Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AB0662

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-01-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/77529 VRONTO J
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / bevoegdheid geven last tot uitzetting.

Er is een last tot uitzetting verstrekt door de inspecteur namens de korpschef. De zaak is aangehouden om verweerder gelegenheid te bieden ondermandaatregeling te overleggen. Op grond van de ondermandaatregeling is genoemde inspecteur naar het oordeel van de rechtbank bevoegd een last tot uitzetting te geven en te ondertekenen. Het standpunt van gemachtigde dat niet de korpschef maar de staatssecretaris als mandaatgever had moeten optreden in de onderhavige ondermandaatregeling, miskent de regeling betreffende de bevoegdheidsverdeling inzake de verstrekking van lasten tot uitzetting zoals die is gegeven in de Vreemdelingenwet en het Vreemdelingenvoorschrift. Artikel 23 Vw bepaalt dat wanneer het verblijf van een vreemdeling in Nederland niet of niet langer is toegestaan, uitzetting geschiedt op last van de minister, die van deze bevoegdheid mandaat kan verlenen aan een ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen. In artikel 47 VV zijn de gevallen genoemd waarin een last tot uitzetting alleen door de minister kan worden gegeven. Ingevolge artikel 48, eerste lid, VV, voor zover hier van belang, zijn zowel de ambtenaar belast met de grensbewaking als de ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen als de korpschef bevoegd een last tot uitzetting te geven, indien het een vreemdeling betreft van wie het verblijf in Nederland niet langer is toegestaan door het verstrijken van een termijn als genoemd in artikel 8 Vw. In deze gevallen is derhalve sprake van een in het Vreemdelingenvoorschrift neergelegde mandaatregeling. In artikel 49, tweede lid, VV is bepaald dat, in afwijking van het eerste lid, vreemdelingen die met het oog op hun verwijdering in bewaring worden gesteld, niet worden uitgezet alvorens een last tot uitzetting is gegeven, waartoe de korpschef bevoegd is, voor zover de vreemdeling niet behoort tot één van de in artikel 47 VV genoemde categorieën. Ook artikel 49, tweede lid, VV vormt derhalve een in het VV vervatte mandaatregeling. De bevoegdheid tot het geven van de last tot uitzetting berust in casu op artikel 49, tweede lid, VV. Aldus is de korpschef bevoegd de last tot uitzetting te geven. De korpschef mag deze bevoegdheid uit hoofde van artikel 1b, tweede lid, VV ondermandateren aan de onder hem ressorterende ambtenaren, voor zover dat in overeenstemming is met de taak en functie van de betreffende ambtenaar en de aard van de bevoegdheid of een wettelijk voorschrift zich daartegen niet verzet. Uit een en ander volgt dat de onderhavige ondermandaatregeling door de korpschef (als de mandaatgever) kan worden ondertekend. Dat de ondertekening is geschied door de plaatsvervangend korpschef, maakt dit niet anders, nu deze bij ontstentenis van de korpschef in al diens bevoegdheden treedt. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Voorschrift Vreemdelingen 2000 47
Voorschrift Vreemdelingen 2000 49
Voorschrift Vreemdelingen 2000 1b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Haarlem

enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken

U I T S P R A A K

ex artikel 34a en 34j Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr: AWB 00/77529 VRONTO J

inzake: A, geboren op [...] 1968, van Kameroense nationaliteit, verblijvende in de Penitentiaire Inrichting Koning Willem II te Tilburg, hierna te noemen: de vreemdeling,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), gevestigd te 's-Gravenhage, verweerder.

Zitting: 11 januari 2001.

De vreemdeling is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. drs. M. de Groot, advocaat te Haarlem.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde, mr. C. Brand.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1 Op 29 december 2000 is de vreemdeling aangehouden op verdenking van het plegen van een strafbaar feit. Op diezelfde datum is hij overgedragen aan de vreemdelingendienst en opgehouden voor verhoor ingevolge artikel 19, tweede

lid, Vw.

Bij bevel tot bewaring van 30 december 2000 is de vreemdeling op grond van artikel 26, eerste lid, sub a Vw in bewaring gesteld. Op diezelfde datum was reeds zijn uitzetting gelast.

1.2 Op 3 januari 2001 heeft de vreemdeling een asielaanvraag ingediend. Op diezelfde datum is de vreemdeling opnieuw in bewaring gesteld op grond van artikel 26, eerste lid, sub c Vw.

1.3 Bij beroepschrift van 2 januari 2001, ter griffie van deze rechtbank ontvangen op diezelfde datum, heeft de vreemdeling beroep ingesteld tegen de maatregel van bewaring. Het beroep strekt tevens tot het toekennen van

schadevergoeding.

1.4 Het onderzoek ter zitting is aangehouden teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen de rechtbank nadere informatie te verschaffen. Bij brief van 12 januari 2001 heeft verweerder deze informatie verstrekt en zijn

standpunt nader toegelicht. Op 16 januari 2001 heeft de gemachtigde van de vreemdeling op verweerders brief gereageerd en verzocht om een voortgezette behandeling van de zaak ter zitting. Op 18 januari 20001 heeft deze zitting

plaatsgevonden. Verweerder is ter zitting niet verschenen. De rechtbank heeft hierna het onderzoek gesloten en de uitspraak bepaald op heden.

2 Overwegingen

2.1 Bij de beoordeling van het beroep gaat de rechtbank uit van de navolgende feiten zoals deze uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting naar voren zijn gekomen. Op 29 december 2000 omstreeks 15:50 heeft de

vreemdeling op Schiphol een paspoort aangeboden ter uitreiscontrole. De vreemdeling was in het bezit van een instapkaart voor de vlucht KL 671 met bestemming Montreal, Canada. Vervolgens is de vreemdeling aangehouden in verband met

vermoedelijke overtreding van artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht. Vastgesteld is dat de vreemdeling in het bezit was van een vals paspoort. Op 29 december 2000 om 21.00 uur is de vreemdeling in vrijheid gesteld en om 21.01

uur is hij overgedragen aan de Vreemdelingendienst ingevolge artikel 19, eerste lid, Vw. Op 30 december 2000 is een last tot uitzetting (ltu) verstrekt, welke als volgt is ondertekend:

"De Staatssecretaris van Justitie, namens de Staatssecretaris, de Korpschef te KENNEMERLAND, namens deze, de Inspecteur J. Post."

Aansluitend is een bevel tot bewaring gegeven.

De vreemdeling heeft op 3 januari 2001 een asielaanvraag ingediend, waarna een zogenaamde categoriewijziging heeft plaatsgevonden: hij is opnieuw gehoord ex artikel 82, tweede en derde lid Vreemdelingenbesluit (Vb) en aansluitend

opnieuw in bewaring gesteld ingevolge artikel 26, eerste lid sub c Vw.

2.2 Namens de vreemdeling is aangevoerd dat de last tot uitzetting onbevoegd gegeven is, waardoor de inbewaringstelling onrechtmatig is geweest van 30 december 2000 tot 3 januari 2001 (de datum waarop de vreemdeling na een

f-aanvraag te hebben ingediend opnieuw in bewaring is gesteld). Onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 21 december 2000 (reg. nummer: AWB 00/72446 VRONTO J) heeft de gemachtigde er op

gewezen dat verweerder er tot op heden niet in geslaagd is de (onder)mandaatregeling van de afdeling Vreemdelingenzaken van de regiopolitie Kennemerland te overleggen. Evenals in de vermelde zaak valt ook in casu niet te

controleren, of de ltu bevoegd is gegeven, en moet het er voor worden gehouden, dat dit niet het geval is.

2.3 Verweerder heeft ter zitting tijdens de behandeling van een andere zaak, waarin dezelfde problematiek aan de orde was, meegedeeld, dat de Vreemdelingendienst van de regiopolitie Kennemerland de ondermandaatregeling inmiddels

aan verweerder ter beschikking heeft gesteld. De rechtbank heeft daarop het onderzoek ter zitting aangehouden en verweerder de gelegenheid geboden genoemde ondermandaatregeling voor 15 januari 2001, 12:00 uur aan de rechtbank te

overleggen onder verzending van een kopie aan de gemachtigde van de vreemdeling. De gemachtigde is in de gelegenheid gesteld hierop te reageren voor 16 januari 2001, 12:00 uur.

2.4 Op 12 januari 2001 heeft verweerder de ondermandaatsregeling van 23 december 1997, in werking getreden op 1 januari 1998, voorzien van een begeleidend schrijven aan de rechtbank doen toekomen. Verweerder stelt zich op het

standpunt dat de bevoegdheid tot het geven van de last tot uitzetting hiermee genoegzaam is aangetoond. De vreemdeling is mitsdien vanaf aanvang op goede gronden onder categorie a van artikel 26, eerste lid Vw in bewaring gesteld.

2.5 De rechtbank oordeelt als volgt.

2.6 Blijkens de tekst van het door verweerder op 12 januari 2001 overgelegde "Besluit ondermandaat en machtigingen ingevolge de Vreemdelingenwetgeving" heeft de korpschef van de politie regio Kennemerland ondermandaat verleend

aan alle ambtenaren van de regiopolitie Kennemerland, die werkzaam zijn bij de Afdeling Vreemdelingenzaken, sectoren Toezicht, Toelating, Asiel en Koppelingsbureau VAS-GBA, voor het uitoefenen van aan hem bij of krachtens de

Vreemdelingenwet verleende bevoegdheden met uitzondering van de in de artikel 18 en 19, derde lid Vw genoemde bevoegdheden (artikel 1) en heeft de korpschef ondermandaat verleend aan de ambtenaren belast met het toezicht op

vreemdelingen, tevens Hulpofficier van Justitie, van de regiopolitie Kennemerland, die werkzaam zijn bij de afdeling vreemdelingenzaken, tot uitoefening van de in de artikelen 18 en 19, derde lid van de Vreemdelingenwet genoemde

bevoegdheden (artikel 2). De in het eerste en tweede artikel genoemde ambtenaren zijn ingevolge artikel 4 gemachtigd tot het namens de korpschef verrichten van alle handelingen als bedoeld in artikel 10:2 Awb, voor zover deze

geboden zijn ter uitoefening van hun taak ingevolge de Vreemdelingenwetgeving.

2.7 In casu is de last tot uitzetting gegeven en ondertekend door Inspecteur J. Post. Blijkens het zich in het dossier bevindende proces-verbaal van verhoor ex artikel 82, tweede en derde lid Vb jo artikel 26 Vw is de heer Post

Inspecteur van de Regiopolitie Kennemerland, belast met het vreemdelingentoezicht en tevens hulpofficier van justitie. Op grond van de onder 2.6 weergegeven ondermandaatregeling is genoemde inspecteur naar het oordeel van de

rechtbank bevoegd lasten tot uitzetting (waaronder de onderhavige last) te geven en te ondertekenen. De conclusie dient op grond van een en ander dan ook te zijn dat niet staande kan worden gehouden dat de last tot uitzetting in

casu onbevoegdelijk is gegeven, zodat de grief faalt. De in de brief van de gemachtigde van 16 januari 2001 aangevoerde en ter zitting van 18 januari 2001 nader onderbouwde grief, dat er gebreken kleven aan de ondermandaatregeling,

volgt de rechtbank niet, om de hiernavolgende redenen.

2.8 De grieven gericht tegen de ondermandaatregeling komen er in de kern van de zaak op neer, dat niet de korpschef, maar de Staatssecretaris als mandaatgever had moeten optreden in de onderhavige ondermandaatregeling - alleen

de mandaatgever kan ondermandaat verlenen. De gemachtigde heeft er voorts op gewezen dat de onderhavige ondermandaatregeling ondertekend is door de plaatsvervangend korpschef en dat er daarom wederom een ondermandaatregeling

ontbreekt (die waarin de korpschef bevoegdheden ondermandateert aan zijn plaatsvervanger). Tenslotte heeft verweerder in de onderhavige zaak de beginselen van een goede procesorde geschonden, aldus nog steeds de gemachtigde.

2.9 Gemachtigdes standpunt, dat de onderhavige ondermandaatregeling had moeten worden ondertekend door de Staatssecretaris (in plaats van de korpschef), miskent de regeling betreffende de bevoegdheidsverdeling inzake de

verstrekking van lasten tot uitzetting zoals die is gegeven in Vreemdelingenwet en het Vreemdelingenvoorschrift. Artikel 23 Vw bepaalt dat wanneer het verblijf van een vreemdeling in Nederland niet of niet langer is toegestaan

uitzetting geschiedt op last van de Minister, die van deze bevoegdheid mandaat kan verlenen aan een ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen. In artikel 47 VV zijn de gevallen genoemd waarin een

last tot uitzetting alleen door de Minister kan worden gegeven. Ingevolge artikel 48, eerste lid, VV, voor zover hier van belang, zijn zowel de ambtenaar belast met de grensbewaking als de ambtenaar belast met het toezicht op

vreemdelingen als de korpschef bevoegd een last tot uitzetting te geven, indien het een vreemdeling betreft van wie het verblijf in Nederland niet langer is toegestaan door het verstrijken van een termijn als genoemd in artikel 8

Vw. In deze gevallen is derhalve sprake van een in het Vreemdelingenvoorschrift neergelegde mandaatregeling. Artikel 49, eerste lid, VV bepaalt dat in andere gevallen dan die welke zijn voorzien in de artikelen 47 en 48 VV geen last

tot uitzetting nodig is. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat, in afwijking van het eerste lid, vreemdelingen die met het oog op hun verwijdering in bewaring worden gesteld, niet worden uitgezet alvorens een last tot

uitzetting is gegeven, waartoe de korpschef bevoegd is, voor zover de vreemdeling niet behoort tot één van de in artikel 47 VV genoemde categorien. Ook artikel 49, tweede lid vormt derhalve een in het VV vervatte mandaatregeling.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vreemdeling in casu niet aan te merken als een vreemdeling van wie het verblijf in Nederland niet langer is toegestaan door het verstrijken van de termijn als bedoeld in artikel 8 Vw. Dit

artikel, nader uitgewerkt in artikel 46 Vreemdelingenbesluit en hoofdstuk A4/2.7.3 Vc, impliceert dat een vreemdeling verblijf heeft gehad in Nederland. Het dossier biedt geen enkel aanknopingspunt dat dit ten aanzien van de

vreemdeling in de onderhavige zaak het geval is geweest. Dit leidt tot de conclusie dat de bevoegdheid tot het geven van de last tot uitzetting niet aan de artikelen 47 en 48 VV ontleend kan worden en die bevoegdheid, gegeven de

omstandigheid dat de vreemdeling in bewaring werd gesteld, mitsdien berust op artikel 49, tweede lid VV. Aldus is de Korpschef bevoegd de last tot uitzetting te geven. De korpschef mag deze bevoegdheid uit hoofde van artikel 1b,

tweede lid VV ondermandateren aan de onder hem ressorterende ambtenaren, voor zover dat in overeenstemming is met de taak en functie van de betreffende ambtenaar en de aard van de bevoegdheid of een wettelijk voorschrift zich

daartegen niet verzet. Uit een en ander volgt dat de onderhavige ondermandaatregeling door de korpschef (als de mandaatgever) kan worden ondertekend. Dat de ondertekening is geschied door de plaatsvervangend korpschef, maakt dit

niet anders. De plaatsvervangend korpschef treedt bij ontstentenis van de korpschef in al diens bevoegdheden. Dit is dan ook geen situatie van mandaat, zodat de grief van de gemachtigde, dat er wederom een mandaatregeling ontbreekt

(waarin de korpschef bevoegdheden ondermandateert aan zijn plaatsvervanger) faalt.

2.10 Tenslotte volgt de rechtbank de gemachtigde niet in haar standpunt, dat in casu door verweerder de beginselen van behoorlijk bestuur dan wel een behoorlijke procesorde zijn geschonden. Verweerder had weliswaar meer

voortvarendheid kunnen betrachten bij de verstrekking van de mandaatregeling, maar dit doet er niet aan af dat thans vast is komen te staan dat de bevoegdheid tot het vestrekken van de ltu voortvloeit uit de sinds 1 januari 1998

geldende ondermandaatregeling. Anders dan de gemachtigde heeft gesteld heeft verweerder ter zitting van 11 januari 2001 slechts aangegeven te hebben vernomen dat er thans een ondermandaatregeling beschikbaar zou zijn, maar daarbij

opgemerkt, dat zij ook niet meer wist dan dat, en (nog) niet bekend was met de datum van opstelling en inwerkingtreding dan wel de tekst van de regeling. Verweerder heeft vervolgens conform de ter zitting gedane toezegging de

ondermandaatregeling op 12 januari 2001 aan de rechtbank doen toekomen en zijn nadere standpunt aan de rechtbank kenbaar gemaakt. Het niet eerder verstrekken van de ondermandaatregeling is naar het oordeel van de rechtbank niet

zodanig ernstig dat reeds om die reden de bewaring onrechtmatig moet worden geacht. Ook deze grief faalt mitsdien.

2.11 Voorts is uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting het volgende naar voren gekomen. De vreemdeling heeft op 3 januari 2001 een asielverzoek ingediend. Aansluitend is hij opnieuw gehoord en onder categoriewijziging

opnieuw in bewaring gesteld op grond van artikel 26, eerste lid sub c. Op het asielverzoek zal gelet op genoemd artikel op uiterlijk 31 januari 2001 een beslissing dienen te worden genomen. Eerst daarna zullen eventueel handelingen

gericht op de uitzetting van de vreemdeling een aanvang kunnen nemen.

2.12 De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden de uitzettingshandelingen heeft opgeschort. De vreemdeling heeft immers een f-aanvraag ingediend. Thans kan dan ook niet worden gezegd dat verweerder onvoldoende

voortvarend te werk gaat en evenmin dat er geen zicht op uitzetting bestaat.

2.13 Ook overigens is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring niet in strijd is met de Vreemdelingenwet en evenmin bij

afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid ongerechtvaardigd is te achten.

2.14 Het beroep is derhalve ongegrond. Nu de bewaring niet wordt opgeheven, komt ook het verzoek om toekenning van schadevergoeding niet voor inwilliging in aanmerking.

3 Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond;

wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. F.G. Hijink, lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2001, in tegenwoordigheid van mr. drs. H.J.M. Baldinger als griffier.

afschrift verzonden op: 22 januari 2001

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage, voor zover het betreft de beslissing inzake schadevergoeding. De Officier van Justitie kan binnen veertien dagen na de uitspraak en de vreemdeling

binnen een maand na de betekening van de uitspraak hoger beroep instellen door het indienen van een verklaring als bedoeld in de artikelen 449 en 451a van het Wetboek van Strafvordering bij de Arrondissementsrechtbank te

's-Gravenhage, zittingsplaats Haarlem.

Voor het overige staat geen gewoon rechtsmiddel open.