oog op de bevolkings- en werkgelegenheidssituatie hier te lande een beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen - behoudens verplichtingen welke voortvloeien uit internationale overeenkomsten - slechts voor verlening

van een vergunning tot verblijf in aanmerking komen indien met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend of indien sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard.

2.20 Gelet op hetgeen in rechtsoverweging 2.18 is overwogen, is niet aannemelijk dat eiser bij gedwongen verwijdering naar Afghanistan een reëel risico loopt te worden blootgesteld aan een behandeling waartegen artikel 3 van het

(Europees) Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) bescherming beoogt te bieden, zodat eiser aan die bepaling geen aanspraak op verlening van een vergunning tot verblijf zonder

beperkingen kan ontlenen.

2.21 Evenmin is aannemelijk dat sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard die eiser aanspraak geven op verlening van een vergunning tot verblijf.

2.22 Gezien het voorgaande heeft verweerder in redelijkheid kunnen weigeren eiser een vergunning tot verblijf zonder beperkingen te verlenen.

2.23 Ten aanzien van de stelling van eiser dat hij in het onderhavige geval gehoord had moeten worden op grond van het bepaalde in hoofdstuk 7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), overweegt de rechtbank ten slotte het

navolgende.

Onder verwijzing naar de uitspraak van de Rechtseenheidskamer van deze rechtbank van 11 juli 1996, Awb 96/1770, is de rechtbank van oordeel dat zich in casu niet de uitzondering voordoet als bedoeld in artikel 32, tweede lid Vw.

Tevens is de rechtbank van oordeel dat de motivering van het bestreden besluit op het bezwaarschrift voldoende deugdelijk is om het bezwaarschrift met toepassing van artikel 7:3 Awb als kennelijk ongegrond af te doen zonder eiser

daarover te (doen) horen. Bij deze beoordeling speelt een rol dat de rechtbank, anders dan eiser, van oordeel is dat in de aanvullingen/ correcties op het nader gehoor danwel in het bezwaarschrift geen te dezen relevante nieuwe

feiten en omstandigheden zijn vermeld.

2.24 De rechtbank ziet, gelet op het vorenoverwogene, aanleiding om overeenkomstig het bepaalde in artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het (vernietigde deel van het) besluit in stand te laten.

2.25 Tevens ziet de rechtbank aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75 Awb te veroordelen in de door eiser in verband met dit beroep gemaakte kosten. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit

proceskosten bestuursrecht vastgesteld op fl. 1.420,-. Voorts dient verweerder het griffierecht aan eiser te vergoeden.

2.26 Derhalve moet als volgt worden beslist.

3 BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk, voorzover dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar;

- verklaart het beroep gegrond, voorzover verweerder bij het bestreden besluit eisers aanvraag om toelating als vluchteling niet-ontvankelijk heeft verklaard;

- vernietigt het bestreden besluit van 27 december 1999 in zoverre;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon om het griffierecht ad fl. 50.- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad fl. 1420,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.I. Klaassens en in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2001 in tegenwoordigheid van mr. M.B.A. Mensink als griffier.

----------------

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open (artikel 33e Vw).

Afschrift verzonden: