Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AB0320

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-01-2001
Datum publicatie
30-08-2002
Zaaknummer
AWB 99/10634
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Driejarenbeleid / Vodu-procedure / tijdsverloop.

Allereerst overweegt de president dat hij verweerder niet kan volgen in zijn primaire verweer, inhoudende dat verzoekers beroep op het driejarenbeleid afstuit op het feit dat inmiddels onherroepelijk op zijn oorspronkelijke aanvragen is beslist. Voorts is de president van oordeel dat het feit dat verzoeker indertijd volgens de vodu-procedure heeft geprocedeerd evenmin aan zijn aanspraak op een vtv-tijdsverloop in de weg kan staan.

Op deze beide punten verenigt de president zich met het oordeel van de president van de rechtbank Haarlem, zoals neergelegd in uitspraak AWB 00/541, 00/537 van 30 oktober 2000. De president neemt deze oordelen over en maakt deze tot de zijne. Aldus ziet de president zich geplaatst voor beantwoording van de vraag wat het lot zou zijn geweest van een door verzoeker ingediend verzoek om een voorlopige voorziening hangende de beroepsprocedure. Deze vraag valt - nu het een fictieve situatie betreft - per definitie niet met zekerheid te beantwoorden. Met verzoeker is de president echter van oordeel dat er in het onderhavige geval redelijkerwijs van uit kan worden gegaan dat, indien verzoeker ten tijde van de indiening van zijn beroepschrift tevens een verzoek om een voorlopige voorziening zou hebben ingediend, dit verzoek zou zijn toegewezen. Hiervoor acht de president - in onderling verband bezien - de beide volgende omstandigheden redengevend. Uit de gedingstukken blijkt dat het onderzoek in verzoekers beroep door de rechtbank 's-Hertogenbosch, na behandeling ter zitting op 22 juli 1997, op 22 augustus 1997 is heropend. Reden hiervoor was, dat door de rechtbank Zwolle en de rechtbank 's-Hertogenbosch vragen waren gesteld aan verweerder over de situatie van de Tamils in Sri Lanka. De antwoorden op deze vragen werden ook van belang geacht voor de beoordeling van verzoekers beroep. Voorts blijkt uit de door verzoeker overgelegde jurisprudentie dat in de betreffende periode verzoeken om een voorlopige voorziening, ingediend door Sri Lankaanse asielzoekers behorend tot de categorie van verzoeker - dat wil zeggen: jonge mannelijke Tamils die niet oorspronkelijk afkomstig waren uit Colombo - zijn toegewezen. Wat betreft de lange duur van de beroepsprocedure overweegt de president het volgende. Met verweerder is de president van oordeel dat het voor verzoekers aanspraak op een vtv-tijdsverloop van belang zou kunnen zijn, of de beroepsprocedure door oorzaken die voor verzoekers rekening komen - bijvoorbeeld verzoeken om aanhouding die verband hielden met omstandigheden die verzoeker(s gemachtigde) persoonlijk betroffen - zo lang heeft geduurd dat de uitspraak in beroep over de driejarentermijn is getild. Met het oog hierop heeft de president ambtshalve informatie ingewonnen bij de zittingsplaats 's-Hertogenbosch omtrent de datum waarop in de overige heropende zaken in beroep is beslist. Gebleken is dat de uitspraken in beroep in het overgrote deel van deze zaken zijn gedaan in dezelfde periode als in verzoekers zaak. Gelet hierop kan worden aangenomen dat de lange duur van verzoekers beroepsprocedure - wat daarvan ook de oorzaak mag zijn geweest - in ieder geval niet op het conto van verzoeker kan worden geschreven. Toewijzing verzoek.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

President van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer

__________________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:84 Algemene wet bestuursrecht

juncto artikel 33a Vreemdelingenwet

__________________________________________________

Reg.nr : AWB 99/10634 VRWET

Inzake : A, verzoeker, woonplaats kiezende ten kantore van zijn gemachtigde, mr. R. Heringa, advocaat te Alkmaar,

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. J. van Duijvendijk-Brand, advocaat te Den Haag.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Verzoeker, geboren op [...] 1972, bezit de Srilankaanse nationaliteit. Hij verblijft sedert 7 maart 1995 als vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet (Vw) in Nederland. Op 7 maart 1995 heeft hij een aanvraag ingediend om

toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard. Deze aanvraag is door verweerder bij beslissing van 13 december 1996 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit

heeft verzoeker een bezwaarschrift bij verweerder ingediend. Bij beslissing van 13 december 1996 heeft verweerder verzoekers bezwaren ongegrond verklaard.

Bij brief van 18 december 1996 is tegen deze beslissing namens verzoeker een beroepschrift bij de rechtbank ingediend. Bij uitspraak van 24 juni 1998 heeft deze rechtbank, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, verzoekers beroep ongegrond

verklaard. Op 28 juli 1998 heeft verzoeker wederom een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard.

Hierop is door verweerder op 23 augustus 1999 afwijzend beslist. Verzoeker heeft tegen dit besluit bij brief van 16 september 1999 een bezwaarschrift ingediend en dit bij brief van 8 oktober 1999 nader aangevuld. Verweerder heeft op

grond van artikel 32 Vw bepaald dat uitzetting gedurende de periode dat het bezwaar aanhangig is, niet achterwege zal worden gelaten.

2. Op 27 oktober 1999 heeft verzoeker de president van de rechtbank verzocht een voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting achterwege te laten, totdat op zijn bezwaarschrift is beslist. Verweerder heeft de op de zaak

betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek alsmede ongegrondverklaring van verzoekers bezwaren.

3. De openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 6 november 2000. Verzoeker is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. P.M. Berkhoff-Sprey, die optrad namens verzoekers gemachtigde. Verweerder heeft zich

doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig een tolk.

De president heeft het onderzoek ingevolge artikel 8:64 van de Algemene Wet bestuursrecht (Awb) geschorst in afwachting van nadere informatie van partijen.

Na ontvangst van evengenoemde informatie heeft de president, ingevolge het vijfde lid van laatstgenoemd artikel, met toestemming van partijen het onderzoek gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1. Ingevolge artikel 8:81 Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president

van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. In het kader van de uitzetting moet daarbij worden getoetst aan artikel 32, eerste lid, Vw. Ingevolge deze bepaling blijft uitzetting gedurende de periode dat het bezwaar of het administratief beroep aanhangig is achterwege

indien:

a. de vreemdeling een aanvraag heeft gedaan als bedoeld in artikel 15 Vw, tenzij er in redelijkheid geen twijfel over kan bestaan dat geen gevaar bestaat voor vervolging als omschreven in dat artikel;

b. de vreemdeling enige andere aanvraag om toelating heeft gedaan terwijl er aanleiding bestaat om aan te nemen dat het bezwaar of het administratief beroep, dat gericht is tegen de beschikking die strekt tot weigering van

toelating, een redelijke kans van slagen heeft.

3. Verzoeker stelt dat hij in aanmerking komt voor toelating in Nederland.

Daartoe heeft hij aangevoerd - kort weergegeven - dat hij van Tamilafkomst is en in zijn land van herkomst het risico van vervolging loopt, zowel van de zijde van de Srilankaanse autoriteiten als van de zijde van de Tamil Tijgers.

Voorts is verzoeker van mening dat hij ingevolge het driejarenbeleid in aanmerking komt voor verblijf hier te lande. Deze aanspraak motiveert verzoeker als volgt. Zijn oorspronkelijke aanvragen om toelating dateren van 7 maart 1995,

terwijl daar eerst op 24 juni 1998 (datum uitspraak in beroep), derhalve na meer dan drie jaar, onherroepelijk op is beslist.

Nu het beroep ongegrond werd verklaard, terwijl verzoeker de uitspraak op zijn beroep in Nederland mocht afwachten ingevolge de zogenaamde voduproc-regeling, dient volgens verzoeker de vraag te worden beantwoord in hoeverre een

verzoek om een voorlopige voorziening hangende beroep kans van slagen zou hebben gehad. Verzoeker is van mening dat deze vraag in zijn geval bevestigend moet worden beantwoord, nu destijds de rechtbank na behandeling ter zitting

niet meteen tot een uitspraak heeft kunnen komen, doch het onderzoek heeft heropend teneinde verweerder nadere vragen voor te leggen. Voorts heeft verzoeker een aantal uitspraken uit de betreffende periode overgelegd, houdende

toewijzingen van door Srilankaanse asielzoekers ingediende verzoeken om een voorlopige voorziening.

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat verzoeker niet voor toelating in aanmerking komt en dat uitzetting niet achterwege behoeft te blijven.

Voor zover hier van belang stelt verweerder dat verzoeker niet voldoet aan het driejarenbeleid. Hiertoe voert verweerder primair aan, dat verzoeker thans geen aanspraak meer heeft op een vtv-tijdsverloop, omdat er inmiddels

onherroepelijk is beslist op zijn oorspronkelijke aanvragen om toelating. Verzoeker verkeert derhalve niet meer in onzekerheid omtrent zijn verblijfsrechtelijke positie, terwijl die onzekerheid nu juist de basis is van een

vtv-tijdsverloop. Subsidiair stelt verweerder zich op het standpunt dat verzoeker - zo zijn beroep op het driejarenbeleid niet als tardief moet worden beschouwd - geen aanspraak op toelating ingevolge dit beleid kan maken.

Verweerder baseert zich hierbij op de uitspraak van de Rechtseenheidskamer voor vreemdelingenzaken van deze rechtbank (REK) van 13 maart 1997 (NAV 1997, nr. 3, p. 273-276), met betrekking tot Srilankaanse asielzoekers, inhoudende

dat het relevant tijdsverloop in maart 1997 eindigde, welk tijdstip valt binnen drie jaren na indiening van verzoekers oorspronkelijke aanvragen om toelating. Voorts betoogt verweerder dat het feit dat verzoeker destijds in beroep

procedeerde volgens de voduproc-regeling thans in de weg staat aan zijn beroep op het driejarenbeleid. Ingevolge deze regeling behoefde verzoeker geen verzoek om een voorlopige voorziening in te dienen teneinde de uitspraak op zijn

beroep in Nederland te kunnen afwachten. Achteraf kan niet meer worden beoordeeld of een dergelijk verzoek al dan niet zou zijn toegewezen. Immers, hoe kan worden bepaald wat een fictieve president op een fictief moment zou hebben

geoordeeld over de vraag of er in redelijkheid twijfel over zou kunnen bestaan dat verzoeker geen gevaar voor vervolging zou lopen? Verder stelt verweerder dat - zou verzoeker indertijd om een voorlopige voorziening hebben verzocht

- dit verzoek niet zonder meer zou zijn toegewezen. In de periode hangende de beroepsprocedure van verzoeker werden niet alle verzoeken om een voorlopige voorziening afkomstig van Srilankaanse asielzoekers gehonoreerd. Tot slot

heeft verweerder aangevoerd dat de beroepsprocedure van verzoeker exceptioneel lang heeft geduurd. Dit heeft niet aan verweerder gelegen. Verweerder heeft reeds op 27 augustus 1997 antwoord gegeven op de hem door de rechtbank

gestelde vragen. Deze datum ligt ruim voor het vollopen van de driejarentermijn. In principe zou de rechtbank na deze datum snel tot een beslissing hebben kunnen komen.

5. Ten aanzien van de aanspraak van verzoeker op een vtv-tijdsverloop overweegt de president het volgende.

Het driejarenbeleid is neergelegd in de Vreemdelingencirculaire hoofdstuk A4/6.22. Onder paragraaf 2 is bepaald dat het enkele tijdsverloop in een verblijfsrechtelijke procedure in het algemeen geen reden is om tot

verblijfsaanvaarding over te gaan. Voorts zijn de drie cumulatieve voorwaarden opgesomd die kunnen leiden tot afgifte van een vergunning, te weten:

1. Er zijn tenminste drie jaren verstreken na de datum van de aanvraag om toelating en de vreemdeling heeft nog geen beslissing of nog geen onherroepelijke beslissing op zijn aanvraag ontvangen, terwijl het oorspronkelijk beoogde

verblijfsdoel nog steeds van toepassing is.

2. De uitzetting is om beleidsmatige redenen achterwege gebleven, dat wil zeggen om een reden die verband houdt met verblijfsdoel.

3. Er is geen sprake van contra-indicaties.

Allereerst overweegt de president dat hij verweerder niet kan volgen in zijn primaire verweer, inhoudende dat verzoekers beroep op het driejarenbeleid afstuit op het feit dat inmiddels onherroepelijk op zijn oorspronkelijke

aanvragen is beslist.

Voorts is de president van oordeel dat het feit dat verzoeker indertijd volgens de voduproc-regeling heeft geprocedeerd evenmin aan zijn aanspraak op een vtv-tijdsverloop in de weg kan staan.

Op deze beide punten verenigt de president zich met het oordeel van de president van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, zoals neergelegd in de rechtsoverwegingen 2.6 en 2.7 van zijn uitspraak van 30 oktober 2000 (JV 2000/S299).

De president neemt deze oordelen over en maakt deze tot de zijne.

Aldus ziet de president zich geplaatst voor beantwoording van de vraag wat het lot zou zijn geweest van een door verzoeker ingediend verzoek om een voorlopige voorziening hangende de beroepsprocedure.

Deze vraag valt - nu het een fictieve situatie betreft - per definitie niet met zekerheid te beantwoorden. Met verzoeker is de president echter van oordeel dat er in het onderhavige geval redelijkerwijs van uit kan worden gegaan

dat, indien verzoeker ten tijde van de indiening van zijn beroepschrift tevens een verzoek om een voorlopige voorziening zou hebben ingediend, dit verzoek zou zijn toegewezen.

Hiervoor acht de president - in onderling verband bezien - de beide volgende omstandigheden redengevend.

Uit de gedingstukken blijkt dat het onderzoek in verzoekers beroep door deze rechtbank, zittingsplaats Den Bosch, na behandeling ter zitting op 22 juli 1997, op 22 augustus 1997 is heropend. Reden hiervoor was, dat van de zijde van

de rechtbank door zowel zittingsplaats Zwolle als zittingsplaats 's-Hertogenbosch vragen waren gesteld aan verweerder over de situatie van de Tamils in Sri Lanka. De antwoorden op deze vragen werden ook van belang geacht voor de

beoordeling van verzoekers beroep.

Voorts blijkt uit de door verzoeker overgelegde jurisprudentie dat in de betreffende periode verzoeken om een voorlopige voorziening, ingediend door Srilankaanse asielzoekers behorend tot de categorie van verzoeker

- dat wil zeggen: jonge mannelijke Tamils die niet oorspronkelijk afkomstig waren uit Colombo - zijn toegewezen.

Wat betreft de lange duur van de beroepsprocedure overweegt de president het volgende. Met verweerder is de president van oordeel dat het voor verzoekers aanspraak op een vtv-tijdsverloop van belang zou kunnen zijn, of de

beroepsprocedure door oorzaken die voor verzoekers rekening komen - bijvoorbeeld verzoeken om aanhouding die verband hielden met omstandigheden die verzoeker(s gemachtigde) persoonlijk betroffen - zo lang heeft geduurd dat de

uitspraak in beroep "over de driejarentermijn is getild". Met het oog hierop heeft de president ambtshalve informatie ingewonnen bij de zittingsplaats 's-Hertogenbosch omtrent de datum waarop in de overige heropende zaken in beroep

is beslist. Gebleken is dat de uitspraken in beroep in het overgrote deel van deze zaken zijn gedaan in dezelfde periode als in verzoekers zaak. Gelet hierop kan worden aangenomen dat de lange duur van verzoekers beroepsprocedure -

wat daarvan ook de oorzaak mag zijn geweest - in ieder geval niet op het conto van verzoeker kan worden geschreven.

6. De president komt tot de slotsom dat het bezwaar van verzoeker, waar het betreft zijn beroep op het driejarenbeleid, een redelijke kans van slagen heeft.

7. Gelet op het vorenstaande dient het verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht te worden toegewezen.

8. Van omstandigheden op grond waarvan één der partijen moet worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte kosten is de president niet gebleken.

III. BESLISSING

De president:

RECHT DOENDE:

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe.

IV. RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Aldus gedaan door mr. M.C.R. Derkx en uitgesproken in het openbaar op

11 januari 2001, in tegenwoordigheid van J.J. Kip, griffier.

afschrift verzonden op: