Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AB0317

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-01-2001
Datum publicatie
07-02-2002
Zaaknummer
AWB 00/388
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ongewenstverklaring / opheffing / ernstig geweldsmisdrijf?

In geschil is of het strafbare feit waarvoor eiser is veroordeeld is aan te merken als ernstig geweldsmisdrijf in welk geval de ongewenstverklaring in elk geval na een termijn van tien jaar verblijf buiten Nederland wordt opgeheven.

Verweerder heeft zich in het besluit in eerste aanleg en in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de veroordeling van eiser valt onder de categorie, vermeld in hoofdstuk A5/6.4 onder a, Vc-1994. Hij heeft daarbij echter niet aangeven waarom het door eiser begane misdrijf als ernstig geweldsmisdrijf dient te worden aangemerkt. In het verweerschrift heeft verweerder naar voren gebracht dat het door eiser gepleegde strafbare feit in alle redelijkheid kan worden gezien als een ernstig geweldsmisdrijf, nu sprake is van geweld tegen personen. Bij brief van 7 november 2000 heeft verweerder zich daarentegen op het standpunt gesteld dat ieder geweldsmisdrijf als ernstig moet worden aangemerkt.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee onvoldoende gemotiveerd dat het door eiser begane misdrijf als ernstig dient te worden aangemerkt. Het standpunt van verweerder dat ieder geweldsmisdrijf als ernstig moet worden aangemerkt kan niet worden aanvaard, nu dit niet in overeenstemming is met de terminologie van de Vc-1994. Daarin is immers onderscheid gemaakt tussen geweldsmisdrijven en ernstige geweldsmisdrijven. Naar het oordeel van de rechtbank zal verweerder derhalve nader uiteen dienen te zetten wanneer een geweldsmisdrijf als ernstig moet worden aangemerkt en daarbij dienen aan te geven of een geweldsmisdrijf als ernstig moet worden aangemerkt op grond van het strafmaximum dat op een strafbaar feit is gesteld dan wel op grond van de opgelegde straf. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

enkelvoudige kamer

Uitspraak

artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr.: AWB 00/388 VRWET

inzake : A, wonende te Suriname, eiser,

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiser, geboren op [...] 1962, bezit de Surinaamse nationaliteit. Bij brief van

15 oktober 1998 heeft eiser een verzoek ingediend om opheffing van de ongewenstverklaring ex artikel 21 aanhef en onder b Vw. Bij besluit van 18 maart 1999 heeft verweerder op deze aanvraag afwijzend beslist. Eiser heeft tegen dit

besluit bezwaar gemaakt bij bezwaarschrift van 8 april 1999. Dit bezwaar is bij besluit van 21 december 1999 ongegrond verklaard.

2. Bij beroepschrift van 18 januari 2000, aangevuld met gronden bij brief van 18 februari 2000, heeft eiser tegen dit afwijzende besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. In beroep heeft eiser verzocht het beroep gegrond te

verklaren. Op 8 mei 2000 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 5 juli 2000 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 augustus 2000. Eiser is aldaar vertegenwoordigd door mr. W.M. Blaauw, advocaat te Amsterdam. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door gemachtigde mr. B.J. Dijkman,

ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van verweerders ministerie. Tevens was ter zitting aanwezig B, de echtgenote van eiser.

4. Bij uitspraak van 26 september 2000 heeft de rechtbank het onderzoek heropend teneinde nadere inlichtingen in te winnen.

5. Bij brief van 7 november 2000 heeft verweerder zijn standpunt nader toegelicht. Bij brief van 9 november 2000 heeft eiser zijn standpunt nader toegelicht. Partijen hebben toestemming gegeven dat de zaak zonder een nadere zitting

wordt afgedaan. Het onderzoek is vervolgens gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

2. Bij de beantwoording van die vraag gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.

Eiser is op 3 juni 1986 Nederland ingereisd. Op 9 februari 1988 heeft hij verzocht om verlening van een vergunning tot verblijf voor het verrichten van arbeid in loondienst.

Op 11 januari 1989 is op dit verzoek afwijzend beslist. Het verzoek om herziening van dit besluit is bij besluit van 1 augustus 1989 afgewezen.

Op 7 december 1990 is eiser gehuwd met de Nederlandse B. Uit dit huwelijk zijn vier kinderen geboren, te weten C en D, beiden geboren op [...] 1990, en E en F, beiden geboren op [...] 1994.

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 1 oktober 1987 van de Arrondissementsrechtbank te Haarlem is eiser veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, terzake van het plegen van diefstal

met geweld. Bij besluit van 26 september 1989, aan eiser in persoon uitgereikt op 12 februari 1991, is eiser ongewenst verklaard ex artikel 21 aanhef en onder b Vw. Bij uitspraak van 21 december 1993 heeft de Afdeling rechtspraak

van de Raad van State het beroep van eiser gericht tegen het besluit tot afwijzing van het verzoek om herziening van het besluit van

26 september 1989, waarbij verweerder eiser ongewenst heeft verklaard, verworpen.

Op 14 september 1994 is eiser uit Nederland verwijderd.

Bij brief van 11 mei 1995 heeft eiser een verzoek ingediend om opheffing van de ongewenstverklaring ex artikel 21 Vw. Bij brief van 5 september 1995 heeft verweerder op dit verzoek afwijzend beslist.

Bij brief van 15 oktober 1998 heeft eiser het onderhavige verzoek ingediend om opheffing van de ongewenstverklaring ex artikel 21 Vw.

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser op 14 september 1994 uit Nederland is verwijderd en dat de ongewenstverklaring in principe eerst na een verblijf buiten Nederland van tien jaar, dus na 14 september 2004, kan

worden opgeheven. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die tot afwijking van het terzake gevoerde beleid nopen.

In het verweerschrift heeft verweerder naar voren gebracht dat uit artikel 312, lid 2, onder 2 van het Wetboek van Strafrecht volgt dat hierop een gevangenisstraf staat van ten hoogste twaalf jaar of een geldboete van de vijfde

categorie. Een dergelijk misdrijf kan door verweerder dan ook in alle redelijkheid worden gezien als een ernstig geweldsmisdrijf zoals bedoeld in hoofdstuk A5/6.4 van de Vc 1994, nu sprake is van geweld tegen personen. Voorts

bestrijdt verweerder de stelling dat in het bestreden besluit is getoetst aan een strikter criterium dan in de Vc is opgenomen. De Vc geeft immers niet aan onder welke omstandigheden de ongewenstverklaring binnen tien jaar moet

worden opgeheven, zodat de Vc verweerder hier de ruimte geeft om te beslissen zoals in dit geval is gebeurd. Voorts heeft eiser op 9 februari 1988 bij de korpschef een verzoek ingediend om verlening van een vergunning tot verblijf

met als doel: "arbeid in loondienst". De ongewenstverklaring dateert vervolgens van 26 september 1989. Dit besluit is daarna op 12 februari 1991 aan eiser in persoon uitgereikt. Uit het procesdossier blijkt dat deze uitreiking door

toedoen van eiser zelf is vertraagd doordat hij niet reageerde op vorderingen van de vreemdelingendienst om zich te melden. Verweerder gaat derhalve voorbij aan de stelling van eiser dat het tijdstip van de ongewenstverklaring niet

voor zijn rekening dient te komen.

Bij brief van 7 november 2000 heeft verweerder naar voren gebracht dat ingevolge het bepaalde in hoofdstuk A5/6.4 Vc 1994 de ongewenstverklaring op een daartoe strekkend verzoek in elk geval wordt opgeheven in geval van ernstige

geweldsmisdrijven of handel in verdovende middelen na een termijn van tien jaar buiten Nederland en in geval van veroordeling wegens andere misdrijven na een termijn van vijf jaar buiten Nederland. Bij het opstellen van het beleid

is door verweerder niet beoogd een onderscheid te maken tussen enerzijds geweldsmisdrijven die als ernstig worden beschouwd en handel in verdovende middelen en anderzijds andere misdrijven, waaronder dan geweldsmisdrijven zouden

kunnen vallen die niet als ernstig worden beschouwd. Als ernstig worden aangemerkt: geweldsmisdrijven en handel in verdovende middelen. Het gaat dan om alle (soorten) geweldsmisdrijven ongeacht het karakter ervan, de

strafbedreiging, de strafmaat of enig ander onderscheidend kenmerk. Verweerder heeft derhalve niet bedoeld geweldsmisdrijven per categorie geweldsmisdrijf als ernstig of minder ernstig te kwalificeren.

4. Eiser meent dat verweerder ten onrechte niet nader heeft gemotiveerd waarom het misdrijf dat eiser heeft gepleegd valt onder de categorie ernstige geweldsmisdrijven en niet onder de categorie andere misdrijven als bedoeld in

hoofdstuk A5/6.4 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 1994. Uit niets blijkt waarom het door eiser gepleegde delict als `ernstig' dient te worden beschouwd. Voorts is in het bestreden besluit opgemerkt dat de ongewenstverklaring in

principe eerst na een verblijf buiten Nederland van tien jaar kan worden opgeheven. Dit is een ander criterium dan in de Vc wordt gehanteerd, namelijk dat op een daartoe verstrekkend verzoek de ongewenstverklaring in elk geval wordt

opgeheven na vijf of tien jaar. In het bestreden besluit wordt uitgegaan van het criterium dat binnen de termijn van tien jaar eerst tot opheffing van de maatregel mag worden overgegaan indien er sprake is van dermate uitzonderlijke

feiten en gebeurtenissen die schrijnend van karakter zijn. Verweerder heeft het verzoek om opheffing dan ook aan een strikter criterium getoetst dan in het beleid is opgenomen. Voorts was het voor verweerder mogelijk geweest om

vanaf 9 februari 1988 (de dag dat eiser zich tot de politie heeft gewend) over te gaan tot ongewenstverklaring. Dat verweerder dit eerst drie jaar later heeft gedaan, namelijk op 12 februari 1991, dient niet voor rekening van eiser

te komen. Derhalve is het niet redelijk dat verweerder de datum van 12 september 2004 als datum neemt waarop de ongewenstverklaring verstrijkt.

Bij brief van 9 november 2000 heeft eiser naar voren gebracht dat verweerder geen enkele nadere onderbouwing geeft voor het argument dat het woord `ernstig' abusievelijk is opgenomen in de Vc, terwijl noch uit de jurisprudentie noch

uit handelingen van de Tweede Kamer een aanwijzing is te vinden dat het woord `ernstig' een misslag betreft.

De rechtbank overweegt het volgende.

5. Een vreemdeling die ongewenst is verklaard met toepassing van artikel 21 Vw kan opheffing van deze maatregel vragen. Ingevolge het beleid van verweerder, zoals neergelegd in hoofdstuk A5/6.4 van de Vc 1994, wordt op een daartoe

strekkend verzoek de ongewenstverklaring in elk geval opgeheven:

a. in geval van veroordeling wegens ernstige geweldsmisdrijven of handel in verdovende middelen na een termijn van tien jaar verblijf buiten Nederland;

b. in geval van veroordeling wegens andere misdrijven na een termijn van vijf jaar buiten Nederland.

6. In geschil is of verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft kunnen stellen dat het strafbare feit waarvoor eiser is veroordeeld is aan te merken als ernstig geweldsmisdrijf in welk geval de ongewenstverklaring in elk

geval na een termijn van tien jaar verblijf buiten Nederland wordt opgeheven.

Verweerder heeft zich in het besluit in eerste aanleg en in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de veroordeling van eiser valt onder de hierboven onder a. genoemde categorie, maar heeft daarbij niet aangeven waarom

het door eiser begane misdrijf als ernstig geweldsmisdrijf dient te worden aangemerkt. In het verweerschrift heeft verweerder naar voren gebracht dat het door eiser gepleegde strafbare feit in alle redelijkheid kan worden gezien als

een ernstig geweldsmisdrijf, nu sprake is van geweld tegen personen. Bij brief van 7 november 2000 heeft verweerder zich daarentegen op het standpunt gesteld dat ieder geweldsmisdrijf als ernstig moet worden aangemerkt.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee onvoldoende gemotiveerd dat het door eiser begane misdrijf als ernstig dient te worden aangemerkt. Het standpunt van verweerder dat ieder geweldsmisdrijf als ernstig moet

worden aangemerkt kan niet worden aanvaard, nu dit niet in overeenstemming is met de terminologie van de Vc. Daarin is immers onderscheid gemaakt tussen geweldsmisdrijven en ernstige geweldsmisdrijven. Naar het oordeel van de

rechtbank zal verweerder derhalve nader uiteen dienen te zetten wanneer een geweldsmisdrijf als ernstig moet worden aangemerkt en daarbij dienen aan te geven of een geweldsmisdrijf als ernstig moet worden aangemerkt op grond van het

strafmaximum dat op een strafbaar feit is gesteld dan wel op grond van de opgelegde straf.

7. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit een deugdelijke motivering ontbeert. Het beroep is mitsdien gegrond en het berstreden besluit zal worden vernietigd.

8. Gelet op het vorenstaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken.

Deze kosten zijn begroot opƒ 1.420,-- als kosten van verleende rechtsbijstand.

9. Ingevolge artikel 8:74, eerste lid van de Awb dient het griffierecht te worden vergoed door de rechtspersoon, aangewezen door de rechtbank.

III. BESLISSING

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad ƒ 225,-- (zegge: tweehonderdenvijfentwintig gulden);

- veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, begroot op ƒ 1.420,-- (zegge: veertienhonderdentwintig gulden), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier.

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 2 januari 2001, door

mr. F. Salomon, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Sulsters, griffier.

Afschrift verzonden op: 4 januari 2001

Conc.: es

Coll:

Bp:

D: b