Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AB0578

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-01-2001
Datum publicatie
19-11-2001
Zaaknummer
AWB 99/8034 ABW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gedwongen opname in psychiatrisch ziekenhuis ex 37.1 Sr niet op één lijn te stellen met andere vormen van vrijheidsbeneming als bedoeld in art. 9.1 Abw.

Eiser is bij vonnis van 3 september 1998 een maatregel opgelegd in die zin dat hij ex 37.1 Sr voor de duur van een jaar in een psychiatrisch ziekenhuis is geplaatst. Op 4 januari 1999 is hij overgeplaatst naar een gesloten afdeling en op 29 januari 1999 heeft eiser de inrichting verlaten.

Toekenning bijstandsuitkering van 4 t/m 28 januari 1999 naar de norm zak- en kleedgeld. Vanaf 29 januari 1999 weigering bijstandsuitkering.

De rechtbank is, onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis bij art. 9 Abw (Kamerstukken II, vergaderjaar 1991-1992, 22 545, nr. 3), van oordeel dat de gedwongen opname in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van art. 37.1 Sr niet op één lijn kan worden gesteld met andere vormen van vrijheidsbeneming waarop art. 9.1 Abw, betrekking heeft.

Onlangs is de relatie tussen het begrip "rechtens zijn vrijheid ontnomen" en een gedwongen opname in het kader van de Wet BOPZ dan wel een gedwongen opname met toepassing van art. 37.1 Sr, aan de orde gekomen bij de behandeling van de Wsg. Uit de toelichting bij dit wetsvoorstel blijkt eveneens dat bij een gedwongen opname o.g.v de Wet BOPZ of met toepassing van art. 37.1 Sr, het niet gerechtvaardigd wordt geacht om belanghebbenden uit te sluiten van het recht op een uitkering, aangezien de Staat in deze gevallen niet voorziet in het levensonderhoud van de opgenomen personen. Voorts wordt toegelicht dat het gaat om personen wie hun vrijheidsontneming niet kan worden aangerekend. Het gaat hierbij in feite om een rechterlijke machtiging tot opname in een psychiatrisch ziekenhuis zoals die doorgaans door de civiele rechter op grond van van de Wet BOPZ wordt opgelegd. De wijze van tenuitvoerlegging van deze maatregel vindt ook geheel volgens de bepalingen van de Wet BOPZ plaats, en de last moet in dit kader met de civielrechtelijke machtiging worden gelijkgesteld (Kamerstukken II, 1997-1998, 26 063, nr. 3).

Voor wat betreft de periode vanaf 29 januari 1999 is de rechtbank van oordeel dat duidelijk is dat eiser het psychiatrisch ziekenhuis heeft verlaten met de daarvoor binnen die organisatie vereiste toestemming. Eiser kan derhalve geen tekortschietend besef van verantwoordelijkheid en evenmin een verzuim te voldoen aan de inlichtingenplicht worden verweten.

Beroep gegrond, verweerder dient een nieuw besluit te nemen.

Naast vergoeding griffierecht, veroordeling in proceskosten en renteschade.

Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Den Haag, verweerster.

mrs. C.J. Waterbolk, E.R. Eggeraat, D.A. Verburg

Wetsverwijzingen
Algemene bijstandswet 9
Wetboek van Strafrecht 37
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JABW 2001, 29
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

sector bestuursrecht

eerste kamer, meervoudig

Reg. nr. AWB 99/8034 ABW

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

A, wonende te B, eiser,

en

de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Den Haag, vrouwvrouwverweersterverweerster.

Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 26 februari 1999 heeft verweerster op de aanvraag van 4 januari 1999 om een uitkering krachtens de Algemene bijstandswet (Abw) afwijzend beslist op grond van artikel 9, eerste lid, van de Abw.

Tegen dit besluit manmanheeftheeft manmaneisereiser bij brief van 12 maart 1999 een bezwaarschrift bij verweerster ingediend.

Bij brief van eveneens 12 maart 1999 heeft eiser een verzoek om voorlopige voorziening bij de president van deze rechtbank ingediend.

Bij uitspraak van 26 april 1999 heeft de (fungerend) president het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen en bepaald dat verweerster aan eiser met ingang van 15 maart 1999 tot en met zes weken na de datum van verzending van de beslissing op bezwaar een aanvullende bijstandsuitkering moet toekennen.

Bij besluit van 29 juli 1999, verzonden op 9 augustus 1999, heeft verweerster het bezwaar van eiser gedeeltelijk gegrond verklaard, en aan eiser alsnog met ingang van 4 januari 1999 tot en met 28 januari 1999 een bijstandsuitkering naar de norm zak- en kleedgeld toegekend. Met betrekking tot de periode vanaf 29 januari 1999 is het bezwaar ongegrond verklaard op grond van artikel 9, eerste lid, van de Abw.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 2 september 1999, ingekomen bij de rechtbank op 3 september 1999, en aangevuld bij brief van 21 oktober 1999, beroep ingesteld.

