Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AB0081

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-01-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/2973
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vtv medisch / traumatabeleid / geloofwaardigheid.

In een eerdere procedure inzake de toelating als vluchteling heeft deze rechtbank het beroep van eisers ongegrond verklaard. De rechtbank overweegt dat gezien de inhoud van het individuele ambtsbericht ernstig afbreuk wordt gedaan aan de geloofwaardigheid van hun relaas. Vervolgens dienen eisers een aanvraag in om toelating wegens humanitaire redenen. Verweerder verleent aan eiseres een vtv medisch en aan eiser een vtv voor verblijf bij echtgenote gedurende haar medische behandeling. Voor het overige zijn de bezwaren ongegrond verklaard. In beroep stellen eisers dat verlening van een vtv medisch erkenning inhoudt van de gevraagde vergunning. Verweerder stelt dat geen waarde kan worden toegekend aan de traumatische ervaringen, omdat het asielrelaas van eisers ongeloofwaardig moet worden geacht.

De enkele constatering van de rechtbank in 1997, dat ernstig afbreuk is gedaan aan de geloofwaardigheid van het relaas, laat ruimte open voor twijfel. In een casus als deze met een sterk humanitair component zou deze twijfel in het voordeel van de vreemdeling kunnen uitwerken. De rechtbank heeft het daarom nodig geacht in het kader van deze aanvraag opnieuw tot inzage van de achterliggende stukken van het over eisers uitgebrachte individuele ambtsbericht over te gaan. Dit heeft geleid tot de conclusie dat er niet slechts sprake is van twijfel of afbreuk aan het geloofwaardigheidsgehalte van het relaas, doch dat het asielrelaas van eisers als apert leugenachtig dient te worden bestempeld. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Vreemdelingenkamer, enkelvoudig

_______________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht

juncto artikel 33a Vreemdelingenwet

__________________________________________________

Reg.nr : AWB 99/2973 VRWET

Inzake : A (eiseres) en B (eiser) wonende te C, eisers,

gemachtigde mr. M.J. Mons, advocaat te Den Haag,

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. C.E.J. van Buren-Buijs, juridisch medewerkster ten kantore van Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn, Advocaten te Den Haag.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiseres is geboren op [...] 1961 en eiser op [...] 1958. Zij zijn beiden onderdaan van de Democratische Republiek Congo, voormalig Zaïre. Zij verblijven sedert 10 december 1993 als vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet

(Vw) in Nederland. Op deze dag hebben zij een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard. Bij uitspraak van deze rechtbank van 22

augustus 1997 is het beroep van eisers ongegrond verklaard.

2. Op 18 november 1997 hebben eisers opnieuw een aanvraag voor verlening van een vergunning tot verblijf met als doel: 'humanitaire redenen' ingediend. Op 29 mei 1998 hebben eisers bezwaar gemaakt tegen het niet-tijdig beslissen op

hun aanvraag. Op 6 oktober 1998 hebben eisers beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het niet-tijdig beslissen op bezwaar. Dit beroep is bij uitspraak van 8 december 1998 gegrond verklaard. Op 23 februari 1999 zijn eisers door een

ambtelijke commissie gehoord.

3. Verweerder heeft aan eiseres op 9 maart 1999 een vergunning tot verblijf verleend onder de beperking: 'medische behandeling' ingaande 1 augustus 1998 en geldig tot 1 augustus 1999 en voor het overige het bezwaar ongegrond

verklaard. Op 25 maart 1999 heeft verweerder eiser in het bezit gesteld van een vergunning tot verblijf onder de beperking: 'verblijf bij echtgenote A gedurende haar medische behandeling 'ingaande 9 maart 1999 en geldig tot 1

augustus 1999'. Voor het overige heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

4. Op 2 april 1999 hebben eisers tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het

beroep.

5. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 21 december 1999. Eisers zijn aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

6. Bij tussenuitspraak van 3 januari 2000 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en bepaald dat inzage zou worden gegeven in de onderliggende stukken van het ten aanzien van eisers op 26 september 1995 uitgebrachte individuele

ambtsbericht.

7. Namens de Minister van Buitenlandse Zaken zijn op 17 augustus 2000 de onderliggende stukken van voormeld ambtsbericht ingezonden. Daarbij heeft de Minister een beroep gedaan op de vertrouwelijkheid van bepaalde passages. Aan mr.

Mons is per dezelfde datum een gemaskeerde versie van die stukken gestuurd.

8. De rechtbank (mr. G. P. Kleijn) heeft kennis genomen van de stukken inclusief de vertrouwelijke passages en heeft partijen bij beschikking van 14 november 2000 medegedeeld dat hij het beroep van de Minister van Buitenlandse Zaken

op de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd acht.

9. Partijen hebben door niet te reageren op een brief van de rechtbank van

8 december 2000 impliciet toestemming gegeven aan de rechtbank in deze samenstelling om mede op grond van de geheime stukken uitspraak te doen zonder het houden van een nadere zitting.

II. OVERWEGINGEN

1. In dit geding dient te worden beoordeeld of de bestreden besluiten in rechte stand kunnen houden. Daartoe moet worden bezien of deze besluiten de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kunnen doorstaan.

2. Eisers stellen dat zij in aanmerking komen voor een vergunning tot verblijf met als doel: 'humanitaire redenen'. Daartoe hebben zij het volgende aangevoerd. Eiseres is ernstig getraumatiseerd. Volgens eisers moet het relaas,

zoals bekend uit de eerdere procedure, in samenhang met de in de huidige procedure verstrekte (medische) gegevens met betrekking tot eiseres leiden tot een vergunning tot verblijf zonder beperkingen. Ook zijn eisers van mening dat

het verlenen van een vergunning tot verblijf aan eiseres met de beperking 'medische behandeling' feitelijk een erkenning inhoudt dat zij voor de gevraagde vergunning in aanmerking komen.

3. Ingevolge IND-werkinstructie nr. 31 kan een asielzoeker onder bepaalde voorwaarden in aanmerking komen voor een vergunning tot verblijf indien sprake is van een zodanige traumatisering dat terugkeer naar het land van herkomst in

redelijkheid niet kan worden verlangd. De traumatische ervaring dient in beginsel aanleiding te zijn geweest voor het vertrek uit het land van herkomst.

5. Eisers hebben ter staving van het door hen gestelde trauma van eiseres diverse medische stukken in het geding gebracht, die vooral betrekking hebben op de psychische gesteldheid van eiseres als gevolg van de gestelde

verkrachtingen. Het gaat om:

- een afsprakenkaart van de RIAGG van 1994;

- twee brieven van een maatschappelijk werkster verbonden aan het Steunpunt Gezondheidszorg Vluchtelingen d.d. 4 en 5 december 1995;

- een overdruk van een verpakking van aan eiseres op 14 oktober 1996 voorgeschreven Temazapamum 20 mg.

- een rapportage aangaande eiseres van R.W. Jessurun, psychiater van 7 november 1997;

- een door eiseres zelf opgesteld ziekteverslag d.d. 28 december 1999;

- een brief van de huisarts M. Hortensius aan Mr Mons van 8 februari 2000;

- een brief aan de Medisch Adviseur (MA) van het Ministerie van Justitie van R.W. Jessurun, voornoemd d.d. 7 maart 2000.

6. Verweerder heeft deze stukken voorgelegd aan zijn Medisch Adviseur (MA), die aan de hand van bepaalde dossierstukken en informatie vanuit de behandelende sector gedateerd 11 augustus 1998 een nota heeft opgesteld. De MA is in die

nota tot de conclusie gekomen dat eiseres aan een psychische stoornis lijdt, waarvoor medische behandeling nodig is. De MA heeft deze behandeling aan Nederland gebonden geacht en verwijdering van eiseres met het oog op haar

gezondheidstoestand op dat moment medisch niet verantwoord.

7. Verweerder heeft eiseres hierop verblijf in Nederland toegestaan voor medische behandeling. Verweerder vervolgt evenwel in zijn bestreden besluit - daarin verwijzend naar de eerdere asielprocedure - dat niet aannemelijk is

geworden dat het gestelde trauma daadwerkelijk is ontstaan op een wijze als door eiseres is omschreven. Verweerder baseert deze conclusie op het feit dat het asielrelaas van eisers ongeloofwaardig dient te worden geacht, zodat

evenmin waarde kan worden toegekend aan de verklaringen van eiseres omtrent haar traumatische ervaringen.

8. De rechtbank overweegt dat op basis van de tussen partijen gewezen uitspraak van 22 augustus 1997 in rechte vaststaat dat eisers geen vluchteling zijn. Over de geloofwaardigheid van het relaas van eisers in die uitspraak wordt

niet meer gezegd dan dat door de inhoud van het over eisers uitgebrachte individuele ambtsbericht, inclusief de achterliggende stukken, die ook toen door de rechtbank in meervoudige samenstelling zijn ingezien, ernstig afbreuk wordt

gedaan aan de geloofwaardigheid van hun relaas.

