Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AB0670

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-01-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/77200 VRONTO J
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / staandehouding / concrete aanwijzingen illegaal verblijf.

Er zijn onvoldoende concrete aanwijzingen omtrent illegaal verblijf ten tijde van de staandehouding. Nu op grond van het door de vreemdelingendienst na ontvangst van een tip ingestelde onderzoek vast was komen te staan dat de hoofdbewoonster van de HAT-eenheid rechtmatig verblijf hier te lande genoot en zij de rechtmatige eigenaresse was van de BMW, bestond er naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding (meer) voor de vreemdelingendienst om een onderzoek ter plaatse in te stellen. Het staat de bewoonster van de HAT-eenheid vrij rond de feestdagen logés in huis te hebben. De omstandigheid dat er volgens het Vreemdelingen Administratie Systeem op het betreffende adres geen visumplichtige vreemdelingen verbleven is onvoldoende om te concluderen tot concrete aanwijzingen van illegaal verblijf, nu er naast verblijf op grond van een visum tal van andere, volstrekt legale, verblijfssituaties denkbaar zijn, waarin personen evenmin op het adres van hun (tijdelijke) gastheer in het Vreemdelingen Administratie Systeem worden geregistreerd. De rechtbank betrekt bij dit oordeel ook de aard van de tip, waarbij hinderlijk dan wel anderszins laakbaar gedrag van de logés dan wel van de hoofdbewoonster niet aan de orde is. De benadering van verweerder zou als ongewenste consequentie hebben dat ieder persoon van buitenlandse orgine die krap is gehuisvest en logés van eveneens buitenlandse origine heeft, zich dient te onderwerpen aan controles door de vreemdelingendienst naar aanleiding van tips van derden, welke zoals in casu kennelijk zijn ingegeven door burenruzie. Dit druist in tegen de in de Memorie van Toelichting bij artikel 19 Vw verwoorde strekking, dat bedoeld is te voorkomen dat het vreemdelingentoezicht op discriminerende wijze wordt uitgeoefend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Haarlem

enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken

U I T S P R A A K

ex artikel 34a en 34j Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr.: AWB 00/77200 VRONTO J

Inzake: A, zich ook noemende A, geboren op [...] 1977, van Georgische nationaliteit, verblijvende in de Penitentiaire Inrichting Nieuwegein, Afdeling Vrouwen, hierna te noemen:

de vreemdelinge,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), gevestigd te 's-Gravenhage, verweerder.

Zitting: 11 januari 2001.

De vreemdelinge is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. F. Fonville, advocaat te Haarlem.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde, mr. C. Brand.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Op 27 december 2000 is de vreemdelinge staandegehouden ingevolge artikel 19, eerste lid, Vreemdelingenwet (Vw). Op 28 december 2000 heeft de vreemdelinge een asielaanvraag ingediend. Bij bevel tot bewaring van 28 december

2000 is de vreemdelinge op grond van artikel 26, eerste lid, sub c, Vw in bewaring gesteld.

1.2 Bij beroepschrift van 29 december 2000, ter griffie van deze rechtbank ontvangen op gelijke datum, heeft de vreemdelinge beroep ingesteld tegen de maatregel van bewaring. Het beroep strekt tevens tot het toekennen van

schadevergoeding.

2. Overwegingen

2.1 Namens de vreemdelinge is -onder andere- aangevoerd dat de staandehouding onrechtmatig is geschied, omdat er op het moment van de staandehouding geen concrete aanwijzingen omtrent illegaal verblijf voorhanden waren. De

daaropvolgende inbewaringstelling dient mitsdien eveneens als onrechtmatig te worden aangemerkt.

2.2 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er op het moment van de staandehouding wel degelijk concrete aanwijzingen van illegaal verblijf aanwezig waren. De Vreemdelingendienst heeft na een anonieme tip omtrent

illegaal verblijf onderzoek ingesteld in de Gemeentelijke basisadministratie (GBA) het Vreemdelingen Administratiesysteem (VAS) en op het betreffende adres. De concrete aanwijzingen zijn mitsdien verkregen uit de combinatie van een

tip en aansluitend onderzoek, hetgeen als een voldoende solide basis voor de toepassing van artikel 19, eerste lid, dient te worden aangemerkt.

2.3 De rechtbank oordeelt als volgt.

2.4 Uit de zich in het dossier bevindende stukken, waaronder het proces-verbaal van bevindingen van 10 januari 2001 (op ambtseed opgemaakt door C.H. Kruijt) en het proces-verbaal van bevindingen van 28 december 2000 (ambtsedig

opgemaakt door C.H. Kruijt en J.F. de Groot), is het volgende naar voren gekomen. Op 20 december 2000 is er van het bureau Toelating Vreemdelingen te Hoofddorp een bericht ontvangen dat in perceel [...]holm 30 te B, zijnde een

HAT-eenheid en als zodanig bestemd voor eenpersoonshuishoudens, 3 vrouwen en 4 mannen verbleven van vermoedelijk Georgische afkomst. Deze personen verplaatsten zich in een zilverkleurige BMW met kenteken [...]. Eerder was het

bericht als "tip" bij voornoemd bureau binnengekomen. In verband met de binnengekomen tip is een onderzoek ingesteld. Hierbij zijn inlichtingen ingewonnen bij de Afdeling Bevolking van de gemeente Haarlemmermeer. Tevens werd het

Vreemdelingen Administratie Systeem (VAS) geraadpleegd. Uit het onderzoek kwam naar voren dat als enige vreemdeling op genoemd adres stond geregistreerd, mevrouw C, geboren te Rustavi op [...] 1978, van Georgische nationaliteit.

Voornoemde vrouw bleek volgens het GBA de enige bewoonster van de woning te zijn. Naar aanleiding van de mededelingen van de tipgever dat vermoedelijk Georgische vreemdelingen op het adres verbleven en het feit dat deze categorie

vreemdelingen voor Nederland visumplichtig zijn, werd bij het raadplegen van het VAS-systeem vastgesteld dat er geen visumplichtige vreemdelingen op het adres verbleven, dan wel dat deze op korte termijn zich moesten melden bij

eerdergenoemd bureau Toelating te Hoofddorp. Verder bleek uit het VAS-systeem dat er geen personen van andere nationaliteit op het adres verbleven dan wel aldaar verblijf hadden gehouden. De zilverkleurige BMW bleek volgens opgave

van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW) op naam te zijn gesteld van mevrouw C. Op 27 december 2000 is vervolgens door de VD een onderzoek ter plaatse ingesteld. De vrouw die verklaarde de hoofdbewoonster te zijn, genaamd C,

verklaarde dat zij in verband met de feestdagen een aantal gasten had uit Georgië. In de woonkamer zagen de verbalisanten een aantal matrassen op de vloer liggen. Tevens troffen zij in de woonkamer twee mannen en een vrouw. De

verbalisanten hebben vervolgens van deze personen gevorderd hun identiteit en nationaliteit aan te tonen, dan wel een document te tonen waaruit kon blijken dat het hen was toegestaan in Nederland te verblijven. De twee mannen

toonden hierop een verblijfsdocument, terwijl de vrouw verklaarde haar verblijfsdocument in Amsterdam te hebben laten liggen. De vrouw verliet daarop de woning. Zij werd daarbij vergezeld door een man, welke eerder zijn

verblijfsdocument had getoond. De hoofdbewoonster, mevrouw C, verklaarde desgevraagd dat de vrouw haar verblijfsdocument uit de auto ging halen. Vervolgens hebben de verbalisanten de woning verlaten en zagen dat de man en vrouw,

welke zij eerder in de woning hadden aangetroffen, op een afstand van ongeveer 75 meter van hen waren verwijderd. In tegenstelling tot wat mevrouw Makhatadze had verklaard, zagen de verbalisanten dat de personen niet naar een auto

liepen. Omdat zij vermoedden dat de vrouw zich aan een controle trachtte te onttrekken door weg te lopen, zijn zij de vrouw achterna gelopen en hebben haar wederom gevorderd identiteit en nationaliteit bekend te maken dan wel een

document te tonen waaruit kon blijken dat het haar was toegestaan in Nederland te verblijven. Toen zij in gebrekkig Engels verklaarde afkomstig te zijn uit Georgië en haar verblijfsdocument in Amsterdam te hebben achtergelaten,

hebben de verbalisanten haar staande gehouden op grond van artikel 19 Vw.

2.5 De rechtbank is met de gemachtigde van de vreemdelinge van oordeel dat er ten tijde van de staandehouding onvoldoende concrete aanwijzingen omtrent illegaal verblijf waren. Nu op grond van het door de VD na ontvangst van de

tip ingestelde onderzoek vast was komen te staan, dat de hoofdbewoonster van de HAT-eenheid rechtmatig verblijf hier te lande genoot en dat zij de rechtmatige eigenaresse was van de BMW bestond er naar het oordeel van de rechtbank

geen aanleiding (meer) voor de VD om een (nader) onderzoek ter plaatse in te stellen. Het staat de bewoonster van de HAT-eenheid vrij rond de feestdagen logés in huis te hebben. De omstandigheid, dat er volgens het VAS op het

betreffende adres geen visumplichtige vreemdelingen verbleven is onvoldoende om te concluderen tot concrete aanwijzingen van illegaal verblijf. Hiermee heeft verweerder miskend dat er naast verblijf op grond van een visum tal van

andere, volstrekt legale, verblijfssituaties denkbaar zijn, waarin personen evenmin op het adres van hun (tijdelijke) gastheer in het VAS worden geregistreerd. Te denken valt aan een situatie waarin gasten over een verblijfstitel

hier te lande beschikken, tot Nederlander zijn genaturaliseerd, in een ander Schengenland zijn genaturaliseerd en hier in Nederland te gast zijn. In die gevallen zou het VAS immers evenmin hebben vermeld dat er op het betreffende

adres visumplichtige personen verblijven, terwijl er toch geen sprake is van illegaal verblijf. Hierbij betrekt de rechtbank ook de aard van de tip, waarbij hinderlijk dan wel anderszins laakbaar gedrag van de logés, dan wel van de

hoofdbewoonster niet aan de orde is. De rechtbank hecht er tot slot aan op te merken dat de benadering van verweerder als ongewenste consequentie zou hebben dat iedere persoon van buitenlandse orgine, die krap is gehuisvest en logés

van eveneens buitenlandse origine heeft, zich dient te onderwerpen aan controles door de VD naar aanleiding van 'tips' van derden, welke zoals in casu kennelijk zijn ingegeven door burenruzie. Dit druist in tegen de in de Memorie

van Toelichting bij artikel 19 Vw verwoordde strekking, dat bedoeld is te voorkomen dat het vreemdelingentoezicht op discriminerende wijze wordt uitgeoefend (MvT art. 19 Vw, TK 1991-1992, 22 694, nr. 3, p. 18).

2.6 Nu de staandehouding onrechtmatig moet worden geacht, is ook de daaropvolgende bewaring vanaf de aanvang onrechtmatig. De vreemdelinge kan derhalve in beginsel recht doen gelden op schadevergoeding, behoudens gronden van

billijkheid, die tot matiging kunnen leiden.

2.7 Onder verwijzing naar de uitspraak van 17 september 1999 van het Gerechtshof 's-Gravenhage (kenmerk 180bijz99), stelt de rechtbank vast dat er in casu geen gronden van billijkheid aanwezig zijn die tot matiging van de

schadevergoeding kunnen leiden. De fout die tot opheffing van de bewaring heeft geleid was immers in casu gelegen in het ontbreken van concrete aanwijzingen omtrent illegaal verblijf. Zonder deze concrete aanwijzingen kunnen de

vreemdelingenrechtelijke dwangmiddelen - waaronder de bewaring ex artikel 26 Vw - die gericht zijn op de verwijdering van zich hier te lande illegaal ophoudende vreemdelingen - in het geheel niet worden toegepast. Niet kan dan ook

worden gezegd dat de bewaring rechtmatig zou zijn geweest indien verweerder juist had gehandeld en deze fout niet zou zijn gemaakt.

2.8 Uit het vorenstaande volgt dat aan de vreemdelinge voor de ten onrechte in bewaring doorgebrachte dagen volledige schadevergoeding dient te worden toegekend tot een bedrag van f 2.850,-- zijnde 9 maal f 200,-- voor verblijf

in een politiecel (van 28 december 2000 tot en met 5 januari 2001) vermeerderd met een bedrag van 7 maal f 150,-- voor verblijf in de Penitentiaire Inrichting Nieuwegein (van 6 januari 2001 tot en met 12 januari 2001). Dit bedrag

komt ten laste van de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie), uit te betalen door de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem.

2.9 In dit geval ziet de rechtbank aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door de vreemdelinge gemaakte proceskosten, zulks met inachtneming van het Besluit proceskosten

bestuursrecht. De kosten zijn op voet van het bepaalde in het bovengenoemde Besluit vastgesteld op ƒ 1.420,-- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van de

vreemdelinge een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge het tweede lid van artikel 8:75 Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond en beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring ex artikel 26 Vw met ingang van 12 januari 2000;

wijst het verzoek om schadevergoeding toe en kent aan de vreemdelinge ten laste van de Staat (Ministerie van Justitie) een vergoeding toe van f 2.850,-- (zegge: twee duizend acht honderd vijftig gulden), uit te betalen door de

griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem;

veroordeelt verweerder in de proceskosten ad ƒ 1.420,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, moet voldoen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. F.G. Hijink, lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2001, in tegenwoordigheid van mr. drs. H.J.M. Baldinger als griffier.

Voornoemd lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken beveelt de tenuitvoerlegging van de in deze uitspraak toegekende schadevergoeding ten bedrage van f 2.850,-- (zegge: twee duizend acht honderd vijftig gulden).

Aldus gedaan op 12 januari 2001 door mr. drs. F.G. Hijink, lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken.

afschrift verzonden op: 17 januari 2001

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage, voor zover het betreft de beslissing inzake schadevergoeding. De Officier van Justitie kan binnen veertien dagen na de uitspraak en de vreemdeling

binnen een maand na de betekening van de uitspraak hoger beroep instellen door het indienen van een verklaring als bedoeld in de artikelen 449 en 451a van het Wetboek van Strafvordering bij de Arrondissementsrechtbank te

's-Gravenhage, zittingsplaats Haarlem.