Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AB0654

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-01-2001
Datum publicatie
19-06-2002
Zaaknummer
AWB 99/13121
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Irak / sjiïtische moslim / Koeweit.

Naarmate de algemene mensenrechtensituatie in het land van herkomst slechter is, zal sneller tot vervolging moeten worden geconcludeerd. Uit het ambtsbericht van maart 1999 blijkt dat vervolging door de Irakese autoriteiten in veel gevallen een gevolg is van combinaties van factoren. Verweerder is tot zijn afwijzende besluit gekomen zonder de situatie in Irak in voldoende mate bij zijn oordeel te betrekken, alsmede de specifieke plaats die eiser hierin inneemt. Met name dient verweerder te beargumenteren waarom de bij eiser bestaande combinatie van zijn Koeweitse achtergrond, de dossiervorming over zijn politieke activiteiten en zijn behoren tot de sjiïitische moslims geen gegronde vrees voor vervolging oplevert, vooral gelet op het willekeurige optreden waar de Irakese autoriteiten om bekend staan. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te ’s-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

enkelvoudige kamer

Uitspraak

artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr. : AWB 99/13121 VRWET

Inzake: A, wonende te B, eiser,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiser, geboren op [...] 1971, heeft de Irakese nationaliteit. Hij verblijft sedert

6 september 1997 als vreemdeling in de zin van de Vw in Nederland. Op 7 september 1997 heeft hij aanvragen ingediend om toelating als vluchteling en verlening van een vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van

humanitaire aard. Bij besluit van

13 december 1998, heeft verweerder op deze aanvragen afwijzend beslist. De aanvraag om toelating als vluchteling is niet ingewilligd vanwege kennelijke ongegrondheid. Eiser heeft tegen het besluit bezwaar gemaakt bij bezwaarschrift

van 1 februari 1999. Dit bezwaarschrift is aangevuld bij brieven van 18 maart 1999 en 8 oktober 1999. Bij besluit van 25 november 1999 heeft verweerder het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. Het besluit is bij brief van dezelfde

datum aan de gemachtigde van eiser gezonden.

2. Bij beroepschrift van 17 december 1999, aangevuld bij brieven van 8 mei 2000, 22 juni 2000, 4 oktober 2000 en 16 oktober 2000, heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. In beroep heeft eiser verzocht het

bestreden besluit te vernietigen en verweerder te veroordelen in de proceskosten. De rechtbank heeft partijen meegedeeld het beroep versneld te zullen behandelen. Op 2 mei 2000 en op 21 september 2000 zijn de op de zaak betrekking

hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 20 oktober 2000 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 november 2000. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door gemachtigde ir. J. Wagenaar, juridisch medewerker verbonden aan het advocatenkantoor Van Driel c.s. te

Alkmaar. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. C.E.J. van Buren-Buijs, juridisch medewerker bij Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn, advocaten en notarissen te 's-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

2.1 Naar aanleiding van zijn aanvragen is eiser op 7 september 1997, 26 september 1997 en 16 november 1998 gehoord door ambtenaren van verweerders ministerie. Uit het verslag van deze gehoren blijkt dat eiser het volgende heeft

verklaard.

Eiser is sji’itisch moslim en behoort tot de Arabische bevolkingsgroep dan wel die der Bedoeïenen. Hij is geboren in Koeweit maar is van Irakese afkomst. Vanaf zijn geboorte heeft eiser in Koeweit gewoond. Tijdens de bezetting van

Koeweit door de Irakese troepen, op 10 januari 1991, hebben vier Irakezen eiser aangehouden in de bakkerij waar hij als vrijwilliger werkte. Zij hebben eiser meegenomen en verhoord. Hij werd verdacht van het geven van levensmiddelen

aan het Koeweitse verzet. Eiser legt tijdens het nader gehoor, ter ondersteuning van zijn relaas, een werkgeverskaart over van de Kuweit Flour Mills and Bakery co., gedateerd op 1 december 1990. Eiser verbleef in een gevangenis tot

26 februari 1991, het moment waarop Koeweit werd bevrijd. In februari 1993 is eiser met zijn ouders uit Koeweit vertrokken en naar Zuid-Irak gereisd. Zij waren immers stateloos en liepen het risico te worden opgepakt. Bij de

grensovergang met Irak werd eiser gearresteerd. Zijn naam stond gesignaleerd. Eiser werd ervan verdacht een spion uit Koeweit te zijn. Men bracht eiser naar de inlichtingendienst te Basrah. Daarna is hij zes maanden in een

gevangenis gedetineerd. Eiser werd mishandeld. Zij vader heeft de autoriteiten omgekocht om hem vrij te krijgen. Na zijn vrijlating is hij op aanraden van zijn vader uit Basrah vertrokken en is hij bij zijn moeder in Al Nasiriyah

gaan wonen.

In mei 1995 hield de verkeerspolitie eiser aan, welke aanhouding uitliep op een handgemeen. Hij werd meegenomen en schuldig bevonden. Nadat eiser geld had betaald, heeft de bewuste agent zijn aanklacht ingetrokken. Eiser werd na een

week vrijgelaten.

In mei 1997 deed de inlichtingendienst bij eiser thuis navraag naar hem, en in juli 1997 werd hij door deze dienst gearresteerd. Na een week detentie vroeg een officier van de inlichtingendienst eiser om als spion te gaan werken in

Koeweit. Eiser moest na een week zijn beslissing geven. Tijdens die week werd hij mishandeld. Na afloop van de week werd eiser voorlopig in vrijheid gesteld om over zijn beslissing na te denken. De officier is vervolgens langsgegaan

bij eiser thuis. Van een neef die iemand kende bij de veiligheidsdienst vernam eiser dat hij gedood zou worden als hij niet met de inlichtingendienst zou samenwerken. Deze neef heeft vervolgens in Baghdad een vervalste

uitreistoestemming voor eiser geregeld. In juli is eiser met een taxi naar Baghdad gereisd. Onderweg is hij vier keer door de Irakese autoriteiten gecontroleerd. Vanaf Baghdad is hij met de bus verder gereisd naar Amman, Jordanië.

Op 30 augustus 1997 vertrok hij naar Damascus, Syrië. Diezelfde dag is hij per vliegtuig naar Koeweit gevlogen, vanwaar hij op 6 september 1997 per vliegtuig is vertrokken met eindbestemming Toronto, Canada. Tijdens het overstappen

op Schiphol heeft eiser een vervalst Saudisch paspoort getoond. Naar aanleiding hiervan is hij door de Nederlandse Marechaussee aangehouden. Vervolgens heeft hij asiel aangevraagd.

2.2 Op 14 maart 2000 heeft eiser een aanvraag ingediend bij de korpschef van Noord-Holland Noord om verlening van een vergunning tot verblijf met als doel verblijf bij partner. Bij besluit van 28 maart 2000 heeft verweerder deze

aanvraag buiten behandeling gesteld wegens het ontbreken van een machtiging tot voorlopig verblijf. Op 28 maart 2000 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

3. Standpunt verweerder

3.1 Verweerder stelt zich ten eerste op het standpunt dat eisers relaas niet geloofwaardig is. De gebeurtenis die eiser heeft aangevoerd als aanleiding voor zijn vertrek uit Irak, te weten de poging van de Irakese autoriteiten om

hem voor spionageactiviteiten te werven, acht verweerder onvoldoende aannemelijk. De maatschappelijke positie en het beroep van eiser bieden geen enkel aanknopingspunt om de keuze van de Irakese inlichtingendienst voor zijn persoon

aannemelijk te maken. Bovendien heeft eiser verklaard door zijn gestelde activiteiten in Koeweit in de negatieve belangstelling te staan van de Irakese autoriteiten. Niet valt in te zien waarom de autoriteiten hem zouden vragen te

gaan spioneren, nu hiervoor de uiterste loyaliteit noodzakelijk is. In die zin ontbreekt overigens het door eiser gestelde verband tussen de arrestaties in 1991 en 1993 en de arrestatie in 1997.

Verder heeft eiser tijdens het eerste gehoor uitdrukkelijk beweerd dat hij zijn uitreistoestemming op reguliere wijze had verkregen en dat hij met gebruikmaking van zijn eigen paspoort Irak heeft verlaten. Zijn latere verklaring dat

hij tijdens het eerste gehoor bang was om de waarheid te zeggen, namelijk dat hij zijn uitreistoestemming op illegale wijze had verkregen, acht verweerder niet geloofwaardig. Eisers stelling in bezwaar dat hij in Koeweit was

gearresteerd vanwege zijn vrijwilligerswerk bij een bakkerij is evenmin in overeenstemming met hetgeen hij eerder heeft gesteld.

3.2 Voor zover eisers relaas als geloofwaardig kan worden beschouwd stelt verweerder dat het niet voldoende zwaarwegend is om tot vluchtelingschap te kunnen concluderen. Zo wekt het bij verweerder bevreemding dat eiser een paspoort

zou hebben aangevraagd en verkregen in Basrah, de plaats waar hij was gearresteerd wegens vermeende spionageactiviteiten. Dat hij steekpenningen zou hebben betaald om het paspoort te verkrijgen doet hier niet aan af, omdat ook dit

erop duidt dat er geen grote negatieve belangstelling van de zijde van de Irakese autoriteiten voor eiser is. Met betrekking tot de detentie in 1995 stelt verweerder dat eiser het slachtoffer lijkt te zijn geweest van machtsmisbruik

door de verkeerspolitie. Niet is gesteld of gebleken dat eiser daarbij anders is behandeld dan de gemiddelde Irakese burger in een vergelijkbare situatie, zodat niet van vervolging kan worden gesproken. Ook het feit dat eiser in

1997 na een korte detentie is vrijgelaten, duidt niet op een situatie waarin van vervolging kan worden gesproken. Eiser voert in bezwaar aan dat hij waarschijnlijk is vrijgelaten om vertrouwen te krijgen in de Irakese autoriteiten.

Naar aanleiding hiervan overweegt verweerder dat eiser nog niet had ingestemd met het voorstel van de Irakese inlichtingendienst om als spion te gaan werken en dat de autoriteiten, door hem enige tijd te gunnen, hem de mogelijkheid

hebben gegeven Irak te verlaten. Eisers stelling dat hem in het geval van weigering de doodstraf zou wachten, is slechts gebaseerd op vermoedens. Ook eisers bewering dat hij na zijn vrijlating door de Irakese inlichtingendienst in

de gaten werd gehouden is onvoldoende aannemelijk gemaakt nu hij op reguliere wijze en zonder problemen vier identiteitscontroles heeft kunnen passeren op zijn reis naar Baghdad.

Eisers beroep op artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) treft ook geen doel. Eiser heeft niet gemotiveerd aangegeven aan welke behandeling, zoals bedoeld in

dit verdragsartikel, hij bij terugkeer in Irak zal worden blootgesteld. Blijkens het vorenoverwogene ten aanzien van eisers asielmotieven kan niet worden aangenomen dat hij bij terugkeer om enigerlei reden de bijzondere aandacht van

de autoriteiten heeft te verwachten.

Wat er van het bovenstaande verder ook zij, eiser kan zich aan eventuele problemen van de zijde van het regime te Baghdad onttrekken door zich te vestigen in het door de Koerdische autoriteiten bestuurde deel van Noord-Irak. Uit de

uitspraken van de REK van

13 september 1999, AWB 99/1711 en 3380 VRWET, blijkt dat ook in dit geval terugkeer naar Noord-Irak geen schending van artikel 3 EVRM oplevert. Wel dient te worden gemotiveerd of van eiser kan worden verwacht dat hij zich staande

kan houden in Noord-Irak. Eiser is 28 jaar oud. Hij behoort niet tot één van de risicogroepen als genoemd in de ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken van 15 april 1999, 13 november 1998 en 31 maart 1998. Er is niet

gebleken van gezondheidsproblemen en ook overigens is op geen enkele wijze gebleken dat hij zich in Noord-Irak niet staande zou kunnen houden. In zijn brief van 13 juli 2000 aan de Tweede Kamer stelt verweerder zich op het standpunt

dat het al dan niet hebben van familiebanden of politieke banden met Noord-Irak niet van doorslaggevend belang is.

Nu eisers bezwaar kennelijk ongegrond is, kon er op grond van artikel 7:3 onder b Awb van het horen worden afgezien.

3.3 In zijn verweerschrift heeft verweerder opgemerkt dat uit de uitspraak van 7 september 2000 van de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, blijkt dat verweerders standpunt dat het al dan niet hebben van

familiebanden of politieke banden met Noord-Irak niet van doorslaggevend belang is, wordt verworpen. Verweerder beraadt zich naar aanleiding van deze uitspraak op een nader standpunt. Verder stelt verweerder dat eiser pas in beroep

te kennen heeft gegeven dat hij is gehuwd, zodat, gelet op de ex-tunc toetsing in beroep, aan dit gegeven voorbij dient te worden gegaan.

3.4 Ter zitting heeft verweerder, desgevraagd, gesteld de verklaringen van eiser omtrent zijn werkzaamheden in de bakkerij in Koeweit niet langer in twijfel te trekken. Ook heeft verweerder, desgevraagd, bevestigd dat afgewezen

asielzoekers afkomstig uit Centraal Irak niet naar Centraal Irak worden teruggestuurd.

Verder heeft verweerder gesteld dat eiser voor het eerst in beroep heeft aangegeven dat hij tot de bevolkingsgroep van de Bedoeïenen hoort. Gelet hierop, en gelet op het feit dat eiser tijdens het nader gehoor verklaard heeft

Arabier te zijn, is verweerder van oordeel dat voorbij dient te worden gegaan aan zijn stelling dat hij te vrezen heeft voor vervolging op grond van zijn etnische afkomst. Ook de melding van de moord op eisers vader is pas in beroep

gedaan zodat er, gelet op de ex-tunc toetsing in beroep, hier evenmin aandacht aan kan worden besteed. Overigens zijn de redenen voor deze moord niet duidelijk, en is er geen aantoonbaar verband met eisers vertrek.

Wat betreft de vraag of Noord-Irak als vestigingsalternatief kan gelden voor afgewezen asielzoekers afkomstig uit Centraal-Irak heeft verweerder gesteld dat hij zijn standpunt zoals verwoord in zijn brief van 13 juli 2000 handhaaft,

namelijk dat er bij de beoordeling van aanvragen om verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard van uitgegaan kan worden dat in Noord-Irak sprake is van een voor een ieder gewaarborgde toegang tot essentieel te

achten basisvoorzieningen. De brieven van de UNHCR hebben alleen betrekking op de situatie van vluchtelingen afkomstig uit Centraal Irak. Nu niet aannemelijk is geworden dat eiser vluchteling is, zijn de hier bedoelde brieven niet

relevant voor de beoordeling van zijn vestigingsmogelijkheden in Noord Irak.

4. Standpunt eiser.

4.1 Eiser verzet zich tegen de stelling van verweerder dat zijn relaas niet geloofwaardig zou zijn. Anders dan verweerder stelt, zijn er geen inconsistenties tussen hetgeen eiser bij het eerste gehoor heeft verteld en hetgeen hij

tijdens het nader verhoor heeft verklaard. Hier komt nog bij dat het eerste gehoor steeds zeer summier is van aard en dat het niet dient ter vaststelling van het asielrelaas. Eiser heeft bij het aanvullend gehoor aangegeven dat de

vragen tijdens het nader gehoor te summier waren geweest, en dat de verslaglegging ook geen recht deed aan zijn relaas. Dat eiser in bezwaar aanvullende informatie naar voren heeft gebracht mag hem dan ook niet worden tegengeworpen.

Het is de taak van de contactambtenaar om goed door te vragen. Ook betwist eiser dat het niet geloofwaardig is dat hij door betaling aan de nodige documenten zou zijn gekomen. Eiser verwijst naar pagina 41 van de ambtsbericht van

maart 1999 van het Ministerie van Buitenlandse zaken waar staat vermeld dat in Irak documenten kunnen worden verkregen door omkoping.

4.2 Bovendien stelt eiser dat hij gegronde redenen heeft te vrezen voor vervolging van de kant van de Irakese autoriteiten dan wel voor behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. In bezwaar vermeldt hij dat hij tijdens de Irakese

bezetting van Koeweit als vrijwilliger werkte bij een bakkerij die de bevolking van Koeweit tegen kostprijs brood verkocht, terwijl de Irakezen bepaald hadden dat al het brood voor de Irakese militairen bestemd was. Het was vanwege

deze werkzaamheden dat eiser in 1991 ervan verdacht werd het Koeweitse verzet te helpen. Eisers arrestatie aan de grens in 1993 hing duidelijk samen met zijn eerdere arrestatie in 1991. De autoriteiten bleken namelijk op de hoogte

te zijn van zijn arrestatie in Koeweit.

Eisers aanhouding en detentie door de verkeerspolitie in 1995 was een gevolg van een discriminerende opstelling naar mensen uit Koeweit toe. Eiser behoort immers oorspronkelijk tot de Bedoeïenen, een groep nomaden die tussen Koeweit

en Irak rondgezworven hebben. In het verslag van eisers eerste gehoor staat vermeld dat zijn vader nomade was in Koeweit. Hiermee bedoelde eiser aan te geven dat hij afkomstig is van de nomaden, ook wel Bedoeïenen genoemd. In Irak

worden de Bedoeïenen gewantrouwd. Men hoort immers aan hun spraak dat zij uit Koeweit komen.

Na zijn vrijlating in 1993 had eiser zich elders in Irak gevestigd in de hoop dat zijn dossier niet doorgestuurd zou worden. Bij zijn arrestatie in 1997 bleek de officier van de inlichtingendienst echter wel over eisers dossier uit

Basrah te beschikken. Eiser vermoedt dat hij juist vanwege zijn vroegere betrokkenheid bij het Koeweitse verzet gevraagd is om voor de Irakezen als spion te werken. De officier van de inlichtingendienst zal er vanuit zijn gegaan dat

veel Koeweiti zich eisers opstelling nog zullen herinneren, en dat hij daarom mogelijkheden heeft zich in Koeweit te handhaven. Verder vermoedt eiser dat de officier hem na een korte detentie vrijliet om zijn vertrouwen te winnen.

Nu eiser zich onttrokken heeft aan de bevelen van deze autoriteiten heeft hij te vrezen voor gevangenisstraf met onmenselijke behandeling en/of de doodstraf. Dat eiser er desondanks in is geslaagd de identiteitscontroles tussen

Nasiriyah en Baghdad te passeren is vermoedelijk te danken geweest aan eisers taxichauffeur die de agenten bij de controleposten waarschijnlijk had omgekocht. In dit verband verwijst eiser naar pagina

39 van bovengenoemd ambtsbericht van maart 1999 waar staat vermeld dat “het komt voor dat men zonder daadwerkelijke controle van documenten een controlepost kan passeren”. Dat eiser bij terugkeer naar Irak gegronde vrees heeft voor

vervolging blijkt ook uit de informatie van Amnesty International van 8 april 1998, waarin op pagina’s 11 en

12 gesproken wordt van de buitengewoon grote willekeur van de autoriteiten. In dit verband verwijst eiser tevens naar vergelijkbare bevindingen die zijn opgenomen in bovengenoemd ambtsbericht en in het ambtsbericht van het

Ministerie van Buitenlandse Zaken

van 15 april 1999.

Bij brief van 8 mei 2000 bericht eiser voorts dat hij per telefoon van een kennis uit Jordanië heeft vernomen dat zijn vader vermoord is door de autoriteiten in Irak. Eiser vermoedt dat dit gebeurd is omdat hij Irak ontvlucht is.

4.3 Eiser heeft geen enkele binding met Koerdistan. Hij heeft er geen familie of kennissen wonen. Met verwijzing naar de uitspraken van de Rechtseenheidskamer van deze rechtbank (REK) van 13 september 1999 (JV 1999, nr. 239) en van

20 maart 2000 (JV 2000, nr. 83) stelt eiser dat er voor hem geen sprake is van een vestigingsalternatief in Noord-Irak. Eiser wijst erop dat in andere zaken betreffende asielzoekers uit Centraal-Irak, verweerder besloten heeft zijn

besluitvorming op te schorten, totdat een nader standpunt is ingenomen naar aanleiding van de uitspraken van de REK van 13 september 1999. Het is voor eiser dan ook onbegrijpelijk dat verweerder meent dat zijn bezwaar kennelijk

ongegrond is.

4.4 Op 1 mei 1999 is eiser voor de Iman getrouwd met een in Koeweit geboren vrouw van Irakese nationaliteit, die toen reeds tot Nederland was toegelaten als vluchteling. Op 8 mei 2000 is eisers echtgenote bevallen van een dochter.

Gelet op het feit dat eisers echtgenote een Irakese vluchteling is, kan het gezinsleven tussen eiser, zijn echtgenote en hun kind niet in Irak worden voortgezet. Ook om die reden dient hij in het bezit te worden gesteld van een

vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard.

4.5 Ter zitting heeft eiser gesteld dat zijn vrees voor vervolging dan wel voor behandeling in strijd met artikel 3 EVRM berust op cumulatieve factoren, namelijk: de algemene negatieve houding van de Irakese autoriteiten ten

opzichte van Bedoeïenen afkomstig uit Koeweit in combinatie met het gevaar dat hij loopt doordat hij geweigerd heeft voor de Irakese autoriteiten te spioneren in Koeweit. Bovendien dient zijn relaas beoordeeld te worden tegen de

achtergrond van het rechtssysteem en praktijk zoals dit in Centraal Irak bestaat, en waarvan bekend staat dat die gekenmerkt is door willekeur. De moord op zijn vader moet in dit verband worden gezien. De arrestatie van familieleden

van personen tegen wie verdenking bestaat is in Centraal Irak immers een door de autoriteiten veelvuldig toegepast instrument. Dit blijkt ook uit pagina’s 44 tot en met 46 van het ambtsbericht van maart 1999 van het Ministerie van

Buitenlandse Zaken. Desgevraagd heeft eiser ter zitting gesteld dat, naar verluidt, een aantal van zijn familieleden uit Basrah is vertrokken nadat zijn vader werd vermoord. Het is echter moeilijk om precieze berichten uit Irak te

ontvangen.

Bij brief van 3 november 2000 heeft verweerder te kennen gegeven dat, in het geval dat eiser een voorlopige voorziening aanvraagt ter voorkoming van uitzetting hangende zijn bezwaar tegen de buitenbehandelingstelling van zijn

aanvraag om een vergunning tot verblijf bij partner, eiser de behandeling van dat verzoek in Nederland mag afwachten.

