Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AB0673

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-01-2001
Datum publicatie
01-05-2003
Zaaknummer
AWB 99/6011
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vtv partner / artikel 8 EVRM / objectieve belemmering.

Uit het bestreden besluit blijkt niet dat verweerder een belangenafweging heeft gemaakt teneinde vast te stellen of een positieve verplichting op grond van artikel 8 EVRM bestaat. In het bestreden besluit heeft verweerder zich onder meer niet de belangrijke vraag gesteld of het voor eiser en zijn Nederlandse partner mogelijk is hun gezinsleven in een ander land dan Nederland uit te oefenen. Ter zitting heeft verweerder deze vraag bevestigend beantwoord, doch daarbij kennelijk geen rekening gehouden met de omstandigheid dat de partner van eiser in Nederland de zorg heeft voor twee jonge Nederlandse kinderen, van wie de vader, met wie zij nog contacten onderhouden, in Nederland woont. De vraag in hoeverre onder deze omstandigheden van de partner van eiser verwacht mag worden dat zij - al dan niet met haar twee kinderen - in Ghana bij eiser vestigt, is door verweerder niet beantwoord. Daarnaast was ten tijde van het bestreden besluit nog geen sprake van een huwelijk zodat het op dat moment nog niet zeker was dat de verbreking van de gezinsband van betrokkenen slechts voor korte duur zou zijn. Bovendien schending hoorplicht. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te 's-Hertogenbosch

Meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

--------------------------------

Uitspraak

--------------------------------

AWB 99/6011 VRWET

Uitspraak van de rechtbank op het beroep ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 33a van de Vreemdelingenwet (Vw) in het geschil tussen:

A, te B, eiser

gemachtigde mr. F.L. Teerling, advocaat te 's-Hertogenbosch,

en

de Staatssecretaris van Justitie te 's-Gravenhage, verweerder.

I. PROCESVERLOOP

Eiser bezit de Ghanese nationaliteit en verblijft sedert 1991 in Nederland als vreemdeling in de zin van de Vw.

Op 9 december 1998 heeft eiser een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot verblijf met als doel verblijf bij Nederlandse partner C en het verrichten van arbeid al dan niet in loondienst.

Bij besluit van 22 april 1999 heeft verweerder deze aanvraag niet ingewilligd.

Bij brief van 26 april 1999 heeft eiser tegen voornoemd besluit bezwaar gemaakt bij verweerder. Eiser heeft zijn bezwaren aangevuld bij brieven van 11 mei 1999, 1 juni 1999,

7 juni 1999 en 15 juli 1999.

Bij schrijven van 17 mei 1999 heeft verweerder eiser medegedeeld dat hij de beslissing op het bezwaar niet in Nederland mag afwachten.

Bij verzoekschrift van 20 mei 1999 heeft eiser de president van deze rechtbank verzocht bij wege van voorlopige voorziening te bepalen dat uitzetting van eiser achterwege dient te blijven, zolang niet op zijn bezwaar zal zijn

beslist. Dit verzoek is geregistreerd onder nummer AWB 99/4065 VV. De gronden van het verzoek zijn aangevuld bij brieven van

7 juni 1999, 15 juli 1999, 30 september 1999 en 9 november 1999.

Bij besluit van 27 juli 1999 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Bij beroepschrift van 28 juli 1999 heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het besluit van 27 juli 1998.

Bij schrijven van eveneens 28 juli 1999 heeft eiser verzocht het petitum van het reeds aanhangige verzoek om een voorlopige voorziening te wijzigen in dier voege dat het verweerder wordt verboden om tot uitzetting van eiser over te

gaan totdat uitspraak zal zijn gedaan op het beroep.

Verweerder heeft naar aanleiding van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het verzoek om een voorlopige voorziening en het beroep zijn gevoegd behandeld op de zitting van 18 mei 2000.

Op 6 juli 2000 heeft de rechtbank in de beroepszaak besloten tot heropening van het onderzoek en verwijzing naar de meervoudige kamer. Een afschrift van deze beslissing alsmede een procesverbaal van de zitting van 18 mei 2000 is aan

partijen verzonden op

7 juli 2000.

Bij uitspraak van 12 oktober 2000 heeft de fungerend president eisers verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toegewezen.

De behandeling van het beroep van eiser is voortgezet ter zitting van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 14 november 2000. Eiser is aldaar verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich ter

zitting laten vertegenwoordigen door mr. M. Ramsaroep, ambtenaar bij het ministerie van Justitie.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit van 27 juli 1999 in rechte stand kan houden.

2. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de volgende feiten.

Eiser bezit de Ghanese nationaliteit en is in 1991 naar Nederland gekomen, nadat hij in Duitsland tevergeefs een asielprocedure had doorlopen. Na enige maanden illegaal verblijf in Nederland heeft eiser de beschikking gekregen over

een (ver)vals(t) Brits paspoort, op basis waarvan aan hem een vergunning tot verblijf is verleend voor verblijf hier te lande als EU-onderdaan. De geldigheid van deze verblijfsvergunning is laatstelijk verlengd tot 1999. Na

onderzoek door de politie is eiser in november 1998 aangehouden en is zijn verblijfsvergunning ingetrokken.

Op 9 december 1998 heeft eiser de onderhavige aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning voor verblijf bij zijn Nederlandse partner mevrouw C, destijds zijn buurvrouw. Sinds 27 januari 1999 staan eiser en zijn

partner bij de gemeente ingeschreven op hetzelfde adres. Op 15 juli 1999 hebben eiser en zijn partner een samenlevingsovereenkomst gesloten en op 29 oktober 1999 zijn zij in het huwelijk getreden. In de zomer van 2000 verwachtten

zij een baby. De partner van eiser heeft daarnaast de zorg voor twee jonge kinderen uit een eerder huwelijk

Een door eiser ingediend verzoek om legalisatie van zijn geboorteakte en van een verklaring van ongehuwd-zijn is op 2 februari 1999 in behandeling genomen. Dit verzoek is ingewilligd op 20 augustus 1999.

De partner van eiser ontvangt een uitkering krachtens de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering, aangevuld met een uitkering ingevolge de Algemene Bijstandswet. Eiser heeft van september 1992 tot 12 januari 1999 gewerkt op

basis van een vast dienstverband. Zijn werkgever heeft in een brief van 12 januari 1999 medegedeeld dat eiser op non-actief is gesteld en weer aan het werk kan zodra hij in het bezit is van een geldige verblijfsvergunning.

Op 1 februari 2000 heeft eiser een aanvraag gedaan om toelating bij Nederlandse echtgenote C. Deze aanvraag is bij besluit van 14 maart 2000 buiten behandeling gesteld wegens het ontbreken van een machtiging tot voorlopig verblijf.

Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt op 11 april 2000. Op dit bezwaar is nog niet beslist.

3. Verweerder stelt zich blijkens het bestreden besluit op het standpunt dat eisers aanvraag om toelating bij partner niet kan worden ingewilligd omdat aan twee beleidsvoorwaarden niet is voldaan. Eiser heeft immers niet met

gelegaliseerde en geverifieerde officiële documenten aangetoond ongehuwd te zijn en eisers partner beschikt niet duurzaam over voldoende middelen van bestaan.

Verweerder is verder van mening dat in het kader van de onderhavige procedure niet kan worden getoetst aan het beleid voor toelating bij echtgenote, nu het door eiser aangekondigde huwelijk ten tijde van het bestreden besluit nog

niet had plaatsgevonden.Verweerder ziet in casu geen redenen om aan eiser uit humanitair oogpunt verblijf in Nederland toe te staan; aan de lange periode vanaf 1991 dat eiser in Nederland heeft gewoond en gewerkt kan hij geen

rechten ontlenen. Voor zover eiser een beroep bedoelt te doen op het zogenaamde witte illegalenbeleid is verweerder van mening dat eiser daarvoor een aparte aanvraag moet indienen. Verweerder meent dat het bepaalde in artikel 8 van

het EVRM voor verweerder geen positieve verplichting meebrengt om aan eiser verblijf in Nederland toe te staan.

4. Eiser heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat er in casu geen rechtvaardiging is te geven voor het onderscheid in toelatingsbeleid tussen gehuwd en ongehuwd samenwonende partners, nu ook na het huwelijk geen sprake is

van een verhaals- mogelijkheid bij zijn partner, gelet op haar inkomenspositie. Voor zover het beleid inzake ongehuwd samenwonende partners van toepassing is, meent eiser dat verweerder aan hem ten onrechte geen redelijke termijn

van tenminste zes maanden heeft gegund om de vereiste (gelegaliseerde) documenten over te leggen. Voorts meent eiser dat, gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval, in casu toepassing gegeven had moeten worden aan het

beleid inzake toelating van huwelijkse partners, nu het steeds de bedoeling van eiser en zijn partner is geweest om te gaan trouwen, maar dit niet mogelijk was door het ontbreken van de vereiste documenten. Eiser meent voorts

in aanmerking te komen voor toelating op humanitaire gronden dan wel op grond van artikel 8 van het EVRM, gelet op het gezinsleven dat hij in Nederland heeft. Eiser heeft daarbij gewezen op het feit dat hij reeds lange tijd in

Nederland verblijft en hier gedurende vele jaren arbeid heeft verricht. Eiser heeft er op gewezen dat hij de mogelijkheid heeft bij zijn oude werkgever weer aan het werk te gaan zodra hij een verblijfsvergunning bezit, waarna de

aanvullende bijstandsuitkering van zijn partner zal komen te vervallen. Eiser heeft voorts gewezen op de onmogelijkheid voor hem en zijn partner om zich in Ghana te vestigen, gelet op de zorg die zijn partner hier in Nederland

heeft voor twee jonge kinderen uit haar eerdere huwelijk. Eiser heeft voorts gesteld dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten eiser te horen op zijn bezwaar.

De rechtbank overweegt als volgt.

5. Ingevolge artikel 11, vijfde lid, van de Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend.

6. Verweerder voert in dit verband het beleid dat vreemdelingen niet voor toelating in aanmerking komen, tenzij een verdragsrechtelijke bepaling daartoe verplicht, dan wel indien met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk

Nederlands belang is gediend of klemmende redenen van humanitaire aard tot toelating nopen. Dit beleid is neergelegd in de Vreemdelingencirculaire 1994 (Vc), waarin voor een aantal categorieën vreemdelingen specifieke criteria zijn

neergelegd in onder meer hoofdstuk B1 van de Vc.

7. In zijn toelatingsbeleid heeft verweerder onderscheid gemaakt tussen enerzijds de toelating van de echtgeno(o)t(e) en anderzijds de toelating van de (niet-huwelijkse) partner. Een belangrijk verschil is gelegen in de uitwerking

van het algemene vereiste dat degene bij wie toelating wordt beoogd duurzaam en zelfstandig dient te beschikken over voldoende middelen van bestaan. In het beleid betreffende de toelating van de echtgeno(o)t(e) is een aantal

categorieën van personen omschreven voor wie soepeler normen gelden of voor wie vrijstelling van de middeleneis geldt, zoals een-ouder gezinnen met kinderen onder de vijf jaar voorzover zij alleen de zorg hebben voor deze kinderen.

Voor ongehuwd samenlevende partners geldt daarentegen de middeleneis onverkort. Verweerder heeft dit onderscheid gegrond op het door een huwelijk ontstaan van wettelijke onderhoudsverplichtingen en de daarmee samenhangende

verhaalsmogelijkheid voor derden.

8. De Rechtseenheidskamer (REK) heeft in haar uitspraak van 23 oktober 1997

(AWB 97/7891, gepubliceerd in AB 1998 nr. 90) geoordeeld dat het te dezer zake gemaakte onderscheid in zijn algemeenheid op een redelijke en objectieve rechtvaardigingsgrond berust. De rechtbank volgt de REK in dit oordeel en acht

het beleid in zijn algemeenheid dan ook niet onredelijk. Hieraan doet niet af dat het in concrete gevallen kan voorkomen dat ook indien sprake is van een verhaalsmogelijkheid op grond van een wettelijk huwelijk, verhaal niets

oplevert wegens een gebrek aan middelen. De omstandigheid dat er in de concrete toepassing van het beleid gevallen denkbaar zijn waarin de uitkomst van verschillend beleid hetzelfde is, maakt dit beleid immers nog niet onredelijk.

9. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder in het onderhavige geval op juiste gronden heeft besloten tot toepassing van het beleid inzake toelating van (ongehuwde) partners, zoals neergelegd in hoofdstuk B1/3 van de Vc, nu

er ten tijde van de aanvraag en ook ten tijde van het bestreden besluit geen sprake was van een huwelijk tussen eiser en degene bij wie hij verblijf in Nederland beoogt.

10. Tussen partijen is niet in geschil dat niet is voldaan aan het vereiste dat degene bij wie verblijf wordt beoogd zelfstandig en duurzaam dient te beschikken over voldoende middelen van bestaan.

11. Tussen partijen is evenmin in geschil dat ten tijde van het bestreden besluit eiser niet met gelegaliseerde en geverifieerde officiële documenten heeft aangetoond ongehuwd te zijn. Zoals de REK in een viertal uitspraken van 10

november 1999 heeft geoordeeld (waaronder AWB 99/6230, gepubliceerd in JV 1999 nr.295) betreft het hier een materieel vereiste waaraan moet zijn voldaan ten tijde van de aanvraag, doch uiterlijk ten tijde van het bestreden

besluit.

Eiser heeft zich er in dit verband op beroepen dat aan hem een redelijke termijn had moeten worden gegund om de vereiste documenten te verkrijgen, alvorens verweerder op zijn bezwaar had mogen beslissen.

Daargelaten het antwoord op de vraag in hoeverre in het algemeen van verweerder mag worden verwacht dat hij uit oogpunt van zorgvuldigheid de indiener van een aanvraag uitdrukkelijk de gelegenheid biedt benodigde documenten alsnog

binnen een te stellen termijn over te leggen alvorens op bezwaar te beslissen, is de rechtbank van oordeel dat eiser in het onderhavige geval feitelijk ruimschoots in de gelegenheid is geweest om de documenten, waarover hij

reeds bij het indienen van zijn aanvraag diende te beschikken,alsnog over te leggen. De periode gelegen tussen eisers aanvraag en het bestreden besluit bedraagt immers ruim zeven maanden. De omstandigheid dat het eiser niet gelukt

is binnen die tijd de benodigde stukken over te leggen, komt, anders dan eiser meent, geheel voor risico van eiser.

12. Verweerder heeft aldus in het bestreden besluit op goede gronden geconcludeerd dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor verblijf bij (ongehuwde) partner.

13. Eiser heeft zich er op beroepen dat in casu sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden die aanleiding voor verweerder hadden moeten zijn van zijn beleidsregels af te wijken. Gelet op de onmogelijkheid voor eiser en zijn

partner om te trouwen zolang de vereiste documenten niet beschikbaar waren, had verweerder ondanks het ontbreken van een wettelijk huwelijk de beleidsvoorwaarden moeten toepassen zoals die gelden in het beleid inzake gehuwde

partners. Eiser heeft hierbij gewezen op de reeds eerder genoemde uitspraak van de REK van 23 oktober 1997.

14. De rechtbank oordeelt dat dit beroep van eiser niet kan slagen. Anders dan in het geval waarover de REK oordeelde, is hier geen sprake van een situatie waarin ten gevolge van het door verweerder terzake gevoerde beleid aan eiser

nimmer toelating zou kunnen worden verleend voor verblijf bij zijn partner. Gesteld noch gebleken is immers dat het voor de partner van eiser feitelijk onmogelijk zal zijn om in de toekomst alsnog aan het middelenvereiste

te gaan voldoen, terwijl er in het geval van eiser en zijn partner bovendien geen sprake was van een (blijvend) wettelijk huwelijksbeletsel als bedoeld in de uitspraak van de REK. Er is daarom naar het oordeel van de rechtbank geen

sprake van zodanige bijzondere feiten en omstandigheden dat verweerder hierin aanleiding had moeten zien van zijn beleidsregels af te wijken en eisers partner vrij te stellen van het inkomensvereiste.

15. Het bovenstaande laat onverlet dat, afhankelijk van de feiten en omstandigheden, klemmende redenen van humanitaire aard met zich kunnen brengen dat in redelijkheid toelating van eiser niet kan worden geweigerd. De rechtbank is

evenwel van oordeel dat verweerder zich in het onderhavige geval in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser aan de lange periode vanaf 1991 dat hij in Nederland heeft gewoond en gewerkt geen rechten

kan ontlenen. Gedurende deze periode verbleef hij immers in Nederland op basis van een vergunning tot verblijf die hij had verkregen door het verstrekken van onjuiste gegevens. Verweerder heeft daarom de toelating van eiser ook in

zoverre kunnen onthouden.

16. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat eiser, voor zover hij in aanmerking wenst te komen voor een vergunning tot verblijf op grond van het zogenaamde "witte

illegalen-beleid", daartoe een aparte aanvraag had moeten indienen.

17. Over het beroep van eiser op artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) oordeelt de rechtbank als volgt.

18. In artikel 8, eerste lid, van het EVRM is bepaald dat een ieder recht heeft op respect voor zijn familie- of gezinsleven. Ingevolge het tweede lid van dit artikel is geen inmenging van enig openbaar gezag in de uitoefening van

dit recht toegestaan, dan voor zover bij wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, het economisch welzijn, de

bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van rechten en vrijheden van anderen.

19. Verweerder heeft op goede gronden geoordeeld dat er geen sprake is van inmenging in het recht op familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, nu de weigering eiser verblijf hier te lande toe te staan er niet

toe strekt hem een verblijfstitel te ontnemen die hem tot uitoefening van dat gezinsleven in staat stelde.

20. Indien geen sprake is van inmenging rijst de vraag of zich zodanige feiten en omstandigheden voordoen dat uit het recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven niettemin voor verweerder een verplichting voortvloeit aan

eiser verblijf toe te staan. Teneinde die vraag te beantwoorden, dient een afweging te worden gemaakt tussen de belangen van verweerder enerzijds en die van eiser anderzijds. Het bereiken van een "fair balance" tussen die

belangen staat daarbij voorop, waarbij aan verweerder een bepaalde mate van beoordelingsvrijheid toekomt. Een belangrijk aspect van deze belangenafweging is of, gelet op de feiten en omstandigheden van betrokkenen, familie- of

gezinsleven in het land van herkomst wordt verhinderd.

21. In het bestreden besluit heeft verweerder voor de toetsing aan artikel 8 EVRM verwezen naar hetgeen reeds was overwogen in het kader van de klemmende redenen van humanitaire aard en zich derhalve ook in het kader van artikel 8

EVRM slechts op het standpunt gesteld dat eiser aan zijn (langdurig) verblijf in Nederland geen rechten kan ontlenen, zodat voor verweerder geen positieve verplichting bestaat op basis van artikel 8 EVRM om aan eiser verblijf in

Nederland toe te staan om zijn gezinsleven alhier te kunnen uitoefenen.

22. Eerst ter zitting van 18 mei 2000 heeft verweerder zijn motivering op dit punt uitgebreid en aangevoerd dat eiser en zijn partner hun gezinsleven in Ghana kunnen voortzetten en dat bovendien geen sprake is van een blijvende

onmogelijkheid het gezinsleven in Nederland uit te oefenen, nu eiser en zijn partner inmiddels zijn gehuwd en een aanvraag voor verblijf bij echtgenote is ingediend. Verweerder heeft daarbij ook opgemerkt dat eiser de relatie met

zijn partner is aangegaan op een moment dat het hem niet was toegestaan hier te lande te verblijven.

23. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit op dit onderdeel van artikel 8 van het EVRM een draagkrachtige motivering ontbeert. Uit het bestreden besluit blijkt niet dat verweerder een belangenafweging heeft gemaakt

als bedoeld in rechtsoverweging 20 teneinde vast te stellen of een positieve verplichting als daar bedoeld bestaat. Met name blijkt uit het bestreden besluit niet dat verweerder zich de belangrijke vraag heeft gesteld of het voor

eiser en zijn partner mogelijk is hun gezinsleven in een ander land dan Nederland uit te oefenen. Ter zitting van 18 mei 2000 heeft verweerder deze vraag vervolgens bevestigend beantwoord, doch daarbij kennelijk geen rekening

gehouden met de omstandigheid dat de partner van eiser in Nederland de zorg heeft voor twee jonge Nederlandse kinderen, van wie de vader, waarmee zij nog contacten onderhouden, in Nederland woont. De vraag in hoeverre onder

deze omstandigheden van de partner van eiser gevergd mag worden dat zij zich - al dan niet met haar twee kinderen - in Ghana bij eiser vestigt, is door verweerder niet beantwoord. Daarnaast was ten tijde van het bestreden besluit

van 27 juli 1999 nog geen sprake van een huwelijk zodat het op dat moment nog niet zeker was dat de verbreking van de gezinsband van betrokkenen slechts voor korte duur zou zijn, zoals door verweerder ter zitting van 18 mei 2000

is aangevoerd, in de wetenschap dat het huwelijk inmiddels op 29 oktober 1999 was gesloten en derhalve alleen de verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in Ghana zou behoeven te worden afgewacht. Met de

mogelijkheid dat het langere tijd zou kunnen duren voor eiser in het bezit zou raken van de vereiste documenten en derhalve niet alleen de mvv-procedure maar wellicht eerst nog een (langdurige) legalisatie- en

verificatieprocedure in Ghana zou moeten worden afgewacht, is door verweerder in het bestreden besluit geen rekening gehouden.

24. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten eiser te horen op het door hem ingediende bezwaar. In het bestreden besluit heeft verweerder geoordeeld dat geen hoorplicht bestond met het oog op

het bepaalde in artikel 32, tweede lid, van de Vw. Naar het oordeel van de rechtbank is evenwel door verweerder ten onrechte schorsende werking aan het bezwaar van eiser onthouden en heeft verweerder derhalve niet met een beroep

op artikel 32, tweede lid, van de Vw het horen van eiser achterwege kunnen laten alvorens op bezwaar te beslissen. De rechtbank neemt hierbij onder meer in overweging dat verweerder zich in het besluit op eisers aanvraag primair

op het standpunt heeft gesteld dat van een vaste relatie als bedoeld in het beleid inzake toelating van (ongehuwde) partners geen sprake was, evenmin als van gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Mede naar aanleiding

van hetgeen op dit punt door eiser in bezwaar naar voren is gebracht, is verweerder van dit standpunt teruggekomen in het bestreden besluit. Voorts is door eiser in bezwaar aangevoerd dat het voor hem en zijn partner niet mogelijk

is zich gezamenlijk in Ghana te vestigen, gelet op de zorg die zijn partner heeft voor haar twee kinderen uit haar eerdere huwelijk. Gelet op deze omstandigheden, mede in aanmerking nemend hetgeen de rechtbank heeft geoordeeld in

rechtsoverweging 23, kon het bezwaarschrift een redelijke kans van slagen niet worden ontzegd en had verweerder, gelet op het bepaalde in artikel 32, eerste lid, onder b, van de Vw juncto het bepaalde in artikel 32, tweede lid, van

de Vw, eiser op zijn bezwaar moeten horen. Van een kennelijk ongegrond bezwaar als bedoeld in artikel 7:3, onder b, van de Awb was immers, gelet op het voorgaande, evenmin sprake.

25. De rechtbank concludeert uit het voorgaande dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt wegens strijd met het motiveringsbeginsel alsmede wegens strijd met de hoorplicht.

26. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het besluit vernietigen. De rechtbank zal verweerder opdragen binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van hetgeen in deze

uitspraak is overwogen. Voor de toepassing van artikel 8:72, zevende lid, van de Awb, zoals door eiser is gevraagd, ziet de rechtbank geen aanleiding.

27. De rechtbank acht termen aanwezig verweerder onder toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de

daarbij behorende bijlage begroot op in totaal f 1775,- voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

1 punt voor het verschijnen ter zitting;

0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting;

waarde per punt f 710,-;

wegingsfactor 1.

28. Tevens zal de rechtbank bepalen dat door de Staat der Nederlanden aan eiser wordt vergoed het door hem gestorte griffierecht ten bedrage van f 225,-.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank,

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

gelast de Staat der Nederlanden aan eiser te vergoeden het door hem gestorte griffierecht ten bedrage van f 225,-;

veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten, vastgesteld op f 1775,-, te vergoeden door de Staat der Nederlanden en te voldoen aan de griffier.

Aldus gedaan door mr. D.J. de Lange als voorzitter en mrs. Th.C.M. Hendriks-Jansen en B.C.W. Geurtsen-van Eeden als leden van de meervoudige kamer in tegenwoordigheid van mr. N. Hofman als griffier en uitgesproken in het openbaar op

17 januari 2001.

Afschriften verzonden: 5 februari 2001

IS