Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AB0674

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-01-2001
Datum publicatie
28-01-2002
Zaaknummer
AWB 99/7342
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voortgezet verblijf / nieuwe relatie / ongehuwdverklaring.

Verweerder werpt eiseres tegen dat zij noch ten tijde van de aanvraag noch ten tijde van het bestreden besluit een gelegaliseerde en/of geverifieerde ongehuwdverklaring heeft overgelegd. Eiseres heeft betoogd dat van haar redelijkerwijze geen akte als hier bedoeld mag worden verlangd. Zij heeft eerder een verblijfsvergunning verkregen in verband met haar eerdere relatie en dat zij na de verbreking van haar oude relatie Nederland niet heeft verlaten, zodat er geen reële kans aanwezig was dat zij na verbreking van haar eerste relatie en voor het doen van de hier in het geding zijnde aanvraag in Ghana in het huwelijk kan zijn getreden. Ingevolge hoofdstuk B1/3.2.2.1 Vc-1994 mag het gelegaliseerde bewijsstuk van de ongehuwde burgerlijke staat in beginsel niet ouder zijn dan zes maanden.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom in het onderhavige geval strikt moet worden vastgehouden aan de eis dat het bewijsstuk niet ouder mag zijn dan zes maanden. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

enkelvoudige kamer

Uitspraak

artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr.: AWB 99/7342 VRWET

inzake : A, wonende te B, eiseres,

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiseres, geboren op [...] 1965, bezit de Ghanese nationaliteit. Zij verblijft sedert 17 mei 1992 als vreemdeling in de zin van de Vw in Nederland. Op 28 april 1997 heeft eiseres bij de korpschef van de regiopolitie

Amsterdam-Amstelland een aanvraag ingediend om een vergunning tot verblijf met als doel: “verblijf bij Nederlandse partner C”. Bij besluit van 3 februari 1998 heeft verweerder op deze aanvraag afwijzend beslist. Eiseres heeft tegen

dit besluit op 2 maart 1998, aangevuld bij schrijven van 26 maart 1998, bezwaar gemaakt. Eiseres is op 20 april 1999 gehoord door een ambtelijke commissie (AC) van verweerder. Bij besluit van 10 juni 1999 heeft verweerder het

bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij beroepschrift van 7 juli 1999, aangevuld bij brieven van 30 augustus 1999 en 10 mei 2000, heeft eiseres tegen dit afwijzende besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft partijen meegedeeld het beroep

versneld te zullen behandelen. Op

7 december 1999 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 26 april 2000 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2000. Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. R.L. Braakman, advocaat te Amsterdam. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door gemachtigde

mr. J. Oversluizen, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van verweerders ministerie. Tevens waren C en twee kinderen van eiseres ter zitting aanwezig.

4. De rechtbank heeft het onderzoek op 23 november 2000, met toepassing van 8:64 Awb, geschorst. Verweerder heeft bij brief van 29 november 2000 een nader uitleg van zijn beleid gegeven. Nadat partijen daarvoor toestemming hadden

gegeven, zoals bedoeld in artikel 8:64 lid 5 Awb, heeft de rechtbank het onderzoek op 2 januari 2001 gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

2. Bij de beantwoording van die vraag gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.

2.1 Eiseres heeft op 21 april 1993 een aanvraag ingediend voor een vergunning tot verblijf met als doel: “verblijf bij Nederlandse partner D (verder: D)”. In het kader van deze procedure heeft eiseres een gelegaliseerde

ongehuwdverklaring overgelegd van 11 december 1992. Eiseres is op grond van haar relatie met D in het bezit gesteld van een vergunning tot verblijf, welke laatstelijk is verlengd tot 21 april 1995. Uit de relatie tussen eiseres en D

is op [...] oktober 1994 E (huidige geslachtsnaam is C) geboren. Sinds januari 1997 heeft eiseres een relatie met C (verder: C). C is in het bezit van de Nederlandse nationaliteit. Uit de relatie tussen eiseres en C is op [...]

november 1997 een kind, genaamd F, geboren. F en E zijn in het bezit van de Nederlandse nationaliteit doordat C beide kinderen heeft erkend.

2.2 In het dossier bevindt zich, onder andere, een telefoonnotitie van verweerder waarin staat dat het Ministerie van Buitenlandse zaken op 19 mei 1999 een beslissing heeft genomen op het aldaar ingediende bezwaarschrift tegen de

weigering tot legalisatie van de overgelegde ongehuwdverklaring van 24 juli 1997. Het bezwaar is ongegrond verklaard.

