Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AA9873

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-02-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
KG 01/62
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
KG 2001, 75

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Sector Civiel Recht - President

Vonnis in kort geding van 7 februari 2001,

gewezen in de zaak met rolnummer KG 01/62 van:

[eiser1]

[eiser2]

belden wonende te Den Haag,

eisers,

procureur mr. D.J. Maassen,

advocaat mr. G.V. van der Bom te 's-Gravenhage

tegen:

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie),

waarvan de zetel is gevestigd te 's-Gravenhage, gedaagde,

procureur mr. A.Th.M. ten Broeke.

1. De feiten

Op grond van de stikken en het verhandelde ter zitting van 31 Januari 2001 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

Eisers hebben op 15 januari 2001 openlijk en in vereniging, ook met anderen, geweld gepleegd tegen goederen, te weten de afsluiting met deur en slot van enkele op de begane grond gelegen lege ruimtes, onderdeel van een gebouw aan de Turfmarkt in Den Haag.

Dit gebouw behoort toe aan anderen dan eisers. Eiseres pretenderen niet enig burgerlijk recht of titel tot toegang tot- of tot gebruik van die ruimtes te hebben.

Tijdens afwezigheid van eisers is vervolgens de toegang tot die ruimtes opnieuw afgesloten.

Eisers zijn voornemens de afdichtingen van de ruimtes, genummerd 239 en 257, te verwijderen.

Op de aankondiging daarvan heeft de politie aangekondigd eisers dan te zullen aanhouden op verdenking van overtreding van artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht stelt strafbaar hem die opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielt, beschadigt, onbruikbaar maakt of wegmaakt.

2. De vordering, de gronden daarvoor en het verweer

Eisers vorderen -na wijziging van hun eis- gedaagde te verbieden strafrechtelijke dwangmiddelen, waaronder aanhouding van eisers, jegens hen toe te passen, voor zover deze zouden voortvloeien uit verdenking van overtreding van artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht in verband met het verwijderen van de afdichtingen aan de panden gelegen aan de Turfmarkt 239 en 257 in Den Haag, en

gedaagde te verbieden anderszins op strafrechtelijke gronden tot feitelijke ontruiming van de voornoemde ruimtes over te gaan.

Daartoe voeren eisers het volgende aan.

Eisers zijn, sinds zij op 15 Januari 2001 de ruimtes genummerd 239 en 257 aan de Turfmarkt in Den Haag "kraakten", bewoners van die woningen.

Die ruimtes stonden langer dan een jaar leeg.

Nog dezelfde dag heeft de politie hen in die woningen aangehouden op verdenking van overtreding van artikel 141 en artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht.

De politie heeft de woningen niet ontruimd, maar wel met houten panelen dichtgetimmerd.

Toen eisers de volgende dag aan de politie vertelden van plan te zijn de afdichtingen te verbreken om het gebruik van de ruimtes als woning en werkruimte voort te zetten, kregen ze te horen dat de politie hen dan wederom zou aanhouden op verdenking van het plegen van vernielingen.

Eisers menen dat aanhouding en eventueel ontruiming op die grond onjuist zou zijn en jegens hen onrechtmatig, omdat zij de ruimtes, waarin zij de vorige dag met de wil tot bewoning meubilair hebben geplaatst en welke voldoende besloten waren voor vestiging van een huisrecht, als woning in gebruik hebben.

Daarom zou het verwijderen van de afdichtingen geen strafbare vernieling zijn in de zin van artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht, omdat het element wederrechtelijkheid ontbreekt nu het verwijderen dient om hen toegang te verschaffen tot uitoefening van het huisrecht in hun woning.

In elk geval, vinden eisers, geeft de verdenking van overtreding van artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht de politie geen bevoegdheid tot ontruiming.

Gedaagde heeft de vordering gemotiveerd bestreden en geconcludeerd tot afwijzing ervan.

Gedaagde betwist dat eisers, die op heterdaad betrapt werden bij hun inbraak in de ruimtes en die vanaf de aanvang gestoord werden in het in gebruik nemen van de ruimtes, een huisrecht hebben gevestigd.

Gedaagde beroept zich op zijn plicht tot bescherming van eigendommen tegen aantasting door derden.

Gedaagde stelt overigens in het geheel niet het voornemen te hebben de ruimtes op strafrechtelijke gronden te ontruimen.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. Eisers zijn van plan de afdichtingen welke de toegang tot de ruimtes 239 en 257 verhinderen te verwijderen.

Die afdichtingen behoren geheel toe aan anderen dan eisers, te weten aan de eigenaar van het gebouw.

Verwijdering van die afdichtingen zal derhalve maken dat eisers opzettelijk goed dat geheel aan een ander toebehoort, -naar gelang hun aanpak-, zullen vernielen, beschadigen, onbruikbaar maken of wegmaken, alles in de zin van artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht.

3.2. Eisers zien echter niet dat dit handelen wederrechtelijk zou zijn.

Niet dat zij aan de rechthebbende van de goederen, de eigenaar van het gebouw, recht of toestemming ontlenen om de afdichtingen aan te pakken, - dat niet, maar ze moeten het wel doen om zich toegang tot hun woningen te verschaffen. Zij menen, dat, als zij gerechtigd zijn de woningen te betrekken, zij ook het recht hebben de planken die dat verhinderen te verwijderen.

En daarom behoren zij niet aangehouden te worden als zij de afdichtingen verwijderen.

Op deze redenering steunt hun eis.

3.3. De President kan eisers in deze gedachtegang niet volgen.

Deze steunt immers op het uitgangspunt dat eisers gerechtigd zijn de woningen te betrekken en zich toegang tot hun woning te verschaffen.

En dat gerechtigd zijn leiden eisers af uit het "huisrecht" dat zij beweren in de ruimtes gevestigd te hebben.

3.4. Het door eisers bedoelde "huisrecht" is de uitdrukking van de bescherming tegen huisvredebreuk welke zij ontlenen aan het bepaalde in artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht. Daar is strafbaar gesteld het wederrechtelijk binnendringen in de woning van een ander (of weigeren zich daaruit te verwijderen).

Deze bescherming tegen inbreuken door een ander verschaft de beschermde echter niet het recht zelf inbreuken te maken op andermans recht, zoals het recht op ongeschonden eigendom.

3.5. Overigens: het feit dat een rechthebbende op een woning of gebouw het gebruik ervan meer dan twaalf maanden eerder heeft beƫindigd -een omstandigheid waaraan eisers kennelijk gewicht hechten-, maakt de ingebruikname ervan zonder recht of titel niet minder tot een wederrechtelijke. Alleen kan dan degene die zo'n woning of gebouw wederrechtelijk in gebruik neemt, niet worden vervolgd voor overtreding van artikel 429sexies van het Wetboek van Strafrecht.

3.6. Kortom: eisers verwarren de bescherming tegen inbreuken waarop zij zelf aanspraak maken, met een bevoegdheid tot inbreuk maken op de rechten van een ander. Het een brengt het ander echter niet mee.

Zo brengt de omstandigheid dat eisers in het gebouw een huisrecht zouden hebben gevestigd, - iets wat gedaagde overigens gemotiveerd, en -naar het oordeel van de President- op verdedigbare gronden, heeft betwist-, geenszins mede dat zij het recht zouden hebben om ter uitoefening ervan de rechten van de rechthebbende op het gebouw (en daarmee op de afdichtingen) te schenden.

3.7. Het aantasten van de afdichtingen zou derhalve, naar het oordeel van de President, wel degelijk wederrechtelijk zijn in de zin van het bepaalde in artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Daartegen op te treden is juist de taak van gedaagde.

Dat zal hem daarom dan ook niet verboden worden.

3.8. Gedaagde ontkent het voornemen te hebben anderszins op strafrechtelijke gronden tot feitelijke ontruiming over te gaan.

Van het tegendeel is niet gebleken, zodat ook het tweede deel van de vordering zal worden afgewezen.

3.9. Eisers zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4. De beslissing

De President:

Wijst het gevorderde af.

Veroordeelt eisers in de kosten van dit geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van gedaagde begroot op f 1.950,--, waarvan f 400,-- aan griffierecht.

Verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.C.H.M. Robbers en uitgesproken ter openbare zitting van 7 februari 2001 in tegenwoordigheid van de griffier.