Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AA9581

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-01-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
KG 00/1603
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK's-GRAVENRAGE

Sector Civiel Recht - President

Vonnis in kort geding van 19 januari 2001,

gewezen in de. zaak met rolnummer KG 00/ 1603 van:

1. de Stichting TUKEM,

2. de Stichting KUBRA

3. de ULU CAMI MOSKEE

4. de Jongerenvereniging TDJV,

alle gevestigd te Amsterdam,

eiseressen,

procureur mr. J.M. Sjöcrona,

advocaat mr. B.Th. Nooitgedagt te Amsterdam,

tegen:

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie), zetelende te 's-Gravenhage,

gedaagde, '

procureur mr. C.M. Bitter.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 12 januari 2001 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

* Op 28 november 2000 heeft ten tijde van de Ramadan, onder leiding van de rechter-commissaris en de officier van justitie te Amsterdam een huiszoeking plaatsgevonden in de percelen Zeeburgerdijk 115, 117 en 119 te Amsterdam, alwaar eiseressen gevestigd zijn en kantoor houden.

* Voor de huiszoekingen in genoemde percelen - met uitzondering van de gebedsruimten - is op 23 november 2000 verlof verleend door de rechtbank Amsterdam.

2. De vorderingen, de gronden daarvoor en het.verweer

Eiseressen vorderen na wijziging van eis - kort weergegeven - de Staat te veroordelen dan wel te gebieden tot:

- herstel van de eer en goede naam door middel van een openbare verklaring waarin de Staat erkent dat bij de onderhavige huiszoeking niets terzake doende is aangetroffen en dat ten onrechte door Politie en Justitie de Ulu Cami Moskee is binnengetreden, waaronder dat deel van de Moskee dat uitsluitend bestemd is voor de vrouwen;

- het publiekelijk aanbieden van verontschuldigingen voor de gang van zaken;

- afgifte van de stukken die betrekking hebben op de onderhavige huiszoeking;

- immateriële/materiële schadevergoeding.

Daartoe voeren eiseressen het volgende aan.

Bij de huiszoeking zijn - geschoeide - opsporingsambtenaren de gebedsruimten van eiseres sub 3 binnengetreden, hetgeen in strijd is met artikel 12 aanhef en onder b. van de Algemene wet op het binnentreden, het recht op godsdienstvrijheid, de redelijkheid en billijkheid althans de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit en het verlof tot huiszoeking. De eer en goede naam van eiseressen is hiermee in ernstige mate aangetast.

Gedaagde voert gemotiveerd verweer dat hierna, voorzover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3. 1. Naar terechtzitting vastgesteld, wordt niet betwist dat de huiszoeking rechtmatig is geweest. Beoordeeld dient te worden of de Staat ten tijde van de huiszoeking onrechtmatig heeft gehandeld, zoals door eiseressen betoogd. Eiseressen hebben gesteld dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld doordat geschoeide opsporingsambtenaren de gebedsruimten van de Moskee tijdens de Ramadan hebben betreden en dat mannelijke opsporingsambtenaren de gebedsruimte die uitsluitend is bestemd voor de vrouwen hebben betreden en hierbij de gebedsdienst die op dat moment plaatshad, hebben verstoord.

Overwogen wordt dat niet is komen vast te staan dat de (mannelijke) opsporingsambtenaren de gebedsruimten, waaronder de ruimten die alleen voor de vrouwen zijn bestemd, hebben betreden. Het gestelde handelen (betreden gebedsruimten) blijkt niet uit de overgelegde processen-verbaal. Evenmin kan dit worden afgeleid uit de door eiseressen overgelegde verklaringen van vrouwen die tijdens de huiszoeking in de Moskee aanwezig waren. Hieruit volgt dat in het kader van dit kort geding niet gezegd kan worden dat in zoverre de Staat ten tijde van de huiszoeking in strijd met enige wettelijke bepaling, open fatsoensnorm of enig beginsel van behoorlijk bestuur dan wel het verlof tot huiszoeking heeft gehandeld. Ook overigens is daarvan niet gebleken. Het enkele feit dat huiszoeking tijdens de Ramadan plaatsvindt is daartoe onvoldoende. Dat het ogenblik van huiszoeking onzorgvuldig gekozen is, is - naar uit hetgeen ter zitting door de Staat naar voren is gebracht - niet gebleken.

3.2. Eiseressen hebben voorts betoogd dat de Staat na de huiszoeking onzorgvuldig heeft gehandeld wat betreft de berichtgeving. Op 28 november 2000 verscheen een persbericht van de politie Amsterdam over de huiszoeking in de Moskee, met de vermelding dat onder andere de administratie in beslag was genomen. Deze huiszoeking werd in verband gebracht met verdenkingen terzake van onder meer bedreiging, afpersing, wederrechtelijke vrijheidsbeneming, vuurwapenbezit en drugshandel. De voortdurende berichtgeving in de pers en de onrust en onzekerheid over de toedracht van de huiszoeking alsmede de in beslag genomen goederen, hebben er toe geleid dat de raadsman van eiseressen de rechter-commissaris en de officier van justitie schriftelijk om opheldering heeft verzocht. Na verstrijking van de daarvoor door de raadsman gestelde termijn hebben beiden schriftelijk gereageerd. Naar de mening van eiseressen was deze reactie te summier en had dit anders gekund en gemoeten. Volgens de Staat wordt het uitgeven van een persbericht mede gerechtvaardigd door het algemeen belang dat het publiek wordt geïnformeerd over de taakuitoeféning van politie en justitie in het kader van de opsporing van strafbare feiten en in dit geval ook door het gegeven dat er geen onwaarheden in het persbericht staan. Wat er ook zij van de stelling van eiseressen dat de berichtgeving anders had gekund, de handelwijze van de Staat is niet onzorgvuldig te noemen.

Op grond van het vorenstaande wordt aan de Staat geen verplichting opgelegd tot herstel van de eer en goede naam van eiseressen door middel van een openbare verklaring en/of het publiekelijk aanbieden van verontschuldigingen.

3.3. Eiseressen vorderen daarnaast afgifte door de Staat van de stukken die betrekking hebben op de onderhavige huiszoeking. Aangenomen wordt dat eiseressen over de voor hen meest wezenlijke informatie beschikken. Ter zitting. is nog aan de orde geweest of de Staat alle beslaglij sten in het geding had gebracht. De Staat is in de gelegenheid gesteld dienaangaande na de zitting te reageren, hetgeen hij gedaan heeft onder vermelding dat er geen sprake is van meer inbeslaggenomen voorwerpen dan ter zitting besproken. Eiseressen hebben kopie ontvangen en hebben op die productie nog gereageerd. Op andere stukken kunnen eiseressen geen aanspraak maken, omdat deze stukken deel uitmaken van het strafdossier, dat niet openbaar is.

3.4. Eiseressen vorderen voorts immateriële en/of materiële schadevergoeding. Nu de Staat niet onrechtmatig of onzorgvuldig jegens eiseressen heeft gehandeld, is er geen aanleiding aan eiseressen enige vorm van schadevergoeding toe te kennen.

3.5. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen moeten worden afgewezen.

Eiseressen zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4. De beslissing

De President:

Wijst de vordering a£

Veroordeelt eiseressen in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op f 1.950,-, waarvan f 400,-- aan griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door nr. R.J. Paris en uitgesproken ter openbare zitting van 19 januari 2001 in tegenwoordigheid van de griffier.

HM