De rechtbank overweegt het volgende.

5. Ingevolge artikel 1(A) van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (het Vluchtelingenverdrag) in combinatie met artikel 15 Vw kunnen als vluchteling worden toegelaten vreemdelingen die afkomstig

zijn uit een land waar zij gegronde reden hebben te vrezen voor vervolging wegens ras, godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep.

6. Ingevolge artikel 11 lid 5 Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend. Verweerder voert bij de toepassing van dit artikellid het beleid dat

vreemdelingen niet voor toelating in aanmerking komen, tenzij met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel klemmende redenen van humanitaire aard of verplichtingen voortvloeiende uit

internationale overeenkomsten tot toelating nopen. Dit beleid is neergelegd in de Vreemdelingencirculaire (Vc).

7. Eiser heeft aangevoerd dat terugzending naar Irak zal betekenen dat hij niet langer gezinsleven kan uitoefenen met zijn echtgenote, die is toegelaten als vluchteling in Nederland. Nu eiser een vergunning tot verblijf heeft

aangevraagd voor verblijf bij echtgenote, en nu verweerder heeft toegezegd dat eiser, mocht hij in het kader van het bezwaar tegen de buitenbehandelingstelling van deze aanvraag een verzoek indienen tot een voorlopige voorziening,

de behandeling van dat verzoek in Nederland mag afwachten, ziet de rechtbank geen aanleiding om dit gegeven in de onderhavige procedure bij de beoordeling te betrekken.

8. Aan de orde is derhalve de vraag of verweerder terecht aan eiser toelating heeft geweigerd als vluchteling, dan wel op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die te maken hebben met zijn situatie in zijn land van

herkomst.

9. De rechtbank stelt voorop dat de algehele situatie in Irak niet zodanig is dat een uit dat land afkomstige vreemdeling zonder meer als vluchteling wordt aangemerkt en als zodanig toegelaten dient te worden. Eisers individuele

situatie, bezien in het licht van de situatie in het land van herkomst, is daarom beslissend. Wel hecht de rechtbank eraan in dit verband op te merken dat sneller tot vervolging zal moeten worden geconcludeerd naarmate de algemene

mensenrechtensituatie in het land van herkomst slechter is.

10. Anders dan verweerder, is de rechtbank van oordeel dat eisers relaas geloofwaardig is. Eisers relaas is gedetailleerd, consistent en deels door stukken onderbouwd. Dat eiser tijdens het nader gehoor andere verklaringen heeft

afgelegd omtrent de authenticiteit van zijn reispapieren dan tijdens het eerste gehoor biedt, naar het oordeel van de rechtbank, onvoldoende aanleiding om in het algemeen te twijfelen aan de aannemelijkheid van zijn relaas. Het

eerste gehoor dient immers niet ter beoordeling van de beweegredenen van de aanvraag. Onder andere daarom wordt de vreemdeling niet in de gelegenheid gesteld naar aanleiding van dit gehoor correcties en aanvullingen in te dienen.

Naar het oordeel van de rechtbank dient de aannemelijkheid van het asielrelaas dan ook primair te worden beoordeeld aan de hand van hetgeen tijdens, en in aanvulling op, het nader gehoor naar voren wordt gebracht.

Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding om aan eisers relaas te twijfelen. Verweerder heeft in het bestreden besluit gesteld dat niet valt in te zien waarom de Irakese autoriteiten juist aan eiser zouden vragen om in Koeweit

te gaan spioneren, gelet op de steun die hij had verleend aan het Koeweitse verzet tegen de Irakese bezetting tijdens de Golf Oorlog. Eisers stelling dat een Irakese spion in Koeweit het vertrouwen van de Koeweiti zal moeten hebben

om onder hen inlichtingen te kunnen vergaren is naar het oordeel van de rechtbank niet onwaarschijnlijk. Derhalve acht de rechtbank het niet onaannemelijk dat de Irakese autoriteiten juist eiser, waarvan bekend is dat hij goede

contacten heeft onder de Koeweiti, zouden benaderen om in Koeweit spionageactiviteiten te verrichten.

Als laatste reden om aan eisers relaas te twijfelen heeft verweerder in zijn bestreden besluit - voor het eerst - naar voren gebracht dat eiser zich niet zou hebben gemeld bij de UNHCR in Jordanië, toen hij daar verbleef op weg naar

Nederland. In zijn beroepschrift heeft eiser gesteld dat een vriend van hem in Jordanië bij de UNHCR voor hem heeft geïnformeerd, maar te horen heeft gekregen dat daar zo veel Irakezen waren, dat de UNHCR niets voor eiser kon doen.

Nu verweerder noch in zijn verweerschrift noch ter zitting gemotiveerd heeft aangegeven waarom deze uitleg van eiser niet aannemelijk zou zijn, ziet de rechtbank geen aanleiding om hierom aan eisers relaas te twijfelen. Gelet op het

voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder op ondeugdelijke gronden het relaas van eiser als ongeloofwaardig heeft afgedaan.

11. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om aanstonds te concluderen dat eisers relaas onvoldoende zwaarwegend is om tot vluchtelingschap dan wel tot een reëel risico op behandeling zoals bedoeld in artikel 3 EVRM te leiden.

Verweerder stelt dat het feit dat eiser in vrijheid werd gesteld nadat hij werd benaderd om als spion te gaan werken en dat hij er vervolgens zonder problemen in is geslaagd het land te verlaten nadat hij vier controleposten had

gepasseerd, erop wijst dat hij niet zodanig in de negatieve belangstelling staat van de Irakese autoriteiten dat hij te vrezen heeft voor vervolging. Om dezelfde redenen concludeert verweerder dat niet aannemelijk is dat eiser bij

terugkeer naar Centraal Irak te vrezen heeft voor behandeling in strijd met artikel

3 EVRM.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder tot deze conclusie is gekomen, zonder de algehele politieke en mensenrechten situatie in Irak in voldoende mate bij zijn oordeel te betrekken, alsmede de specifieke plaats die eiser hierin

inneemt. Uit pagina’s 25 en 26 van het hiervoor genoemde ambtsbericht van maart 1999 blijkt dat in Irak vele vormen van schending van mensenrechten stelselmatig aan de orde zijn. Met name kan een geringe verdenking al aanleiding

zijn voor arrestatie en detentie. Opvallend is de willekeur die de autoriteiten betrachten. Vervolging door de Irakese autoriteiten is in veel gevallen een gevolg van combinaties van factoren. Bepaalde verdenkingen maar ook vele

andere factoren, waaronder politieke achtergrond en religie, kunnen een rol spelen. Eiser is zowel in 1991 als in 1993 gearresteerd vanwege zijn activiteiten ten behoeve van het Koeweitse verzet tegen de Irakese bezetting. Bij zijn

arrestatie in 1997 is gebleken dat men op de hoogte is van die eerdere arrestaties. Er is derhalve sprake geweest van dossiervorming bij de Irakese autoriteiten omtrent eisers politieke activiteiten en sympathieën. Bovendien heeft

eiser gesteld dat hij voor de Irakese autoriteiten herkenbaar is als een voormalige bewoner van Koeweit van Arabische dan wel Bedoeïenen afkomst, en dat deze groep voor de Irakese autoriteiten bij voorbaat als verdacht worden

beschouwd. De rechtbank acht dit niet onaannemelijk, met name in het licht van de berichten die eiser bij brief van 16 oktober 2000 heeft overgelegd over de aanhoudende spanningen tussen Irak en Koeweit. Daar komt nog bij dat eiser

een sji’itische moslim is. Blijkens pagina 31 van de door eiser aangehaalde ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van maart 1999, heerst er bij de Irakese autoriteiten vrees voor politieke oppositie door het

sji’itische leiderschap.

Naar het oordeel van de rechtbank dient verweerder gemotiveerd te beargumenteren waarom de bij eiser bestaande combinatie van zijn Koeweitse achtergrond, de dossier-vorming over zijn politieke activiteiten, en zijn behoren tot de

sji’tische moslims geen gegronde vrees voor vervolging van de kant van de Irakese autoriteiten oplevert, vooral gelet op het willekeurige optreden waar deze autoriteiten om bekend staan. Nu verweerder dit heeft nagelaten, is het

bestreden besluit genomen in strijd met artikel 7:12 van de Awb, dat eist dat de beslissing op het bezwaarschrift berust op een deugdelijke motivering.

12. Het vorenstaande leidt de rechtbank bovendien tot het oordeel dat verweerder zich bij het bestreden besluit ten onrechte met een beroep op artikel 7:3 van de Awb op het standpunt heeft gesteld dat van het horen van eiser naar

aanleiding van zijn bezwaar kon worden afgezien. Hiertoe acht de rechtbank overigens van belang dat blijkens pagina

45 van het hiervoor genoemde ambtsbericht van maart 1999, het veel voorkomt dat de autoriteiten in Centraal-Irak familieleden arresteren van personen tegen wie een verdenking bestaat. Eventuele berichten over de lotgevallen van

eisers familieleden in Irak acht de rechtbank derhalve ook van belang voor de oordeelsvorming over zijn positie bij eventuele terugkeer. Nu verweerder heeft nagelaten om eiser te horen over dergelijke voor zijn aanvraag relevante

omstandigheden, is het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank tot stand gekomen in strijd met artikel 3:2, eerste lid, van de Awb, dat eist dat een bestuursorgaan ter voorbereiding van een besluit de nodige kennis

omtrent de relevante feiten vergaart, alsmede met artikel 7:2, eerste lid van de Awb dat eist dat het bestuursorgaan de belanghebbende in de gelegenheid stelt te worden gehoord voordat op het bezwaar wordt beslist.

13. Gelet op het hiervooroverwogene wordt het beroep gegrond verklaard en zal het bestreden besluit worden vernietigd.

14. Ten overvloede overweegt de rechtbank, wat betreft de aanvaardbaarheid van Noord-Irak als vestigingsalternatief voor afgewezen asielzoekers uit Centraal-Irak, dat het uitgangspunt van verweerder als neergelegd in de brief van 13

juli 2000 aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten Generaal onvoldoende ondersteuning vindt in de over Noord-Irak bekende gegevens. Uit het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 12 april 2000 valt niet af

te leiden dat de daadwerkelijke toegang tot de essentiële basisvoorzieningen, zoals genoemd in onder andere de brief van de UNHCR van 14 juni 1999, voor een ieder – dus ook voor Centraal-Irakezen die in Noord-Irak geen banden hebben

– in dat gebied gewaarborgd is. Met name valt niet in te zien dat, zoals verweerder ter zitting heeft gesteld, de toegang tot essentiële basisvoorzieningen niet verzekerd zou zijn voor erkende vluchtelingen zonder banden in Noord

Irak, maar wel voor afgewezen asielzoekers die evenmin banden hebben in Centraal-Irak. Het ambtsbericht bevat wat dit betreft geen wezenlijk nieuwe informatie ten opzichte van de in de uitspraak van de REK van 20 maart 2000 (AWB

99/11805) meegewogen “schetsmatige” brief van 12 januari 2000.

Derhalve is de rechtbank van oordeel dat de hiervoor genoemde uitspraak van de REK voor het onderhavige geval nog steeds relevant is. Alvorens te beslissen of een uit Centraal-Irak afkomstige vreemdeling – gegeven het door

verweerder gevoerde beleid – al dan niet een verblijfsvergunning op grond van klemmende redenen van humanitaire aard toekomt, zal verweerder onder meer op grond van de door de vreemdeling verschafte (of alsnog te verschaffen)

gegevens onder ogen moeten zien wat de feitelijke mogelijkheden voor die vreemdeling zijn om op korte en middellange termijn in Noord-Irak een bestaan te vinden waarbij hem de daadwerkelijke toegang tot de hierboven genoemde

basisvoorzieningen is verzekerd.

Eiser is van Arabische dan wel Bedoeïenen afkomst. Hij is geboren en getogen in Koeweit. Vanaf zijn vertrek uit Koeweit tot aan zijn komst naar Nederland heeft hij echter in Centraal-Irak gewoond. Niet is gebleken dat hij in

Noord-Irak beschikt over familie-, politieke of gemeenschapsbanden. Verweerder kan er daarom niet zonder meer van uitgaan dat hij zich in Noord-Irak zal kunnen vestigen. Niet is gebleken dat verweerder heeft onderzocht of Noord-Irak

voor eiser, met name in het licht van de aandachtspunten die de UNHCR in dit verband noemt in onder meer de brief van 14 juni 1999, kan gelden als binnenlands vestigingsalternatief. Verweerder heeft derhalve in het bestreden besluit

onvoldoende gemotiveerd waarom in het onderhavige geval geen sprake is van individuele feiten of omstandigheden die er aan in de weg staan dat eiser zich in Noord-Irak vestigt.

15. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken.

Deze kosten zijn begroot op ƒ 1420,-- als kosten van verleende rechtsbijstand.

16. Ingevolge artikel 8:74 lid 1 Awb, dient het griffierecht te worden vergoed door de rechtspersoon, aangewezen door de rechtbank.

De rechtbank beslist daarom als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad ƒ 50,-.

5. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op ƒ 1.420,-- (zegge veertienhonderd en twintig gulden), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier.

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2001, door

mr. T. Luigjes, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S. van Walsum, griffier.

Afschrift verzonden op: 30 januari 2001

Conc: SvW

Coll:

Bp: -

D: B