Bij brief van 3 december 1999 heeft eiser een verklaring van het Psycho-Medisch Centrum X ingediend.

vrouwvrouwVerweersterVerweerster heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en tevens bij brief van 26 juni 2000 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 18 december 2000 ter zitting behandeld.

Voor eiser is verschenen zijn advocaat mr. W.M.A. der Weduwe-de Groot.

Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door G.R.L. Berkes.

Motivering

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit, voor zover daarbij ook na heroverweging aan eiser een bijstandsuitkering is geweigerd vanaf 29 januari 1999, in rechte stand kan houden.

Blijkens de stukken is bij vonnis van 3 september 1998 van deze rechtbank aan eiser een maatregel opgelegd, in die zin dat hij met toepassing van artikel 37, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (WvSr) voor de duur van een jaar in een psychiatrisch ziekenhuis is geplaatst. Op 4 januari 1999 is hij overgebracht naar de gesloten afdeling van de inrichting Y, afdeling Psychiatrische Zorg en Drugs (PZD-X) te B. Op 29 januari 1999 heeft eiser, naar zijn zeggen met toestemming van zijn behandelaar, de inrichting verlaten.

Verweerster heeft het bestreden besluit doen steunen op de overweging dat aan eiser krachtens de hem opgelegde maatregel rechtens zijn vrijheid was ontnomen. Dat eiser vanaf 29 januari 1999 niet langer in de inrichting zou hebben verbleven, doet volgens verweerster niet aan af het onvrijwillig karakter van de maatregel. Dit zou slechts anders zijn indien zou blijken dat de behandeling met toestemming van de geneesheer-directeur is gestaakt. Nu eiser een verklaring van die strekking niet heeft kunnen overleggen, moet volgens verweerster worden aangenomen dat eiser ook na 29 januari 1999 rechtens zijn vrijheid was ontnomen, zodat hij op grond van artikel 9, eerste lid, van de Abw niet voor bijstand in aanmerking kwam.

Eiser heeft in beroep (samengevat) aangevoerd dat hij met ingang van 28 januari 1999 voorwaardelijk uit de inrichting is ontslagen, en zich uitsluitend wekelijks behoefde te melden voor ambulante behandeling. Naar zijn mening was hem dan ook niet langer zijn vrijheid ontnomen. Eiser heeft een verklaring overgelegd van de behandelend arts, in overleg met de behandelend psychiater, waarin wordt gesteld dat eiser van 4 januari 1999 tot 18 januari 1999 (de rechtbank leest 28 januari 1999) met een strafrechtelijke machtiging opgenomen is geweest op de afdeling PZD van X.

Naar het oordeel van de rechtbank kan de gedwongen opname in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van artikel 37, eerste lid, van het WvSr niet op één lijn worden gesteld met andere vormen van vrijheidsbeneming waarop artikel 9, eerste lid, van de Abw, betrekking heeft.

Tot dit oordeel komt de rechtbank op grond van de wetsgeschiedenis, met name de toelichting bij artikel 9 van de Abw, waaruit blijkt dat met het begrip “rechtens zijn vrijheid ontnomen” wordt gedoeld op gedetineerden die voor de algemene en bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan vallen onder de financiële verantwoordelijkheid van het Ministerie van Justitie (Kamerstukken II, vergaderjaar 1991-1992, 22 545, nr. 3). In het geval er sprake is van een gedwongen opname met toepassing van artikel 37, eerste lid, van het WvSr wordt in de kosten van levensonderhoud niet door de Staat voorzien; belanghebbende is derhalve aangewezen op een bijstandsuitkering naar de van toepassing zijnde uitkeringsnorm.

Onlangs is de relatie tussen het begrip “rechtens zijn vrijheid ontnomen” en een gedwongen opname in het kader van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet BOPZ) dan wel een gedwongen opname met toepassing van artikel 37, eerste lid, van het WvSr, aan de orde gekomen bij de behandeling van de Wet sociale zekerheidsrechten gedetineerden. Uit de toelichting bij dit wetsvoorstel blijkt eveneens dat bij een gedwongen opname op grond van de Wet BOPZ of met toepassing van artikel 37, eerste lid, van het WvSr, het niet gerechtvaardigd wordt geacht om belanghebbenden uit te sluiten van het recht op een uitkering, aangezien de Staat in deze gevallen niet voorziet in het levensonderhoud van de opgenomen personen. Voorts wordt toegelicht dat het gaat om personen wie hun vrijheidsontneming niet kan worden aangerekend. Het gaat hierbij in feite om een rechterlijke machtiging tot opname in een psychiatrisch ziekenhuis zoals die doorgaans door de civiele rechter op grond van de Wet BOPZ wordt opgelegd. De wijze van tenuitvoerlegging van deze maatregel vindt ook geheel volgens de bepalingen van de Wet BOPZ plaats, en de last moet in dit kader met de civielrechtelijke machtiging worden gelijkgesteld (Kamerstukken II 1997-1998, 26 063, nr. 3).

Overigens merkt de rechtbank op dat verweerster zelf heeft vastgesteld dat eiser gedurende zijn gedwongen opname op de afdeling PZD van X was aangewezen op een bijstandsuitkering aangezien zij eiser een bijstandsuitkering heeft verstrekt naar de norm zak- en kleedgeld gedurende de periode van 4 januari 1999 tot 29 januari 1999.

Voor zover verweerster in haar verweerschrift en ter zitting heeft opgemerkt dat eiser vanaf 29 januari 1999 geen recht op bijstand heeft aangezien hij, door zelf X te verlaten, blijk heeft gegeven van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid, als bedoeld in artikel 14 van de Abw, dan wel, subsidiair, aangezien hij niet heeft voldaan aan de inlichtingenplicht ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw, merkt de rechtbank het volgende op.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met het overleggen van de brief van een van de psychiaters van X van 11 februari 1999 (gedingstuk B14) voldaan aan de plicht die inlichtingen te verschaffen waarom verweerster mocht verzoeken. In elk geval is duidelijk dat eiser het psychiatrisch ziekenhuis heeft verlaten met de daarvoor binnen die organisatie vereiste toestemming. Ook uit de later in het geding ingebrachte brief van de behandelend arts, in samenspraak met voorgenoemde psychiater van de afdeling PZD van X van 18 november 1999 blijkt dat eiser met zo’n toestemming met voorwaardelijk ontslag is gegaan. Eiser kan dus noch tekortschietend besef van verantwoordelijkheid, noch een verzuim te voldoen aan de inlichtingenplicht worden verweten.

Gelet op het vorenstaande berust het bestreden besluit op een onjuiste toepassing van artikel 9, eerste lid, van de Abw. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat het besluit voor vernietiging in aanmerking komt.

Verweerster zal ter uitvoering van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het ingediende bezwaar dienen te nemen, strekkende tot bijstandsverlening met ingang van 29 januari 1999.

Eiser heeft in beroep tevens verzocht verweerster te veroordelen tot betaling van wettelijke rente over de achterstallige uitkeringen.

Onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep overweegt de rechtbank dat verweerster, door eiser per 29 januari 1999 ten onrechte een Abw-uitkering te onthouden, een haar toe te rekenen onrechtmatige daad heeft gepleegd, waaruit voor haar de plicht voortvloeit om aan eiser de schade te vergoeden die deze als gevolg van het besluit lijdt. De rechtbank acht de schade die wordt veroorzaakt door vertraagde uitbetaling van eisers Abw-uitkering, te weten wettelijke rente op de voet van de artikelen 6:119 en 6:120 van het Burgerlijk Wetboek toewijsbaar vanaf de datum dat vanwege verweerster een Abw-uitkering zou zijn uitgekeerd, indien het primaire besluit van 26 februari 1999 zou hebben geluid zoals het rechtens had behoren te luiden. Er van uitgaande dat de uitkering uiterlijk op de laatste dag van de maand had moeten worden uitbetaald, is de eerste dag waarop rente verschuldigd is de daarop volgende dag voor de alsdan verstreken termijn. De rentevergoeding over de volgende termijnen loopt telkens vanaf de eerste dag na afloop van de desbetreffende termijn, tot de dag van algehele voldoening.

De rechtbank ziet aanleiding om verweerster met toepassing van artikel 8:75 Awb te veroordelen in de door eiser in verband met de behandeling van het beroep gemaakte kosten. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op ƒ 1.420,-. Daarbij is één punt toegekend voor het indienen van een beroepsschrift door een advocaat en één punt voor de aanwezigheid ter zitting van de advocaat, met een wegingsfactor voor de zaak van één (gemiddeld) terwijl de waarde per punt ƒ 710,- bedraagt.

Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is afgegeven, dient ingevolge het tweede lid van artikel 8:75 van de Awb de betaling van bovengenoemd bedrag te geschieden aan de griffier van deze rechtbank. Het door eiser betaalde griffierecht dient aan eiser te worden vergoed.

Beslissing

De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerster een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

bepaalt dat de rechtspersoon de gemeente Den Haag aan manmaneisereiser het door manmanhemhem betaalde griffierecht, te weten ¦ 60,- vergoedt;

veroordeelt vrouwvrouwverweersterverweerster in de proceskosten ten bedrage van ¦ 1.420,- onder aanwijzing van de gemeente Den Haag als rechtspersoon die dit bedrag aan de griffier van de rechtbank moet vergoeden;

veroordeelt de gemeente Den Haag tot vergoeding van renteschade als hiervoor aangegeven.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mrs. C.J. Waterbolk, E.R. Eggeraat en D.A. Verburg en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2001, in tegenwoordigheid van de griffier T.A. Willems-Dijkstra.

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

Verzonden op: