Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AB0629

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-01-2001
Datum publicatie
18-02-2002
Zaaknummer
AWB 00/6251 RWNL
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Rijkswet op het Nederlanderschap 8
Wet arbeid vreemdelingen 4
Wet arbeid vreemdelingen 4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

sector bestuursrecht

tweede kamer, enkelvoudig

Reg. nr. AWB 00/6251 RWNL

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiser] wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Bij brief van 26 november 1998 heeft eiser om naturalisatie tot Nederlander verzocht.

Bij besluit van 9 november 1999 heeft verweerder dit verzoek afgewezen.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 9 december 1999 bezwaar gemaakt.

Bij brief van 25 mei 2000, ontvangen op 26 mei 2000, heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar.

Bij besluit van 25 mei 2000, aan eiser verzonden op 29 mei 2000, heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Bij brief van 28 juni 2000 heeft de rechtbank partijen te kennen gegeven dat het beroep ingevolge artikel 6:20, vierde lid, van de Awb mede geacht wordt gericht te zijn tegen het besluit van 25 mei 2000.

Eiser heeft bij brief van 5 juli 2000 zijn beroepschrift aangevuld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en tevens bij brief van 9 november 2000 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 22 november 2000 ter zitting behandeld.

Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. H.K. Jap-A-Joe.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door Y.P.M. Daverveldt.

Motivering

1. De rechtbank oordeelt eerst over het beroep, voorzover gericht tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar.

De rechtbank stelt vast dat verweerder de in artikel 7:10, eerste lid, van de Awb gestelde beslistermijn niet in acht heeft genomen. Nu verweerder evenwel op 25 mei 2000 alsnog een reële beslissing op het bezwaar heeft genomen en niet is gebleken van enig rechtens te beschermen belang bij handhaving van het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar, is de rechtbank van oordeel dat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

2. De rechtbank oordeelt vervolgens over het beroep, voorzover gericht tegen het besluit van 25 mei 2000.

Verweerder heeft in dit besluit, kort samengevat, het volgende overwogen. Het naturalisatieverzoek is terecht afgewezen, omdat tegen eisers verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland bedenkingen bestaan als bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: RWN). Op 6 oktober 1993 is eiser een verblijfsvergunning voor het verrichten van werkzaamheden als godsdienstleraar ten behoeve van de vereniging [vereniging] te [woonplaats] verleend, welke vergunning laatstelijk tot 13 november 2000 is verlengd. Na beëindiging van genoemde werkzaamheden dient eiser het land te verlaten. Voorts is het eiser niet toegestaan gedurende het verblijf in Nederland werkzaamheden van andere aard te verrichten. Omdat eiser van 10 juli 1995 tot 1 juli 1998 een tewerkstellingsvergunning heeft gehad en zodanige vergunning voor maximaal drie jaar wordt afgegeven, wordt deze niet opnieuw aan eiser verleend. Eiser was er, gelet op de op 6 oktober 1993 door eiser getekende bewustverklaring, van op de hoogte dat hem slechts verblijf voor bepaalde tijd was toegestaan.

Gelet op het bepaalde in artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb kon van het horen worden afgezien.

Verweerder heeft in het verweerschrift voorts, ter aanvulling op het gestelde in het bestreden besluit, opgemerkt dat eiser nog steeds een tewerkstellingsvergunning nodig heeft.

Eiser heeft, kort samengevat, het volgende tegen het besluit van 25 mei 2000 aangevoerd.

Eiser bestrijdt dat er sprake is van bedenkingen tegen eisers verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland. Hem is een vergunning tot verblijf verleend “voor het verrichten van arbeid al dan niet in loondienst. Arbeid is vrij toegestaan. Een tewerkstellingsvergunning is niet vereist”. Het feit dat een tewerkstellingsvergunning voor maximaal drie jaar wordt afgegeven, weerlegt geenszins waartoe eiser ingevolge de hem verleende verblijfsvergunning is gerechtigd. Zo eiser al een bewustverklaring heeft ondertekend, betekent dit nog niet dat zijn verblijfsvergunning niet kan veranderen.

Eiser wijst er voorts op, onder verwijzing naar de noot in Rechtspraak Vreemdelingenrecht 1997, nr. 41, dat verweerder van zijn standpunt is teruggekomen dat godsdienstleraren niet voor naturalisatie in aanmerking komen.

Ten slotte heeft verweerder naar de mening van eiser de hoorplicht geschonden, nu het bezwaar niet kennelijk ongegrond was.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de RWN komen voor verlening van het Nederlanderschap door naturalisatie slechts in aanmerking verzoekers tegen wier verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland, onderscheidenlijk de Nederlandse Antillen of Aruba, geen bedenkingen bestaan.

In de ‘Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap’ van 3 augustus 1994 (hierna: Handleiding 1994) is ten aanzien van deze bepaling, voorzover hier van belang, het volgende gesteld:

“Indien het een vreemdeling op verblijfsrechtelijke gronden niet is toegestaan om in Nederland te verblijven, zal het verzoek om naturalisatie worden afgewezen.

Het verzoek wordt eveneens afgewezen in het geval een vreemdeling wel in het bezit is van een vergunning tot verblijf, maar deze vergunning een tijdelijk karakter heeft. Voorbeelden van dit soort vergunningen zijn: de vergunning tot verblijf voor studie, voor medische behandeling of voor verblijf als au pair.

Bedacht dient te worden dat iedere vergunning tot verblijf ten hoogste een jaar geldig is en na dat jaar verlengd dient te worden. Uit het enkele feit dat de vergunning slechts een jaar geldig is, kan echter niet worden afgeleid dat het gaat om een vergunning met een tijdelijk karakter.”

De rechtbank stelt vast dat eiser ten tijde van zowel het primaire als het bestreden besluit in het bezit was van een vergunning tot verblijf voor het verrichten van arbeid met de aantekening dat arbeid vrij is toegestaan en geen tewerkstellingsvergunning is vereist.

Zodanige verblijfsvergunning is geen vergunning met een tijdelijk karakter als bedoeld in de Handleiding 1994. Dit neemt niet weg dat aan het bezit van zo’n verblijfsvergunning in een naturalisatieprocedure geen rechten kunnen worden ontleend, indien mocht blijken, zoals verweerder stelt, dat die vergunning ten onrechte is verleend. Verweerder heeft de rechtbank hiervan evenwel niet kunnen overtuigen.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: Wav) is het verbod van een werkgever om een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning niet van toepassing met betrekking tot een vreemdeling die beschikt over een krachtens de Vreemdelingenwet afgegeven vergunning, welke is voorzien van een aantekening van de Minister van Justitie waaruit blijkt dat aan die vergunning geen beperkingen zijn verbonden voor het verrichten van arbeid. Ingevolge artikel 4, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wav is bepaald dat een zodanige aantekening wordt afgegeven aan een vreemdeling die gedurende een ononderbroken tijdvak van drie jaar heeft beschikt over een voor het verrichten van arbeid geldige vergunning tot verblijf en die nadien zijn hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft gevestigd.

Nu tussen partijen niet in geschil is dat eiser op 6 oktober 1993 een vergunning tot verblijf is verleend voor het verrichten van arbeid in loondienst als godsdienstleraar bij de vereniging [vereniging] in [woonplaats], eisers vergunning steeds is verlengd (blijkens het bestreden besluit laatstelijk tot 13 november 2000) en eiser zijn hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft gevestigd, kan de rechtbank, gelet op het dwingendrechtelijke voorschrift van artikel 4, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wav, de stelling van verweerder niet onderschrijven dat in eisers verblijfsvergunning ten onrechte is aangetekend dat arbeid vrij is toegestaan en geen tewerkstellingsvergunning is vereist.

De in B11/5.6 van de Vreemdelingencirculaire opgenomen beleidsregels ten aanzien van godsdienstleraren en geestelijke voorgangers en de overeenkomstig deze beleidsregels door eiser op 6 oktober 1993 ondertekende bewustverklaring, leiden de rechtbank niet tot een ander oordeel. Bedoelde beleidsregels, die overigens vooral ten doel hebben om de komst van godsdienstleraren en geestelijke voorgangers naar Nederland uit een oogpunt van openbare rust en openbare orde in goede banen te leiden, kunnen niet afdoen aan het recht dat betrokkenen, waaronder eiser, na drie jaar verblijf aan het wettelijk voorschrift van artikel 4, tweede lid, aanhef en onder b van de Wav ontlenen.

Overigens is gesteld noch gebleken dat zich ten aanzien van eisers zeven jaar durende verblijf in Nederland als godsdienstleraar feiten of omstandigheden hebben voorgedaan, op grond waarvan er uit een oogpunt van openbare rust en openbare orde bedenkingen tegen eisers verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland zouden bestaan.

Gelet op het vorenstaande kan evenmin met recht worden gesteld dat verweerder vanwege de kennelijke ongegrondheid van het bezwaar van het horen van eiser heeft kunnen afgezien.

Het beroep, voorzover gericht tegen het besluit van 25 mei 2000, dient mitsdien gegrond te worden verklaard en het bestreden besluit dient wegens strijd met de artikelen 7:12 en 7:2 van de Awb te worden vernietigd.

3. De rechtbank acht voorts termen aanwezig verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiser in verband met de behandeling van dit beroep gemaakte kosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op

¦ 1.420,-, te weten ¦ 710,- voor het beroepschrift en aanvullend beroepschrift en ¦ 710,- voor het verschijnen ter zitting bij een zaak van gemiddeld gewicht.

Beslissing

De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar niet-ontvankelijk;

2. verklaart het beroep tegen het besluit van 25 mei 2000 gegrond;

3. vernietigt het besluit van 25 mei 2000;

4. draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

5. bepaalt dat de rechtspersoon de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie) aan eiser het door hem betaalde griffierecht, te weten ¦ 225,-, vergoedt;

6. veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van ¦ 1.420,-, welke kosten voormelde rechtspersoon aan eiser moet vergoeden.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Aldus gegeven door mr. E.J.M. Heijs en in het openbaar uitgesproken op

2 januari 2001, in tegenwoordigheid van de griffier R. Demilt.

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

Verzonden op: