Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AB0484

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-02-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
09/028508-00
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ‘S-GRAVENHAGE STRAFSECTOR

POLITIERECHTER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09/028508-00

rolnummer 0022

's-Gravenhage, 23 februari 2001

De politierechter te 's-Gravenhage heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte :

A,

wonende te Leiden.

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 9 februari 2001.

De verdachte, bijgestaan door de raadsman mr. A.B. Baumgarten, is verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr. Steen heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding primair telastgelegde wordt vrijgesproken en dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding subsidiair telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, waarvan 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

De telastlegging.

Aan verdachte is telastgelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A.

Vrijspraak.

De politierechter acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte bij dagvaarding onder primair is telastgelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen.

P.M.

Bewijsoverwegingen.

De raadsman heeft ter terechtzitting namens verdachte bepleit dat vrijspraak dient te volgen van het aan hem bij dagvaarding onder subsidiair telastgelegde. Niet gebleken is immers dat het slachtoffer in een toestand van lichamelijke onmacht verkeerde, nu slaap niet hieronder valt te brengen.

De politierechter overweegt hieromtrent het volgende. De strekking van de verschillende strafbaarstellingen uit titel XIV van het tweede boek van het Wetboek van Strafrecht is om alle seksueel getinte handelingen die niet plaatsvinden met uitdrukkelijke toestemming van beide partijen, die in staat moeten worden geacht hun wil daaromtrent te kunnen bepalen, strafbaar te stellen. Zo hebben verschillende strafbaarstellingen betrekking op het ondergaan van seksuele handelingen onder (bedreiging met) geweld. Verder is strafbaar gesteld het plegen van seksuele handelingen met minderjarigen, die geacht moeten worden niet in vrijheid hun wil te kunnen bepalen. De delictsomschrijving van artikel 243 Wetboek van Strafrecht stelt - voorzover hier van belang - strafbaar het seksueel binnendringen van het lichaam van iemand die in staat van lichamelijke onmacht verkeert. Onder lichamelijke onmacht moet worden verstaan een toestand van fysieke weerloosheid die zijn oorzaak vindt in een bij het slachtoffer zelf bestaand lichamelijk onvermogen tot handelen. Daaronder moet naar het oordeel van de politierechter ook worden verstaan de toestand van (diepe) slaap, waardoor het slachtoffer niet in staat is om zijn vrije wil te bepalen en tegenstand te bieden. Uit de bewijsmiddelen volgt dat het slachtoffer zich in een zodanig diepe slaap bevond, dat zij niet in staat was om te beseffen wat haar overkwam. Daardoor is naar het oordeel van de politierechter sprake van een zodanige toestand van fysieke weerloosheid dat zij niet in staat was om haar vrije wil te bepalen en tegenstand te bieden aan het handelen van verdachte, en derhalve van lichamelijke onmacht, als bedoeld in artikel 243 Wetboek van Strafrecht. Niet relevant is of het slachtoffer door toedoen van de verdachte in die slaaptoestand verkeerde.

Door de verdachte is nog aangevoerd dat het slachtoffer zelf de omstandigheden in het leven heeft geroepen, bestaande uit het brengen van haar gezicht in de richting van verdachte en het vervolgens tuiten van haar lippen, waardoor verdachte in de veronderstelling verkeerde dat zij ermee instemde dat verdachte zijn tong in haar mond bracht.

De politierechter is hieromtrent van oordeel dat de verdachte, door onverhoeds midden in de nacht toenadering te zoeken tot een hem onbekende slapende vrouw die op de plotselinge aanwezigheid van verdachte niet bedacht hoefde te zijn en van wie verdachte wist dat zij in een diepe slaap verkeerde - hij kon haar immers niet wakker krijgen door haar aan haar schouder te schudden - er niet (zonder meer) op heeft mogen vertrouwen dat het slachtoffer toestemming gaf.

De raadsman heeft voorts aangevoerd dat geen sprake was van “seksueel binnendringen”, nu daaronder in het geval van een tongzoen moet worden verstaan het in de mond brengen en houden.

De politierechter verwerpt ook dit verweer. Reeds het zonder instemming in de mond van een ander brengen van de tong levert op het “seksueel binnendringen” als bedoeld in (onder meer) artikel 243 Wetboek van Strafrecht. De stelling dat als extra vereiste zou moeten gelden dat de tong ook in de mond gehouden wordt, vindt geen steun in het recht.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de politierechter op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht de politierechter wettig bewezen, dat verdachte het bij dagvaarding subsidiair vermelde feit heeft begaan, met dien verstande, dat de politierechter bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat het na te melden misdrijf oplevert.

Strafbaarheid van de verdachte.

Verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden, waaronder het is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft, door zijn tong in de mond van het slapende slachtoffer te duwen/brengen, inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Zoals het slachtoffer ten tijde van haar verhoor bij de rechter-commissaris heeft verklaard heeft het gebeurde haar meer geraakt dan zij aanvankelijk had verwacht.

De politierechter heeft acht geslagen op het omtrent verdachte uitgebrachte reclasseringsrapport van het Leger des Heils d.d. 17 januari 2001.

Naar het oordeel van de politierechter is een straf, zoals gevorderd door de officier van justitie, in beginsel passend. Gelet op het feit dat aannemelijk is geworden dat deze veroordeling waarschijnlijk ook gevolgen zal hebben voor de huidige betrekking van verdachte, zal een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd.

De toepasselijke wetsartikelen.

De artikelen:

- 14a, 14b, 14c en 243 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing.

De politierechter,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem bij dagvaarding onder primair telastgelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart in voege als overwogen wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het bij dagvaarding subsidiair telastgelegde feit heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

MET IEMAND VAN WIE HIJ WEET DAT ZIJ IN STAAT VAN LICHAMELIJKE ONMACHT VERKEERT HANDELINGEN PLEGEN DIE BESTAAN UIT HET SEKSUEEL BINNENDRINGEN VAN HET LICHAAM

verklaart het bewezene en verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte te dier zake tot:

gevangenisstraf voor de duur van twee maanden;

bepaalt, dat die straf niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaar vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

in verzekering gesteld op: 24 juli 2000

in vrijheid gesteld op: 24 juli 2000

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mr. Knol, politierechter,

in tegenwoordigheid van mr. Pattiata, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de politierechter in deze rechtbank van 23 februari 2001.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.