2.3 Eiseres heeft in beroep een verklaring van 28 december 1999 van Cadans overgelegd waaruit blijkt dat zij in het kader van de WAO vanaf 16 december voor 80-100% arbeidsongeschikt is verklaard.

3. In bezwaar heeft eiseres aangevoerd dat zij sedert 1992 in Nederland is en dat zij wegens een eerdere relatie een vergunning tot verblijf had. Zij heeft Nederland sinds 1992 niet meer verlaten. In de huidige procedure is om deze

reden ten onrechte om een recente gelegaliseerde en geverifieerde ongehuwdverklaring gevraagd. Aan eiseres mag niet worden tegengeworpen dat de ambassade het te druk heeft en om die reden aanvragen tot legalisatie niet adequaat kan

afhandelen. Verder stelt eiseres dat C een vast dienstverband bij twee werkgevers heeft.

Eiseres heeft ten overstaan van de AC aangegeven dat er in verband met de gewenste gelegaliseerde en geverifieerde ongehuwdverklaring een bezwaarprocedure aanhangig is bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Eiseres heeft er

voorts op gewezen geïntegreerd te zijn in de Nederlandse samenleving, mede gezien de duur van haar verblijf hier te lande. Eiseres heeft tenslotte aangegeven dat zij haar kinderen bij een eventueel terugkeer naar Ghana niet mee zou

nemen. Zij zijn hier geboren.

Eiseres heeft in beroep allereerst aangevoerd dat het onredelijk is om van haar (wederom) een gelegaliseerde en geverifieerde ongehuwdverklaring te vragen. Voorts heeft eiseres opgemerkt dat zij tegen de beslissing van het

Ministerie van Buitenlandse Zaken waarbij het bezwaar tegen de weigering tot legalisatie van documenten ongegrond is verklaard, beroep heeft ingesteld bij deze rechtbank en zittingsplaats. Eiseres is op [...] augustus 1999 bevallen

van haar derde kind. Eiseres stelt dat C op de hoorzitting heeft aangevoerd dat de kans dat hij in Ghana een dienstbetrekking zou vinden vrijwel nihil is. C heeft te kennen gegeven zijn vaste dienstbetrekkingen in Nederland niet te

kunnen opgeven. Indien eiseres naar Ghana zou moeten terugkeren dan zal zij de drie Nederlandse kinderen meenemen. Eiseres is van mening dat C het recht wordt ontnomen om bij zijn kinderen te zijn en ze te zien opgroeien, indien aan

eiseres verblijf hier te lande wordt geweigerd. Eiseres is van oordeel dat het belang van E en F om hier te lande op te groeien en onderwijs te volgen, onvoldoende is meegewogen. E is vier jaar en gaat naar de basisschool. Tenslotte

voert eiseres aan dat het belang van het economisch welzijn van Nederland niet aan E en F dient te worden tegengeworpen, omdat zij in het bezit zijn van de Nederlandse nationaliteit.

4.1 Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres geen aanspraak aan het beleid inzake toelating in het kader van een nieuwe relatie kan ontlenen. Eiseres beschikt niet over een recente, door de Ghanese autoriteiten

gelegaliseerde en door de Nederlandse Ambassade te Accra geverifieerde, ongehuwdverklaring. Dit klemt temeer nu uit de verkregen informatie van de Minister van Buitenlandse Zaken de ter legalisatie aangeboden documenten zijn

geweigerd. Het tegen dat besluit ingediende bezwaarschrift is ongegrond verklaard. Voorts merkt verweerder op dat eiseres niet in aanmerking komt voor toelating op grond van het beleid ten aanzien van in Nederland toegelaten

partners die in het bezit zijn geweest van een afhankelijke verblijfstitel, aangezien zij niet voldoet aan de hiervoor gestelde eis met betrekking tot de duur van het legale verblijf op grond van de relatie. Aangenomen kan namelijk

worden dat haar relatie met D reeds voor januari 1997 is beëindigd, omdat eiseres heeft medegedeeld dat de relatie met Afrifa sinds januari 1997 is aangevangen. Er zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht of gekomen

die tot toelating van eiseres in afwijking van het beleid nopen. Niet is gebleken dat eiseres dusdanig in de Nederlandse samenleving is geworteld, dat zij deswege op verblijf in Nederland is aangewezen. De omstandigheid dat eiseres

sedert 1992 hier te lande verblijft, verandert dit niet. Deze periode kan worden aangemerkt als langdurig, echter de periode die zij daarvoor vanaf haar geboorte in Ghana heeft verbleven is ruim 26 jaar. Verweerder heeft hierbij

tevens in aanmerking genomen dat van eiseres, gezien haar leeftijd, verwacht kan worden zichzelf in het land van herkomst te handhaven. Eiseres spreekt, ondanks een verblijf van

7 jaar in Nederland, de Nederlandse taal niet.

Met betrekking tot het beroep van eiseres op artikel 8 EVRM merkt verweerder op dat dit beroep niet slaagt. Het belang van E en F en de daarmee verband houdende belangen van eiseres wegen niet op tegen het algemeen belang van de

bescherming van het economisch welzijn. De omstandigheid dat E en F de Nederlandse nationaliteit bezitten en eveneens als Nederlanders hier te lande woonachtig zijn, is geen reden om een bijzondere band met Nederland aanwezig te

achten die tot verblijfsaanvaarding van eiseres moet leiden. Gelet op de leeftijd van E en F, kan niet worden gesteld dat zij in de Nederlandse samenleving zijn geworteld. Van E en F kan derhalve in redelijkheid gevergd worden zich

met eiseres in Ghana te vestigen. Voorts is van belang dat toekomstige uitoefening van het recht van de kinderen om het grondgebied van Nederland te betreden door verblijf in Ghana niet onmogelijk wordt. Bovendien is niet gebleken

van objectieve belemmeringen om het familie- of gezinsleven tussen eiseres en haar kinderen in Ghana uit te oefenen. Een beroep op artikel 3 van het vierde Protocol van het EVRM slaagt hier niet, daar dit artikel ziet op aanspraken

die een onderdaan van een betreffende staat jegens die staat geldig kan maken in het kader van feitelijke toelating tot het grondgebeid van die staat en het bestendig verblijf aldaar. Daarnaast heeft verweerder gesteld dat weliswaar

sprake is van familie- en gezinsleven tussen C enerzijds en E en F anderzijds, maar dit niet tot een ander oordeel leidt omdat in redelijkheid aan het algemeen belang meer gewicht moet worden toegekend dan aan het belang om dat

gezinsleven in Nederland uit te oefenen.

4.2 Verweerder handhaaft in het verweerschrift het standpunt dat eiseres bij de huidige aanvraag dient te beschikken over recente gelegaliseerde en geverifieerde officiële documenten. Het feit dat eiseres in het bezit is geweest van

een vergunning tot verblijf, doet hier niet aan af. Immers, op het moment waarop eiseres in het bezit is gesteld van de vergunning tot verblijf bij Saman gold de aanvullende eis van verificatie voor documenten afkomstig uit Ghana

nog niet. Voorts merkt verweerder op dat het bepaalde in artikel 8 EVRM geen positieve verplichting met zich brengt om eiseres hier te lande toe te laten. Eiseres is het gezins- en/of familieleven met referent aangegaan op het

moment dat eiseres illegaal in Nederland verbleef. Voorts dient rekening te worden gehouden met de omstandigheid dat er geen reden is om niet te mogen aannemen dat eiseres op enig moment

aan de voorwaarden van het partnerbeleid zal kunnen voldoen, en in die zin sprake zal zijn van een tijdelijke scheiding. Aan de stelling van eiseres dat de kans dat Afrifa een dienstbetrekking in Ghana zou vinden vrijwel nihil is,

kan geen doorslaggevende betekenis toekomen. Eiseres heeft deze stelling in het geheel niet onderbouwd en bovendien wordt deze stelling, mede gelet op het feit dat Afrifa geboren en getogen is in Ghana, niet aannemelijk geacht. De

omstandigheid dat Dan vier jaar is en naar de basisschool gaat, is onvoldoende om van worteling in de Nederlandse samenleving te spreken. Verweerder verwijst in dit verband naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats

Zwolle, van

8 oktober 1999 (AWB 99/1931 VRWET).

5. Ter zitting heeft verweerder naar voren gebracht dat van eiseres verlangd kan worden (wederom) een recente gelegaliseerde en geverifieerde ongehuwdverklaring over te leggen, omdat het niet uitgesloten is dat eiseres in de periode

tussen 1993 en 1997 is getrouwd. In hoofdstuk B1/3.2.2. staat aangegeven dat het gelegaliseerde ongehuwdverklaring in beginsel niet ouder mag zijn dan zes maanden. Verweerder heeft –desgevraagd- aangeven in dit geval geen aanleiding

te zien om van die zes maanden af te wijken. Bij brief van

29 november 2000 heeft verweerder naar voren gebracht dat onder “hetzelfde rechtsfeit” zoals neergelegd in hoofdstuk C4 onder B.2.3. in dit geval de ongehuwde burgerlijke staat van eiseres dient te worden verstaan. Namens eiseres is

ter zitting naar voren gebracht dat zij in beroep is gegaan tegen de beslissing van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 19 mei 1999. Voorts heeft eiseres erop gewezen dat nu zij sedert 1992 Nederland niet heeft verlaten, zij

onmogelijk in Ghana getrouwd kan zijn.

De rechtbank overweegt het volgende.

6. Ingevolge artikel 11 lid 5 Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend.

7. Verweerder voert bij de toepassing van dit artikellid het beleid dat vreemdelingen niet voor toelating in aanmerking komen, tenzij met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel klemmende

redenen van humanitaire aard of verplichtingen voortvloeiende uit internationale overeenkomsten tot toelating nopen. Dit beleid is neergelegd in de Vreemdelingencirculaire (Vc) 1994.

8. Eén van de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een vergunning tot verblijf op grond van het door verweerder gevoerde beleid inzake de toelating van partners neergelegd in hoofdstuk B1/3 van de Vc 1994, is dat met

gelegaliseerde officiële documenten wordt aangetoond dat beide partners ongehuwd zijn. Verder bepaalt hoofdstuk A4/6.1.2.6. van de Vc 1994 dat de vreemdeling dient zorg te dragen voor legalisatie van buitenlandse stukken betreffende

de staat van personen. De vreemdeling dient zich te wenden tot de daartoe bevoegde autoriteiten van het land van herkomst. Vervolgens dient het stuk te worden gelegaliseerd door de voor dat land bevoegde Nederlandse diplomatieke of

consulaire vertegenwoordiging. Bovendien blijkt uit hoofdstuk C4 van de Vc 1994 dat stukken afkomstig uit onder meer Ghana sinds 1 april 1996 niet dienen te worden aanvaard, indien deze niet inhoudelijk geverifieerd zijn door de

daartoe bevoegde Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging. Geen rechtsregel staat er aan in de weg het vereiste van het aantonen van de ongehuwde staat met officiële en gelegaliseerde (en in bepaalde gevallen

geverifieerde) bescheiden te stellen als materiële voorwaarde voor toelating.

9. Ingevolge hoofdstuk B1/3.2.2.1 van de Vc mag het gelegaliseerde bewijsstuk van de ongehuwde burgerlijke staat in beginsel niet ouder zijn dan zes maanden.

10. De rechtbank stelt vast dat noch ten tijde van de aanvraag noch ten tijde van het bestreden besluit zodanig bewijsstuk is overgelegd. Het aangevoerde van eiseres in bezwaar, dat aan haar niet mag worden tegengeworpen dat de

Ambassade het druk heeft en om die reden aanvragen tot legalisatie niet adequaat kan afhandelen, doet aan het voorgaande niet af. De gestelde traagheid van het legalisatie- of verificatieonderzoek naar de door eiseres overgelegde

documenten kan in de onderhavige procedure niet aan de orde komen. Voor besluiten waarbij legalisatie en verificatie zijn geweigerd of voor het niet tijdig nemen van dergelijke besluiten, staat een aparte rechtsgang open bij de

Minister van Buitenlandse Zaken. De rechtbank merkt op dat eiseres op de hoogte is van deze rechtsgang nu zij bezwaar heeft gemaakt tegen de weigering van het Ministerie van Buitenlandse Zaken om de overgelegde ongehuwdverklaring

van 24 juli 1997 te legaliseren, welk bezwaar ongegrond is verklaard.

11. In beroep heeft eiseres betoogd dat van haar redelijkerwijze geen akte als hier bedoeld mag worden verlangd nu zij eerder een verblijfsvergunning heeft verkregen in verband met haar eerdere relatie. De rechtbank verstaat dit

betoog aldus dat verweerder in verband hiermee genoegen had moeten nemen met de destijds overgelegde akte van ongehuwdverklaring. In dit verband heeft eiseres er op gewezen dat zij na verbreking van haar oude relatie Nederland niet

heeft verlaten zodat er geen reële kans aanwezig was dat zij na verbreking van haar eerste relatie en voor het doen van de hier in het geding zijnde aanvraag in Ghana in het huwelijk kan zijn getreden.

12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom in het onderhavige geval strikt moet worden vastgehouden aan de eis dat het bewijsstuk niet ouder mag zijn dan zes maanden. Een dergelijke

motivering wordt noodzakelijk geacht nu de Vc deze eis niet in absolute zin stelt maar deze tijdsduur slechts als uitgangspunt neemt. Dit impliceert dat hiervan in daartoe in aanmerking komende gevallen moet kunnen worden afgeweken.

13. Dit klemt te meer nu in hoofdstuk C4/B 2.3 van de Vc wordt bepaald dat er aanleiding is om in het buitenland afkomstige stukken die worden overgelegd door personen die in Nederland woonachtig zijn, vrij te stellen van

legalisatie, indien de betrokkene met betrekking tot hetzelfde rechtsfeit reeds eerder een gelegaliseerd stuk heeft overgelegd en het desbetreffende gelegaliseerde stuk de basis heeft gevormd voor het opmaken van een akte van de

burgerlijke stand in Nederland en voor de opname van gegevens over de desbetreffende persoon in de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA). Namens verweerder is desgevraagd bij brief van 29 november 2000 meegedeeld dat onder

“hetzelfde rechtsfeit” moet worden verstaan de ongehuwde burgerlijke staat van eiseres. De rechtbank stelt vast dat een daarop betrekking hebbend bewijsstuk in het kader van de eerste relatie van eiseres is overgelegd zodat

klaarblijkelijk van het overleggen ten behoeve van de nieuwe relatie kan worden afgezien voor zover aan de in dat punt genoemde voorwaarden overigens is voldaan.

14. Verweerder heeft in vorengenoemde brief er terecht op gewezen dat de in punt 13 bedoelde regeling met ingang van 1 februari 2000 in werking is getreden. De regeling gold derhalve nog niet ten tijde van het nemen van bestreden

beslissing. Dit heft naar het oordeel van de rechtbank het motiveringsgebrek niet op. Nu de Vc de hiervoor bedoelde zes maanden termijn niet in absolute zin stelt is verweerder gehouden gemotiveerd aan te geven waarom verweerder

ondanks het overleggen van de akte van ongehuwd zijn in de eerdere procedure onverkort wenst vast te houden aan een nieuwe akte die niet ouder is dan zes maanden.

15. De rechtbank tekent hierbij aan dat daartoe een argument kan zijn dat de oude akte niet de basis heeft gevormd voor het opmaken van een akte van de burgerlijke stand en voor de opname van gegevens over eisers in de GBA. Het

dossier bevat onvoldoende aanknopingspunten om hierover in het kader van de beoordeling van deze zaak een oordeel te geven. Verweerder zal zich derhalve daarop nader hebben te beraden. In dat kader zal verweerder tevens aandacht

hebben te besteden aan het betoog van eiseres dat zij na verbreking van haar eerste relatie Nederland niet heeft verlaten en derhalve in Ghana geen nieuw huwelijk heeft kunnen sluiten.

16. Op grond van het hiervoor overwogene lijdt het bestreden besluit aan een motiveringsgebrek zodat dit moet worden vernietigd. De overige beroepsgronden behoeven in verband hiermee geen bespreking meer.

17. Het bestreden besluit komt derhalve - onder gegrondverklaring van het hiertegen ingestelde beroep - voor vernietiging in aanmerking.

18. Nu het beroep gegrond wordt verklaard is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft

moeten maken. Deze kosten zijn begroot op f 1.420,- als kosten van de verleende rechtsbijstand.

19. Ingevolge artikel 8:74, eerste lid Awb, dient het griffierecht te worden vergoed door de rechtspersoon, aangewezen door de rechtbank.

De rechtbank beslist daarom als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiseres betaalde griffierecht ad f 225,- (zegge: tweehonderd en vijfentwintig gulden);

5. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op f 1.420,- (zegge: veertienhonderd en twintig gulden), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier.

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2001, door

mr. F. Salomon, rechter, in tegenwoordigheid van mr. R.A.J. Hubel, griffier.

Afschrift verzonden op: 5 februari 2001

Conc.:SH

Coll:

Bp:

D:b

110497