9. De enkele constatering van de rechtbank in 1997, dat ernstig afbreuk is gedaan aan de geloofwaardigheid van het relaas, laat ruimte open voor twijfel. In een casus als deze met een sterk humanitair component zou deze twijfel in

het voordeel van de vreemdeling kunnen uitwerken. Deze enkelvoudige kamer van de rechtbank heeft het daarom nodig geacht in het kader van deze aanvraag opnieuw tot inzage van de achterliggende stukken van het over eisers

uitgebrachte Individuele Ambtsbericht over te gaan. Dit heeft geleid tot de conclusie dat er niet slechts sprake is van twijfel of afbreuk aan het geloofwaardigheidsgehalte van het relaas, doch dat het asielrelaas van eisers als

apert leugenachtig dient te worden bestempeld. Doorslaggevend voor dit oordeel is geweest de brief van de vertrouwenspersoon van 8 september 1995. Hierin wordt op verschillende onderdelen de juistheid van het relaas van zowel eiser

als eiseres onderuit gehaald.

10. Ten aanzien van de medische toestand van eiseres, die hier met name in het geding is, is door eiseres bij binnenkomst in Nederland een medisch rapport van Dr. Emery Bongane Mulenda op briefpapier van de “Polyclinique Mack” d.d.

30 oktober 1993 overgelegd waarin staat dat eiseres in die kliniek is opgenomen geweest als gevolg van verkrachting (meermaals gepleegd in de nacht van 22 op 23 oktober 1993) en daardoor opgelopen genitale verwondingen.

11. Uit de brief van de vertrouwenspersoon van 8 september 1995 blijkt dat een medewerker van de vertrouwenspersoon heeft gesproken met een arts van de polyclinique Mack (niet Dr. Emery Bongane Mulenda) en dat deze de

patiëntenadministratie heeft geraadpleegd, doch dat eiseres daarin niet voorkomt. Deze twee verklaringen naast elkaar leggende hecht de rechtbank meer geloof aan de verklaring van de arts, zoals vastgelegd in de brief van de

vertrouwenspersoon dan in de door eisers overgelegde verklaring van Dr. Mulenda. Immers het belang van eiser(es)s bij het overleggen van onjuiste gegevens is evident, terwijl dat belang bij de vertrouwenspersoon door de rechtbank

niet kan worden onderkend. Dit geldt nog eens te meer nu de verklaring van Dr. Emery Bongane Mulenda van oktober 1993 blijkens wederom de zegsman van de vertrouwenspersoon bepaalde echtheidskenmerken ontbeert, zodat dit stuk als een

falsificaat moet worden aangemerkt.

12. De in deze alsmede de vorige procedure overgelegde medische gegevens over eiseres brengen de rechtbank niet tot een ander oordeel. Voor zover in die gegevens onder andere door de psychiater Jessurun wordt verklaard dat eiseres

drie maal is verkracht en daarna behandeld voor haar verwondingen, merkt de rechtbank deze verklaring aan als puur anamnestisch. Ook de behandeling die eiseres blijkens de overgelegde stukken ondergaat dan wel onderging bij de RIAGG

en de Stichting Pharos biedt geen objectieve aanknoping voor de stelling dat de psychische klachten van eiseres zijn veroorzaakt door het door haar gestelde trauma. Immers in de ogen van de rechtbank kunnen de klachten van eiseres

ook een andere aannemelijke oorzaak hebben, bijvoorbeeld de scheiding van haar in Zaïre achtergebleven kinderen.

13. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht heeft vastgesteld dat eisers niet in aanmerking komen voor de gevraagde vergunning. Evenmin is gebleken van overige klemmende redenen van

humanitaire aard op grond waarvan verweerder een vergunning tot verblijf in redelijkheid niet heeft kunnen onthouden. Het lange verblijf van eisers in Nederland, gedeeltelijk op basis van een vergunning tot verblijf voor medische

behandeling, dwingt hier niet toe.

14. Het beroep is derhalve ongegrond. Van omstandigheden op grond waarvan één der partijen moet worden veroordeeld in de kosten van de andere partij, is de rechtbank niet gebleken.

III. BESLISSING

De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

IV. RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Aldus gedaan door mr. M.J. van den Bergh en in het openbaar uitgesproken op 8 januari 2001, in tegenwoordigheid van mr. D.M. Grot, griffier.

afschrift verzonden op: