Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AA9727

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
31-01-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
98/138
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2001, 79
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel Recht - Enkelvoudige Kamer

Vonnis in de zaak met rolnummer 98/138 van:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BELEGGINGSMAATSCHAPPIJ DONAX B.V., tevens handelende onder de naam [X] Instituut Nederland,

gevestigd te Uden en kantoorhoudende te Oosterbeek,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TMR SHOPSYSTEMS B.V.,

gevestigd te Lunteren en kantoorhoudende te Zevenaar,

eiseressen,

procureur: mr P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PTT POST B.V.,

gevestigd te ’s-Gravenhage,

gedaagde,

procureur: mr R. Ludding.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘[X]’, ‘TMR’ en ‘PTT Post’.

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken.

RECHTSOVERWEGINGEN

Feiten

[X] organiseert seminars ten behoeve van bedrijven, alsmede seminars met een open inschrijving, wat wil zeggen dat een ieder daaraan kan deelnemen. In het kader daarvan had [X] in Duitsland de volgende activiteiten georganiseerd:

(a) een VIP-party te Hamm op 3 juli 1997;

(b) een seminar te Hamm op 4 juli 1997;

(c) een VIP-party te Frankfurt op 5 juli 1997; en

(d) een seminar te Frankfurt op 6 juli 1997.

1.2 Ten behoeve van voormelde seminars is een mailing verzonden, bestemd voor geadresseerden in Duitsland, welke door de door [X] ingeschakelde drukkerij aan PTT Post te Arnhem voor verzending is aangeboden en wel als volgt:

- op 3 juni 1997: 10.002 brieven;

- op 6 juni 1997: 937 brieven; en

- op 9 juni 1997: 390 brieven.

Om ervoor te zorgen dat de mailing zou voldoen aan de vereisten van het internationale postverkeer heeft de general manager van de drukkerij, de heer H. van de Hul, hierover telefonisch contact gehad met de heer B. Jansen van PTT Post, afdeling klantenservice te Arnhem. Deze heeft Van de Hul verteld aan welke vereisten de mailing diende te voldoen. De aangeboden mailing voldeed aan deze vereisten.

1.3 Op 25 juni 1997 ontving [X] telefonisch en later schriftelijk bericht van mr. C.L.F. de Jonge van PTT Post International, dat van de 11.329 brieven 5.614 brieven door de Deutsche Post AG waren gestuit, maar dat de zending “inmiddels is vrijgegeven”. Op dezelfde datum heeft de Deutsche Post AG deze 5.614 gestuite brieven (verder) verstuurd.

1.4 Het seminar te Hamm van 4 juli 1997 heeft [X] afgelast. De andere activiteiten zijn doorgegaan.

1.5 TMR houdt zich bezig met het leveren van winkelinrichtingen aan de groothandel, voornamelijk bestaande uit winkelinrichters en architecten. TMR heeft een dochtervennootschap: TMR Shop Systems Deutschland GmbH te Bochelt, Duitsland. Tot dezelfde groep als TMR behoren ook Wecare International B.V. en Sturka-Tapijt B.V. Wecare richt zich met name op de Russische markt en Sturka levert tapijten.

1.6 In 1996/1997 is TMR van Lunteren naar Zevenaar verhuisd. Ook Wecare en Sturka zijn vanuit Ede naar hetzelfde pand in Zevenaar verhuisd. Het pand te Zevenaar is in verband hiermee in 1996/1997 compleet verbouwd en vernieuwd. Op 31 januari en 1 februari 1997 werd, mede ten behoeve van (potentiële) Duitse afnemers, een grootse opening van het pand georganiseerd, waarbij diverse nieuwe winkelinrichtingen ten toon gesteld zouden worden. Tevens zou tijdens deze opening TMR’s nieuwe zusteronderneming Patent Shop Supplies B.V. worden geïntroduceerd en ook zouden Wecare en Sturka onder de Duitse aandacht worden gebracht.

1.7 Op 17 januari 1997 heeft TMR haar mailing bestemd voor Duitsland (263 klanten) aan PTT Post ter verzending aangeboden. Op 21 februari 1997 ontving TMR alle brieven bestemd voor Duitsland retour.

Vordering, grondslag en verweer

Nadat [X] en TMR hun eis bij conclusie van repliek hebben verminderd, vorderen zij, dat PTT Post wordt veroordeeld om aan [X] te betalen een bedrag groot ƒ 422.871,44 en aan TMR een bedrag groot ƒ 81.428,39, beide bedragen te vermeerderen met rente en kosten.

[X] en TMR hebben aan hun vordering het volgende ten grondslag gelegd. PTT Post was op grond van de Postwet gehouden het vervoer van de bewuste zendingen naar Duitsland te verrichten. De zending [X] is ten onrechte langdurig opgehouden. De zending TMR is geretourneerd. In beide gevallen was dit het gevolg van - volgens eiseressen - onjuiste toepassing door de Deutsche Post AG van de zogenaamde remail- of ABA/ABC-bepalingen. Aldus is voor eiseressen schade ontstaan door handelen en/of nalaten van de posterijen, geschied hetzij met het opzet die schade te veroorzaken hetzij roekeloos en met de wetenschap dat die schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien. Ingevolge artikel 8.10 van de algemene voorwaarden van PTT Post kan deze laatste zich in geval van een dergelijk opzet c.q. een dergelijke roekeloosheid niet beroepen op uitsluiting of beperking van haar aansprakelijkheid. Hierbij moet worden aangenomen dat PTT Post voor de gedragingen van Deutsche Post AG op gelijke wijze aansprakelijk is als voor haar eigen gedragingen, hetzij op basis van hetgeen in het maatschappelijk verkeer heeft te gelden hetzij op de grond dat Deutsche Post AG als hulppersoon van PTT Post moet worden aangemerkt.

PTT Post heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

Het juridisch kader

Voor de beoordeling van deze zaak zijn de volgende bepalingen van belang. Steeds worden de bepalingen geciteerd zoals deze golden ten tijde van het verzenden van de bewuste mailings.

Artikel 2 Postwet:

(…)

2. De houder van de concessie is verplicht om voor een ieder in het gehele land tegen vergoeding het vervoer te verrichten van brieven en andere geadresseerde zendingen:

(…)

b. van en naar de Nederlandse Antillen en Aruba, alsmede van en naar het buitenland met inachtneming van de terzake geldende bepalingen van de akten van de Wereldpostunie dan wel van andere voor Nederland bindende verdragen of besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

3. De houder van de concessie weigert het vervoer van een postzending indien het vervoer strijdig is met de wet of gevaar oplevert voor personen of zaken en kan het vervoer weigeren indien het vervoer strijdig is met de eisen die met het oog op een doelmatig vervoer in de algemene voorwaarden worden gesteld.

De Memorie van Toelichting spreekt in dit verband over de mogelijkheid tot weigeren van postzendingen die ongefrankeerd worden aangeboden, waarvan de afmetingen niet aan daaraan gestelde eisen voldoen, of die onvoldoende zijn verpakt.

Artikel 3 Postwet:

1. De houder van de concessie is gehouden bij de uitvoering van de ingevolge deze wet op hem rustende verplichtingen terzake van het internationale vervoer van postzendingen de voor Nederland bindende verplichtingen na te komen, die voortvloeien uit de akten van de Wereldpostunie dan wel uit andere verdragen of besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

In de Memorie van Toelichting op het eerste lid van artikel 3 wordt nog eens benadrukt dat de houder van de concessie ingevolge artikel 2, tweede lid onder b, de verplichting opgelegd heeft gekregen tot het vervoer van internationale postzendingen.

Artikel 7, zesde lid, Postwet luidt als volgt:

6. Ter zake van het internationale vervoer van postzendingen als bedoeld in artikel 2, tweede lid onder b, is de houder van de concessie slechts aansprakelijk overeenkomstig de bepalingen van de akten van de Wereldpostunie dan wel andere voor Nederland bindende verdragen of besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Volgens de Memorie van Toelichting was deze bepaling nodig omdat de regelen van het Wereldpostverdrag slechts een overeenkomst tussen staten constitueren en niet rechtstreeks de burgers binden. De bepaling brengt mee dat de houder van de concessie ter zake van het vervoer van internationale postzendingen aansprakelijk is overeenkomstig het Wereldpostverdrag of andere verdragen, aldus de Memorie van Toelichting.

Het Wereldpostverdrag (Convention Postale Universelle; Trb. 1986, 24) voorziet slechts in schadevergoeding bij aangetekende post dan wel bij zendingen met aangegeven waarde.

Artikel 2 van het Besluit algemene richtlijnen post luidde ten tijde van de bewuste mailings en voor zover thans relevant als volgt:

2.1. De houder van de concessie is verplicht om een aan de eisen des tijds beantwoordende dienstverlening ter zake van het vervoer van postzendingen op te zetten en in stand te houden.

2.2. De onder 2.1 genoemde dienstverlening omvat ten minste:

a. het vervoer van brieven, drukwerken, goederen en andere voor postvervoer vatbare zendingen (…) naar en van het buitenland in overeenstemming met de internationale verdragen ter zake.

Ten aanzien van de aansprakelijkheid van PTT Post heeft deze in artikel 8 van haar algemene voorwaarden, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:

(…)

8.2 Voor schade ontstaan bij het vervoer van andere postzendingen dan die, vermeld in art. 8.1 [dat zijn: aangetekende postzendingen, postzendingen met ‘verzekerd vervoer’, postzendingen die als postpakket naar het buitenland zijn verzonden en postzendingen met waarde-aangifte, rb.] is PTT Post niet aansprakelijk, tenzij zich een geval voordoet als bedoeld in het laatste lid van dit artikel [lid 10, rb.].

(…)

8.4 (…)

Evenmin heeft de afzender recht op schadevergoeding indien postzendingen door postdiensten van bestemming, op grond van de toepassing van een bepaling in het Algemeen Postverdrag van de Wereldpostunie, niet worden besteld dan wel worden teruggezonden aan PTT Post of aan de afzender (zie art. 23.2).

(…)

8.10 PTT Post kan zich niet beroepen op een uit de voorgaande leden van dit artikel voortvloeiende uitsluiting of beperking van zijn aansprakelijkheid voor zover de schade is ontstaan uit zijn eigen handelen of nalaten, geschied hetzij met het opzet die schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met de wetenschap dat die schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien.

Artikel 23, tweede lid, algemene voorwaarden luidt als volgt:

23.2 Op grond van een bepaling in het Algemeen Postverdrag van de Wereldpostunie kunnen buitenlandse postdiensten de bestelling weigeren van postzendingen die in Nederland zijn terpostbezorgd door of namens buitenlandse bedrijven. In dergelijke gevallen kunnen de betreffende postdiensten naar eigen inzicht deze postzendingen terugzenden, dan wel deze in laatste instantie, onder bepaalde voorwaarden, toch bestellen*.

Onder het “sterretje” staat vervolgens te lezen:

“Nadere informatie over de criteria die buitenlandse postdiensten hierbij hanteren wordt op verzoek verstrekt via PTT Post Klantenservice Zakelijke Markt (telefoon (0800) 0430).”

4. Beoordeling

4.1 De artikelen 2 en 3 van de Postwet dienen, mede gelet op de Memorie van Toelichting op deze artikelen en op het bepaalde in artikel 2 van het Besluit algemene richtlijnen post, aldus te worden verstaan, dat de verplichting die PTT Post ingevolge de met [X] respectievelijk TMR gesloten overeenkomsten op zich genomen heeft, is, om de ter verzending aangeboden mailings naar Duitsland te vervoeren en daar - naar moet worden aangenomen: binnen een redelijke termijn - bij de geadresseerden te bezorgen. Het betreft met andere woorden een vervoersovereenkomst, waarbij op PTT Post een resultaatsverbintenis rust tot het bezorgen van de aan haar toevertrouwde poststukken, aangetekend of anderszins geregistreerd of niet. Voor zover PTT Post betoogt, dat haar verplichting uit voormelde overeenkomsten niet verder strekt dan zich ervoor in te spannen dat zij de bij haar ter internationale verzending aangeboden postzendingen tijdig en op ordelijke wijze aanbiedt aan de buitenlandse postdienst, in dit geval: Deutsche Post AG, ter verdere afhandeling, gaat dit derhalve niet op. De omstandigheid dat ingevolge buitenlandse wetgeving, het Algemeen postverdrag en/of andere verdragen feitelijk het vervoer in het buitenland door een buitenlandse postdienst wordt verzorgd, doet er niet aan af dat in de contractuele verhouding tussen PTT Post en de afzender het PTT Post is, die zich voor het gehele vervoerstraject verbindt en die in geval van een tekortkoming in de nakoming door de afzender zal kunnen worden aangesproken.

4.2 Vaststaat dat de zending [X] gedurende ruim 20 dagen is opgehouden en dat de van TMR afkomstige postzending na vijf weken is geretourneerd. PTT Post stelt niet dat de beide zendingen door Deutsche Post AG terecht op basis van de zogenaamde remail-regeling zijn opgehouden respectievelijk geretourneerd. Zij lijkt zich van het door Deutsche Post terzake gevoerde beleid zelfs te distantiëren. Gelet hierop en op het in de voorgaande alinea overwogene moet worden geconcludeerd dat sprake is van een tekortschieten door PTT Post in de nakoming van de voor haar uit de met [X] respectievelijk TMR gesloten overeenkomsten voortvloeiende verplichting om de bewuste mailings binnen een redelijke termijn bij de geadresseerden te bezorgen.

4.3 Dan rijst vervolgens de vraag of PTT Post voor eventuele schade als gevolg van voormeld tekortschieten jegens [X] respectievelijk TMR aansprakelijk is. Dienaangaande geldt het volgende.

4.4 Zowel bij de van [X] afkomstige zending als bij die van TMR gaat het om niet aangetekende of anderszins geregistreerde of verzekerde zendingen. Ingevolge artikel 7 lid 6 van de Postwet is PTT Post slechts aansprakelijk overeenkomstig de bepalingen van de akten van de Wereldpostunie dan wel andere voor Nederland bindende verdragen of besluiten van volkenrechtelijke organisaties. Die bepalingen voorzien alleen in schadevergoeding bij - kort gezegd - aangetekende of anderszins geregistreerde zendingen en zendingen met een opgegeven verzekerde waarde, zodat aansprakelijkheid op grond van die bepalingen niet aan de orde is.

4.5 Naar PTT Post echter zelf aangeeft, kennen haar algemene voorwaarden (artikel 8.2 in samenhang met artikel 8.10) een ander aansprakelijkheidsregime, inhoudende dat PTT Post onder omstandigheden ook voor onjuiste bezorging van andere dan geregistreerde/verzekerde post aansprakelijk is. Het al dan niet bestaan van aansprakelijkheid zal derhalve aan dit regime dienen te worden getoetst. Wat de hierna nog te bespreken remail-regeling betreft dient voorts te worden gelet op de bepaling van het vierde lid van artikel 8 van de algemene voorwaarden.

De zending van [X]

4.6 Tussen partijen staat vast dat PTT Post de door [X] ingeschakelde drukkerij op diens verzoek heeft geïnformeerd omtrent de voorwaarden waaraan (bulk)post naar Duitsland dient te voldoen tegen de achtergrond van de door Deutsche Post AG gehanteerde maatstaven bij de toepassing van de meergenoemde remail- of ABA/ABC-regeling (deze regeling houdt in dat als een afzender, gevestigd in land A, de postzending aan een postdienst in land B aanbiedt ter bezorging in land A danwel een derde land C (om aldus gebruik te kunnen maken van lagere posttarieven in land B), de betrokken postdienst is ontheven van zijn algemene vervoersplicht). PTT Post heeft voorts erkend, dat de zending van [X] voldeed aan de eisen die (voor zover PTT Post die op dat moment kende) door Deutsche Post AG voor normale afhandeling worden gesteld.

4.7 Onder deze omstandigheden, waarin de afzender ([X]) juist om problemen te voorkomen aan PTT Post om informatie verzoekt (zie in dit verband artikel 23, tweede lid, van de algemene voorwaarden met bijbehorende noot), PTT Post deze informatie verstrekt, de afzender haar drukwerk overeenkomstig de van PTT Post verkregen informatie inricht, de afzender de aldus ingerichte mailing bij PTT Post ter verzending aanbiedt en PTT Post deze zending vervolgens zonder meer accepteert (zie in dit verband artikel 2, derde lid, Postwet en de Memorie van Toelichting daarop), mocht [X] er naar het oordeel van de rechtbank op vertrouwen dat de door haar aangeboden zending zonder problemen bij de geadresseerden zou worden bezorgd. De keerzijde hiervan is dat PTT Post, die dit vertrouwen heeft opgewekt, met name door de gevraagde informatie te verstrekken en daarbij kennelijk geen voorbehoud te maken, zich thans in redelijkheid niet met een beroep op (de artikelen 8.2 en/of 8.4 van) die algemene voorwaarden c.q. in essentie gelijke bepalingen in de Postwet en/of het Algemeen postverdrag aan aansprakelijkheid dient te kunnen onttrekken, dit ongeacht of al dan niet sprake is van opzettelijk of roekeloos handelen als bedoeld in artikel 8.10 van de algemene voorwaarden. PTT Post is derhalve aansprakelijk voor de door [X] als gevolg van het te laat bezorgen van (het grootste deel van) diens mailing geleden schade. Op de omvang van die schade zal hieronder nader worden ingegaan.

De zending van TMR

4.8 Anders dan bij de zending van [X] is er voorafgaand aan het verzenden van de mailing van TMR geen contact geweest met PTT Post omtrent de inrichting van de mailing. Van door PTT Post opgewekt vertrouwen dat aan een beroep op de aansprakelijkheidsuitsluitingen in de weg zou staan, is hier derhalve geen sprake.

4.9 Van toepassing is daarmee het bepaalde in artikel 8, vierde lid, van de algemene voorwaarden zoals hierboven weergegeven, waarbij de rechtbank opmerkt dat het beroep van TMR op de onredelijk bezwarendheid van de algemene voorwaarden uitdrukkelijk slechts ziet op het tweede lid van artikel 8. Naar het oordeel van de rechtbank dient artikel 8 lid 4 redelijkerwijs aldus te worden begrepen, dat de afzender geen recht op schadevergoeding kan doen gelden indien postdiensten van bestemming op redelijke gronden van mening waren dat sprake was van een zogenaamde remail-situatie (lees in het onderhavige geval in de woorden van artikel 23, tweede lid, van de algemene voorwaarden: dat de mailing in Nederland ter post was bezorgd door of namens een Duits bedrijf). In redelijkheid kan immers niet worden aangenomen dat beoogd is de aansprakelijkheid ook dan uit te sluiten indien postdiensten van bestemming postzendingen niet bestellen dan wel terugzenden op basis van de remail-regeling zonder dat daarvoor een redelijke grond aanwezig is. Dit zou ook niet stroken met het bepaalde in artikel 8.10 van de algemene voorwaarden, waaruit volgt dat (wel) aansprakelijkheid bestaat ingeval van - kort gezegd - het daar bedoelde opzet of roekeloos handelen. Omgekeerd ligt het - bezien tegen de achtergrond dat slechts in geval van opzet of roekeloos handelen als bedoeld in artikel 8.10 aansprakelijkheid bestaat - evenmin voor de hand dat PTT Post slechts van haar aansprakelijkheid zou zijn bevrijd in geval het beroep van de buitenlandse postdiensten op de remail-bepalingen - achteraf bezien - terecht zou blijken te zijn gedaan. De rechtbank merkt bij het voorgaande op dat PTT Post in haar verhouding tot de afzender ook aansprakelijk is voor “opzettelijk” dan wel “roekeloos” handelen van de postdiensten van bestemming. Dit vloeit logischerwijs voort uit het feit dat PTT Post als contractspartner van de afzender het vervoer naar de buitenlandse bestemming op zich heeft genomen (zie hiervoor onder rechtsoverweging 4.1).

4.10 De vraag rijst dus of Deutsche Post AG op redelijke gronden kon menen dat de bewuste postzending in Zevenaar door of namens een Duits bedrijf was aangeboden. Op de voorzijde van de enveloppen wordt een Nederlands retouradres vermeld (zie productie 6 bij conclusie van antwoord). Door de afwezigheid van de vermelding van het land van bestemming (Duitsland), doet de adressering echter intern Duits aan. Voorts blijkt uit de inhoud van de mailing (productie 7 bij conclusie van eis) niet duidelijk van een Nederlands afzendadres. Weliswaar is een beschrijving opgenomen hoe men het TMR-kantoor in Zevenaar kan bereiken, maar daar staat tegenover dat op bladzijde 2 van de mailing prominent het nieuwe adres van TMR Shopsystems Handels GmbH te Bocholt, Duitsland wordt afgedrukt. Gelet op deze feiten en omstandigheden kon Deutsche Post AG in redelijkheid menen met een in wezen Duitse afzender van doen te hebben. Dit betekent voorts dat van roekeloos handelen in zoverre geen sprake is geweest. Gelet op al het voorgaande is PTT Post in beginsel niet aansprakelijk voor de door TMR als gevolg van het retour zenden van de mailing geleden schade.

4.11 TMR stelt nog dat zij “naar alle waarschijnlijkheid” haar schade (aanzienlijk) had kunnen beperken indien zij direct na het besluit het vervoer van de postzending te staken bericht had ontvangen van dit besluit. Zij geeft echter niet aan op welke wijze de schade in dat geval beperkt had kunnen worden. In dit verband is van belang dat naar de eigen stellingen van TMR de opening van haar bedrijfspand in elk geval doorgang zou vinden, dat ook Nederlandse relaties waren uitgenodigd en dat slechts 1/3e deel van de genodigden Duitse relaties waren. Bovendien is het nog maar de vraag of TMR, indien zij eerder van het besluit om de zending te staken dan wel te retourneren op de hoogte zou zijn geweest, de Duitse genodigden alsnog op tijd voor de opening zou hebben kunnen uitnodigen in die zin dat daardoor daadwerkelijk een hogere opkomst kon worden verwacht, gegeven dat de mailing op vrijdag 17 januari 1997 in Zevenaar ter post is bezorgd zodat Deutsche Post op zijn vroegst op maandag 20 of dinsdag 21 januari 1997 melding zou hebben kunnen doen van haar besluit. Dit betoog van TMR gaat dus niet op.

4.12 Voor zover derhalve vergoeding wordt gevorderd van door TMR geleden schade, dient de vordering te worden afgewezen. Ten aanzien van de door [X] gevorderde schade dient thans te worden onderzocht wat de omvang daarvan is.

Omvang door [X] geleden schade

321 deelnemers minder aan seminars

4.13 PTT Post betwist de stelling van [X] dat per seminar 200 deelnemers werden verwacht. Dat dit zo zou zijn blijkt ook niet uit het door [X] als productie 13 overgelegde schrijven van Wiedemeier en Martin. Daarin wordt slechts aangegeven dat “mit einer höheren Responsequote” rekening werd gehouden. [X] heeft op dit punt de bewijslast.

4.14 Hetzelfde geldt ten aanzien van het bedrag dat per deelnemer in rekening werd gebracht. Ook hier heeft PTT Post betwist dat dit DM 567,-- per deelnemer zou zijn. Dit is weliswaar het gemiddelde bedrag dat volgens de door [X] als productie 14 overgelegde lijst per deelnemer is betaald, maar uit die lijst blijkt ook dat het bedrag dat per deelnemer in rekening wordt gebracht aanzienlijk kan variëren: bedragen van DM 130,44, DM 200,--, DM 300,--, DM 480,-- en DM 500,-- zijn geen uitzondering. [X] zal daarom tot bewijs van zijn stelling ter zake worden toegelaten.

4.15 Ten slotte zal [X] overeenkomstig zijn bewijsaanbod worden toegelaten te bewijzen dat de gemiddelde kosten per deelnemer DM 100,-- bedragen.

140 potentiële deelnemers misgelopen

4.16 [X] zal voorts conform zijn bewijsaanbod worden toegelaten tot het bewijs dat een VIP-party gemiddeld door ongeveer 100 mensen wordt bijgewoond en dat als gevolg van het lagere aantal deelnemers aan de beide VIP-party’s in totaal 140 potentiële deelnemers aan seminars zich niet hebben opgegeven. De rechtbank merkt nog op dat, wanneer de stellingen van [X] onder 2.1.b in de dagvaarding en onder 17 en 18 in de conclusie van repliek naast elkaar worden gelegd, [X] er kennelijk van uit gaat dat alle 140 verwachte, maar niet verschenen genodigden voor de VIP-party’s zich voor een seminar zouden hebben opgegeven.

4 bedrijfsseminars misgelopen

4.17 In verband met de betwisting door PTT Post dient [X] te bewijzen dat als gevolg van het afgelasten van het seminar te Hamm en de lagere opkomst bij het seminar te Frankfurt in totaal 4 bedrijfsseminars zijn misgelopen. Ook dient [X] de door PTT Post betwiste stelling te bewijzen dat de prijs van een dergelijk bedrijfsseminar gemiddeld DM 50.000,-- bedraagt en dat de kosten per bedrijfsseminar gemiddeld DM 10.000,-- bedragen. De rechtbank merkt in dit verband op dat volgens de eigen stellingen van [X] onder nummer 20 van zijn conclusie van repliek, bedrijfsseminars in duur kunnen variëren van 10 minuten tot 2 uur en dat voorts de bedragen zowel per bedrijfsseminar als (omgerekend) per uur aanzienlijk kunnen variëren.

Slot

4.18 Iedere verdere beslissing, waaronder de beslissing ten aanzien van de gevorderde buitengerechtelijke kosten, zal worden aangehouden.

BESLISSING

De rechtbank:

- laat [X] toe het bewijs te leveren, dat er per seminar gemiddeld 200 deelnemers komen, dat per deelnemer gemiddeld een bedrag van DM 567,-- exclusief omzetbelasting wordt betaald en dat de kosten per deelnemer gemiddeld DM 100,-- bedragen;

- laat [X] voorts toe te bewijzen, dat een VIP-party gemiddeld door ongeveer 100 mensen wordt bijgewoond en dat als gevolg van het lagere aantal deelnemers aan de beide VIP-party’s in Hamm en Frankfurt in totaal 140 potentiële deelnemers aan seminars zich niet hebben opgegeven;

- laat [X] ten slotte toe tot het bewijs, dat als gevolg van het afgelasten van het seminar te Hamm en de lagere opkomst bij het seminar te Frankfurt in totaal 4 bedrijfsseminars zijn misgelopen alsmede dat voor een bedrijfsseminar gemiddeld een bedrag van DM 50.000,-- wordt betaald en dat de kosten per bedrijfsseminar gemiddeld DM 10.000,-- bedragen;

- bepaalt dat eventuele getuigen zullen worden gehoord op vrijdag 13 april 2001 te 9.00 uur door mr P. Joele in één van de zalen van het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te 's-Gravenhage;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr P. Joele en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 januari 2001 in tegenwoordigheid van de griffier.