Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AB0090

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-01-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/76086, 00/76084
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

AC-procedure / Armenië / Azeri / geloofwaardigheid asielrelaas.

De president stelt vast dat verzoekers uitgebreide en consistente verklaringen hebben afgelegd, aangaande de dood van hun zoon en de problemen die zij vanwege de etnische afkomst van verzoeker hebben moeten doorstaan. Voorts zijn de relazen onderling samenhangend te noemen. Bovendien passen de verklaringen van verzoekers over het aannemen van nieuwe (Armeense) personalia in het beeld dat wordt geschetst in het ambtsbericht van 22 mei 2000 over de situatie in Armenië. Hoewel met verweerder moet worden geoordeeld dat de relazen op bepaalde punten vragen oproepen, kan niet worden gesteld dat deze relazen bij voorbaat als ongeloofwaardig kunnen worden afgedaan en kan evenmin worden geoordeeld dat het niet overleggen van documenten ter staving van hun relazen volledig aan verzoekers is toe te rekenen. Teneinde de door verzoekers afgelegde verklaringen op juiste waarde te schatten, is de president van oordeel dat in deze zaak nader onderzoek dient te worden uitgevoerd. Toewijzing verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

President van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak ingevolge de artikelen 8:84, eerste lid, juncto 8:67 Algemene wet bestuursrecht en 33a Vreemdelingenwet

Reg.nr.: AWB 00/76086 en 00/76084 VRWET

Inzake: A en B, verzoekers, gemachtigde mr. B.F.Th. de Roos,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. L.C. Bannink.

1. ZITTING

Datum: 5 januari 2000.

Zitting hebben:

mr. M.A.A. Mondt-Schouten, president,

mr. E. Witvoet, griffier.

Ter zitting zijn verschenen verzoekers in persoon, bijgestaan door hun gemachtigde, en verweerder bij gemachtigde.

Als tolk is verschenen S. Haroutycunian.

Na het onderzoek ter zitting te hebben gesloten, heeft de president partijen medegedeeld dat op 11 januari 2001 om 14.00 uur mondeling uitspraak wordt gedaan. De uitspraak luidt als onder 3. vermeld.

2. OVERWEGINGEN

In geschil is de niet-inwilliging d.d. 21 december 2000 van de aanvragen van verzoekers om toelating als vluchteling en in verband daarmee verweerders besluit dat de beslissing op het bezwaar hier te lande niet mag worden afgewacht.

Verzoekers hebben ter onderbouwing van hun asielaanvragen het volgende aangevoerd. Verzoeker stelt de Armeense nationaliteit te bezitten en tot de Azeri bevolkingsgroep te behoren. Hij is als kind door zijn ouders onder een Armeense

naam in een weeshuis ondergebracht. Reeds op jeugdige leeftijd is verzoeker verteld dat hij van Azerische afkomst is. Tengevolge van de onlusten in Azerbeidzjan in 1988 werden de Azeri's uit Hamasja verdreven. Verzoeker is toen naar

een vriend in Leninakan gegaan. Na de aardbeving in 1988 in Leninakan hebben verzoekers zich als Armeense vluchtelingen onder valse personalia uit Azerbeidzjan aangemeld bij het Vluchtelingenbureau. Zij hebben toen al hun documenten

verbrand om hun verleden uit te wissen. Sindsdien bezitten verzoekers een vluchtelingenkaart die zij ieder jaar moesten verlengen. De oudste zoon van verzoekers is in 1991 opgepakt door militairen en meegenomen om te strijden in het

Armeense leger in Karabach. Verzoekers hebben nooit meer iets over hem vernomen. De jongste zoon van verzoekers diende ook zijn militaire dienstplicht te vervullen. Op 17 juli 2000 werden verzoekers geconfronteerd met de dood van

deze zoon, toen militairen zijn stoffelijk overschot thuis kwamen brengen. Deze militairen verklaarden dat hij was neergeschoten tijdens het wachtlopen. De problemen van verzoekers zijn begonnen op 13 november 2000. Op die dag kwam

een vriend van hun overleden zoon langs. Deze vertelde aan verzoekers dat hun zoon door de andere militairen was gedood, nadat een militair (een oud klasgenoot van de zoon) over hem had verteld dat hij een Azeri-vader had. Verzoeker

is de volgende dag naar het Militaire commissariaat gegaan en hij heeft om uitleg gevraagd. De medewerkers van het commissariaat bedreigden verzoeker en gooiden hem het kantoor van het commissariaat uit. Op 15 november 2000 is hij

door dorpsbewoners, die op de hoogte bleken te zijn van verzoekers etnische afkomst, mishandeld. De politie heeft verzoeker toen uit de menigte gehaald en hem meegenomen naar het bureau. Daar heeft hij zijn verhaal verteld. De

politie verklaarde hierop dat ze het incident betreurden, maar dat zij hem niet konden helpen noch konden beschermen tegen de bevolking. Zij raadden verzoekers aan om het land te verlaten. Die nacht werd de woning van verzoekers

door dorpsbewoners aangevallen. Hierop zijn zij gevlucht.

Verweerder heeft de aanvragen kennelijk ongegrond verklaard met toepassing van artikel 15c, eerste lid, aanhef en onder f,Vreemdelingenwet (Vw). Voornoemd artikel bepaalt dat een aanvraag om toelating als vluchteling niet wordt

ingewilligd wegens kennelijke ongegrondheid ervan indien de vreemdelingen ter staving van hun aanvraag geen reis- of identiteitspapieren, documenten of bescheiden kunnen overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van hun

aanvraag om toelating, tenzij de vreemdelingen aannemelijk kunnen maken dat het ontbreken van deze documenten niet aan hen is toe te rekenen.

Per 1 februari 1999 is de Vreemdelingenwet gewijzigd in bovengenoemde zin. Verweerder interpreteert artikel 15c, eerste lid, aanhef en onder f, Vw, blijkens het bepaalde in de Vreemdelingencirculaire (Vc) 1994, B7/8.2.2, aldus, dat

die bepaling uitsluitend kan worden toegepast na een inhoudelijke beoordeling van de asielaanvraag, waarbij het toerekenbaar ontbreken van documenten altijd in de context van het totale feitencomplex moet worden beschouwd. Het

toerekenbaar ontbreken van documenten tast de geloofwaardigheid van het asielrelaas aan.

De president overweegt het volgende.

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is de president er niet van overtuigd geraakt dat de onderhavige aanvraag zich leende voor afdoening volgens het zogenaamde AC-model. Volgens de door verweerder gehanteerde

richtlijnen komt immers slechts een beperkt aantal zaken voor deze speciale procedure in aanmerking. Daarbij is van belang dat verweerder zich slechts een zeer korte termijn van maximaal 48 uur heeft gesteld om met de toch vereiste

zorgvuldigheid op een asielverzoek een beslissing te nemen. Deze versnelde wijze van afdoening is door verweerder gereserveerd voor de op voorhand kennelijk ongegronde aanvragen ex artikel 15c, eerste lid, aanhef en onder a, Vw en

andere niet-ontvankelijk en/of kennelijke ongegronde zaken, waarin geen tijdrovend onderzoek nodig is.

De president stelt vast dat verzoekers uitgebreide en consistente verklaringen hebben afgelegd, aangaande de dood van hun zoon en de problemen die zij vanwege de etnische afkomst van verzoeker hebben moeten doorstaan. Voorts zijn de

relazen onderling samenhangend te noemen. Bovendien passen de verklaringen van verzoekers over het aannemen van nieuwe (Armeense) personalia in het beeld dat wordt geschetst in het ambtsbericht van 22 mei 2000 over de situatie in

Armenië.

Hoewel met verweerder moet worden geoordeeld dat de relazen op bepaalde punten vragen oproepen, kan niet worden gesteld dat deze relazen bij voorbaat als ongeloofwaardig kunnen worden afgedaan en kan evenmin worden geoordeeld dat

het niet overleggen van documenten ter staving van hun relazen volledig aan verzoekers is toe te rekenen. Teneinde de door verzoekers afgelegde verklaringen op juiste waarde te schatten, is de president van oordeel dat in deze zaak

nader onderzoek dient te worden uitgevoerd.

Gelet op het vorenstaande is de president van oordeel dat verweerder in redelijkheid niet heeft kunnen besluiten dat de aanvragen van verzoekers om toelating kunnen worden afgedaan in het kader van de zogenaamde AC-procedure. Het

verzoek wordt dan ook, gelet op het bepaalde in artikel 32, eerste lid, Vw, toegewezen.

De president ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs

heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op f 1420,- (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van f

710,- en wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van verzoeker een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht de betaling aan de griffier te

geschieden.

3. BESLISSING:

De president:

1. wijst het verzoek toe, in zoverre dat verzoekers niet mogen worden uitgezet tot en met vier weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

2. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad f 1420,- , onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie) als rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden en aan de griffier dient te betalen;

3. gelast dat de Staat der Nederlanden als rechtspersoon het door verzoekers betaalde griffierecht ad f 50,- vergoedt.

Verzonden op: