Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AA9571

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-01-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
98/1677
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HA/B

rolnummer: 98/1677

datum vonnis: 17 januari 2001

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

sector civiel recht - meervoudige kamer

Vonnis in de zaak met bovenvermeld rolnummer van:

1. [eiser1],

wonende te [woonplaats],

2. [eiser2],

wonende te [woonplaats]

3. [eiser3],

wonende te [woonplaats]

eisers,

procureur: mr. M.C.L. Hattinga Verschure,

tegen

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie),

zetelend te 's-Gravenhage,

gedaagde,

procureur: mr. C.M. Bitter.

Eisers worden hierna ook wel afzonderlijk aangeduid als [eiser1], [eiser2] en [eiser3]. Gedaagde wordt hierna ook wel aangeduid als de Staat.

De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- het exploot van dagvaarding d.d. 29 april 1998;

- de conclusie van eis met producties;

- de conclusie van antwoord;

- de conclusie van repliek met producties;

- de conclusie van dupliek met producties.

Partijen hebben hun zaak op 11 september 2000 bij de rechtbank doen bepleiten, eisers door mr. T. Spronken, advocaat te Maastricht, de Staat door zijn procureur. Partijen hebben daarbij pleitnotities overgelegd. Bij pleidooi hebben eisers akte gevraagd van het in het geding brengen van een productie.

RECHTSOVERWEGINGEN

1. De feiten

1.1 Bij arresten van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 4 februari 1991 zijn eisers wegens deelname aan een gewapende overval op een kantoor van de Postbank te Oirschot en poging tot moord op meerdere personen veroordeeld tot gevangenisstraffen van 14 jaar.

Bij arresten van 9 juni 1992 (NJ 1992, 773) heeft de Hoge Raad de tegen deze arresten ingestelde cassatieberoepen verworpen, waardoor de arresten van het gerechtshof onherroepelijk zijn geworden.

1.2 Eisers hebben zich vervolgens eind november/begin december 1992 gewend tot de Europese Commissie voor de rechten van de mens (hierna: de Europese Commissie) met een klacht ertoe strekkende dat de veroordelingen tot stand zijn gekomen in strijd met artikel 6, eerste lid, gelezen in samenhang met het derde lid, aanhef en onder d, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), doordat deze veroordelingen in overwegende mate zijn gebaseerd op verklaringen van anonieme getuigen, zonder dat eisers voldoende de gelegenheid hebben gehad deze getuigen te ondervragen.

1.3 Bij uitspraak van 23 april 1997 (55/1996/674/861-864; NJ 1997, 635) heeft het Europese Hof voor de rechten van de mens (hierna: het Europese Hof) geoordeeld dat bij de evenbedoelde veroordelingen is gehandeld in strijd met artikel 6, eerste lid, gelezen in samenhang met het derde lid, aanhef en onder d, van het EVRM.

Daarbij heeft het Europese Hof zijn beslissing inzake de aan eisers op grond van artikel 50 van het EVRM - zoals dit artikel luidde vóór 1 november 1998 - toe te kennen billijke genoegdoening aangehouden.

1.4 Op 25 april 1997 zijn eisers in vrijheid gesteld.

1.5 Bij uitspraak van 30 oktober 1997 (55/1996/674/861-864) heeft het Europese Hof - voor zover hier van belang - de billijke genoegdoening als hiervoor bedoeld voor [eiser2] en [eiser3] vastgesteld op ƒ 25.000,-- elk en voor [eiser1] op ƒ 30.000,--, welke genoegdoening overeenkomt met de door de Staat in die procedure aangeboden bedragen.

1.6 Bij brief van 20 februari 1998 hebben eisers de Staat gesommeerd:

1. aan elk van hen ƒ 250,-- per detentiedag, te verminderen met de reeds door het EVRM toegekende genoegdoening, toe te kennen, alsmede

2. de door hen voldane advocaatkosten in de strafzaak voor de nationale rechterlijke instanties te vergoeden. Daarnaast hebben zij de Staat gesommeerd de gegevens met betrekking tot hun strafrechtelijke veroordelingen te verwijderen uit de registers van de Justitiële Documentatiedienst.

Bij brief van 16 april 1998 is van de zijde van de Staat aangegeven dat niet aan deze sommatie zal worden voldaan.

2. De vordering, de gronden daarvoor en het verweer

2.1 Eisers vorderen in deze procedure - zakelijk weergegeven - dat de rechtbank:

1. voor recht zal verklaren dat de Staat aansprakelijk is voor de materiële en immateriële schade die voortvloeit uit de onrechtmatig gebleken rechtspraak van de nationale rechter;

2. de Staat zal veroordelen om aan ieder van eisers te betalen een bedrag van ƒ 250,-- per detentiedag, te verminderen met de reeds door hen op grond van de uitspraak van het Europese Hof van 30 oktober 1997 toegekende schadevergoeding, althans een bedrag dat de rechtbank in goede justitie zal vaststellen, te vermeerderen met de wettelijke rente;

3. de Staat zal veroordelen om aan [eiser1] te betalen een bedrag van ƒ 23.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente;

4. de Staat zal veroordelen om aan [eiser2] te betalen een bedrag van ƒ 5.962,50, te vermeerderen met de wettelijke rente;

5. de Staat zal veroordelen om aan [eiser3] te betalen een bedrag van ƒ 23.682,40, te vermeerderen met de wettelijke rente;

6. de Staat zal veroordelen ervoor zorg te dragen dat de gegevens met betrekking tot de strafrechtelijke veroordeling van eisers door het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 4 februari 1991 zullen worden verwijderd uit de registers van de Justitiële Documentatiedienst.

2.2 Eisers stellen daartoe - kort gezegd - het volgende.

In de eerste plaats is er sprake geweest van onrechtmatige vrijheidsbeneming, aangezien de veroordeling van eisers niet "according to law" tot stand is gekomen. Eisers hebben als gevolg hiervan op grond van artikel 5, vijfde lid, van het EVRM recht op schadevergoeding.

In de tweede plaats is er sprake geweest van onrechtmatige rechtspraak, aangezien bij de voorbereiding van de rechterlijke beslissingen zo fundamentele rechtsbeginselen zijn geschonden dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet meer kan worden gesproken en de Staat aansprakelijk is voor de hieruit voortgevloeide schade.

Wat betreft de vordering tot verwijdering van gegevens uit de registers van de Justitiële Documentatiedienst stellen eisers dat naar analogie van artikel 6 van de Wet op de justitiële documentatie de strafrechtelijke veroordelingen van eisers uit het strafregister dienen te worden verwijderd.

2.3 De Staat voert gemotiveerd verweer.

3. Beoordeling van het geschil

onrechtmatige rechtspraak

3.1 De rechtbank wijst allereerst op het oordeel van het Europese Hof als neergelegd in zijn hierboven genoemde uitspraak van 23 april 1997 dat bij de veroordelingen van eisers bij arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 4 februari 1991 is gehandeld in strijd met artikel 6, eerste lid, gelezen in samenhang met het derde lid, aanhef en onder d, van het EVRM. Gelet hierop moet in dezen als gegeven worden beschouwd dat bij die veroordelingen sprake was van veronachtzaming van zo fundamentele rechtsbeginselen dat niet van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de strafrechtsgedingen kan worden gesproken. Het in de evengenoemde bepalingen van het EVRM besloten liggende beginsel van "fair trial" en - meer toegespitst op de voorliggende gevallen - het recht om in het kader van een vervolging getuigen te doen horen zonder dat daaraan beperkingen zijn verbonden die verder gaan dan strikt noodzakelijk is, is zo wezenlijk voor een eerlijke en onpartijdige voorbereiding en behandeling van een rechterlijke beslissing dat de conclusie dat is gehandeld in strijd met de bedoelde beginselen uit het oordeel van het Europese Hof voortvloeit.

3.2 Tussen partijen is voorts niet in geschil dat tegen de arresten van het gerechtshof geen rechtsmiddelen meer openstaan of, hoewel destijds openstaand, onbenut zijn gelaten. De tegen de arresten ingestelde cassatieberoepen zijn op 9 juni 1992 verworpen. De rechtbank wijst er in dit verband bovendien op dat eisers zich naar aanleiding van de uitspraak van het Europese Hof tot de Hoge Raad hebben gewend met het verzoek de arresten van het gerechtshof op grond van artikel 457, eerste lid, aanhef en onder 2º, van het Wetboek van Strafvordering te herzien, welke verzoeken door de Hoge Raad bij beschikkingen van 6 juli 1999 niet-ontvankelijk zijn verklaard. In deze beschikkingen is onder andere overwogen dat in de uitspraak van het Europese Hof geen omstandigheid is gelegen als bedoeld in evengenoemd artikelonderdeel. Daarbij is aangegeven dat de Nederlandse wetgeving, anders dan in andere landen, geen speciaal aangewezen rechtsgang kent waarin gevolgen kunnen worden verbonden aan een uitspraak van het Europese Hof waarin schending van het EVRM in een Nederlandse strafprocedure is vastgesteld, doch dat het niet aan de rechter is om - mede gelet op de verschillende mogelijkheden om zulks te doen - in dit rechtstekort te voorzien.

3.3 Gelet op het vorenstaande is sprake van - in de arresten van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch gelegen - onrechtmatige rechtspraak en is de Staat aansprakelijk voor de daardoor veroorzaakte schade.

De rechtbank zal de vordering, voor zover ertoe strekkende dat voor recht wordt verklaard dat de Staat aansprakelijk is voor de materiële en immateriële schade die voortvloeit uit de onrechtmatig gebleken rechtspraak van de nationale rechter, te weten: de arresten van het gerechtshof van 4 februari 1991, dan ook toewijzen.

de detentie nà het arrest van het gerechtshof van 4 februari 1991

3.4 De (verdere) detentie van eisers na de arresten van het gerechtshof van 4 februari 1991 is een gevolg van deze arresten.

3.4.1 De Staat heeft betoogd dat uit het oordeel van het Europese Hof niet rechtstreeks voortvloeit dat ook de (voortzetting van de) detentie onrechtmatig is en heeft dit onderbouwd door verwijzingen naar (onder meer) het arrest van de Hoge Raad van 1 februari 1991 (NJ 1991, 413) en de uitspraken van het Europese Hof van 26 mei 1993 (NJ 1993, 466) en van 20 september 1993 (NJ 1994, 358).

De rechtbank onderschrijft dit betoog niet.

3.4.2 Hiertoe is in aanmerking genomen dat het genoemde arrest van de Hoge Raad ziet op de voortzetting van strafrechtelijke detentie nadat het Europese Hof schending van het EVRM heeft geconstateerd, in welk geval onverkorte tenuitvoerlegging van de straf niet meer als krachtens het wettelijk stelsel toegelaten kan worden beschouwd en de veroordeelde zich tot de president in kort geding kan wenden teneinde de verdere tenuitvoerlegging van de straf te verbieden, onderbreken of beperken. Voor de conclusie van de Staat dat hieruit moet worden afgeleid dat de detentie voorafgaand aan de uitspraak van het Europese Hof derhalve niet (in haar geheel) onrechtmatig is geweest, welke conclusie a contrario wordt afgeleid uit de omstandigheid dat de Hoge Raad heeft overwogen dat de tenuitvoerlegging van de straf niet meer als toegelaten kan worden beschouwd, acht de rechtbank geen plaats. De beide genoemde uitspraken van het Europese Hof zien op situaties waarin dat Hof heeft geconstateerd dat de redelijke termijn om tot een uitspraak in een strafzaak te komen is overschreden, in welk geval schending van artikel 6 van het EVRM niet automatisch leidt tot verlies van het recht de straf verder ten uitvoer te leggen, dan wel tot onrechtmatigheid van de reeds ondergane detentie. Naar het oordeel van de rechtbank vallen de in deze uitspraken aan de orde zijnde overschrijdingen van de redelijke termijn evenwel niet op één lijn te stellen met de tot de kern van de strafrechtelijke procedure doordringende schending van het elementaire recht om in de gelegenheid te worden gesteld getuigen te doen horen, zonder dat daaraan beperkingen zijn verbonden die verder gaan dan strikt noodzakelijk is.

3.4.3 Daarbij wijst de rechtbank erop dat het Europese Hof in zijn uitspraak in de onderhavige zaken van 30 oktober 1997 niet heeft volstaan met de constatering dat is gehandeld in strijd met de genoemde bepalingen van het EVRM, doch tevens heeft geoordeeld dat de arresten van het gerechtshof van 4 februari 1991 "to a decisive extent" waren gebaseerd op de gebruikte, in strijd met die bepalingen verkregen getuigenverklaringen. Hieruit blijkt dat het Europese Hof tot de overtuiging is gekomen dat de getuigenverklaringen in de strafzaken van doorslaggevende betekenis waren en zich derhalve ook inhoudelijk heeft verdiept in de strafzaken. In de hiervoor genoemde uitspraken van 26 mei 1993 en 20 september 1993, waarin een overschrijding van de redelijke termijn aan de orde was, is dat niet geschied.

3.5 Wat betreft het oorzakelijk verband tussen de arresten van het gerechtshof en de detentie overweegt de rechtbank voorts dat er, gelet op de omstandigheid dat de bedoelde getuigenverklaringen onrechtmatig zijn verkregen en mede in aanmerking nemende dat het Europese Hof in zijn uitspraak van 23 april 1997 heeft geoordeeld dat de arresten van het gerechtshof "to a decisive extent" op die getuigenverklaringen waren gebaseerd, van uit moet worden gegaan dat het gerechtshof, afgaande op de gehanteerde bewijsconstructie, zonder die verklaringen niet tot het bewijs zou zijn gekomen. Voor een verdergaande beoordeling van de strafzaken tegen eisers in die zin dat wordt getracht te beoordelen wat de uitkomst van die zaken zou zijn geweest, indien de gewraakte getuigenverhoren wel in overeenstemming met het Europese recht waren gehouden, ziet de rechtbank geen aanleiding. Een dergelijke beoordeling zou te speculatief zijn, terwijl de onderhavige procedure bij de rechtbank zich bovendien niet leent voor verdergaand onderzoek naar de eisers in de strafzaken ten laste gelegde feiten. Hier wreekt zich derhalve - eens te meer - het reeds door de Hoge Raad in zijn beschikking van 6 juli 1999 beschreven rechtstekort, daarin bestaande dat de Nederlandse wetgeving, anders dan in andere landen, geen speciaal aangewezen rechtsgang kent waarin gevolgen kunnen worden verbonden aan een uitspraak van het Europese Hof waarin schending van het EVRM in een Nederlandse strafprocedure is vastgesteld.

Voor het aanvaarden van oorzakelijk verband is in dezen voldoende dat kan worden vastgesteld dat de gewraakte getuigenverhoren doorslaggevend waren voor de veroordelingen door het gerechtshof en dat die veroordelingen noodzakelijke voorwaarde waren voor de daaropvolgende (verdere) detentie. Zulks is hier naar het oordeel van de rechtbank het geval.

3.6 Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de Staat aansprakelijk is voor de schade die door eisers is geleden als gevolg van de op de onrechtmatige rechtspraak gevolgde detentie.

De rechtbank komt derhalve niet toe aan de beoordeling van de stelling van eisers dat zij op grond van artikel 5, vijfde lid, van het EVRM recht hebben op schadevergoeding ter zake van de na het arrest van het gerechtshof van 4 februari 1991 ondergane detentie.

3.7 De rechtbank overweegt voorts - onder verwijzing naar het arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 17 juli 1997 (Njkort, 75), waarbij zij zich op dit punt aansluit - dat de op voet van artikel 50 van het EVRM, zoals dat artikel luidde vóór 1 november 1998, door het Europese Hof toegekende genoegdoening voor de nationale rechter geen bindende beslissing is over de hoogte van de (ook) door de nationale rechter als onrechtmatig aangemerkte schending van verdragsregels geleden en op vordering van de gelaedeerde te vergoeden schade.

De nationale rechter dient dan ook zelfstandig en los van de beoordeling door het Europese Hof de omvang van de geleden schade vast te stellen, zij het dat de door het Europese Hof toegekende schadevergoeding daarop in mindering dient te worden gebracht. Aangaande de omvang van de schade zal hieronder verder worden overwogen.

de detentie vóór het arrest van het gerechtshof van 4 februari 1991

3.8 Eisers hebben tevens aanspraak gemaakt op vergoeding van immateriële schade voor de dagen die zij voorafgaande aan de arresten van het gerechtshof van 4 februari 1991 in voorlopige hechtenis hebben doorgebracht. Hiertoe hebben zij aangevoerd dat, aangezien het gerechtshof hen ten onrechte heeft veroordeeld (en niet heeft besloten tot vrijspraak) hun de mogelijkheid is onthouden om op grond van artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering vergoeding te verzoeken van de schade die zij als gevolg van de ondergane voorlopige hechtenis hebben geleden.

De Staat heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.

3.9 De rechtbank stelt in dit verband voorop dat de omstandigheid dat de arresten van het gerechtshof van 4 februari 1991 onrechtmatig tot stand zijn gekomen niet automatisch met zich brengt dat ook de daaraan voorafgegane voorlopige hechtenis onrechtmatig moet worden geacht.

Van onrechtmatige voorlopige hechtenis is slechts sprake indien zij:

1. hetzij is ondergaan ingevolge een bevel dat is verleend in strijd met de wet, dan wel met veronachtzaming van fundamentele vereisten;

2. hetzij achteraf uit het strafdossier - uit de einduitspraak of anderszins - is gebleken dat de verdenking ten onrechte heeft bestaan.

In het geval van eisers is in de eerste plaats niet gebleken dat de bevelen tot voorlopige hechtenis zijn gegeven in strijd met de wet of met veronachtzaming van fundamentele vereisten. De omstandigheid dat gebruik is gemaakt van anonieme getuigenverklaringen, welke - naar later duidelijk is geworden - niet in overeenstemming met het Europese recht zijn verkregen, leidt er niet toe dat reeds daarom moet worden geoordeeld dat de ondergane voorlopige hechtenis onrechtmatig is. Ook overigens is niet duidelijk geworden dat hier sprake is van bevelen tot voorlopige hechtenis die in strijd met de wet of met veronachtzaming van fundamentele vereisten zijn gegeven, waarbij mede in aanmerking is genomen dat er tegen eisers ook los van de bedoelde getuigenverklaringen voldoende grond was voor serieuze verdenkingen.

In de tweede plaats kan niet worden staande gehouden dat achteraf is gebleken dat de verdenkingen ten onrechte hebben bestaan. Ook hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat op andere gronden dan die waaraan de bedoelde getuigenverklaringen ten grondslag hebben gelegen, voldoende aanleiding was voor serieuze verdenkingen.

3.10 Wat betreft de door eisers gevolgde redenering als hierboven onder 3.8 aangegeven, overweegt de rechtbank dat die redenering ertoe zou leiden dat zij zich zou moeten buigen over de vraag of het gerechtshof (althans de raadkamer daarvan) in het geval het overeenkomstig het EVRM zou hebben gehandeld en de strafprocedure zou zijn geëindigd zonder oplegging van straf op grond van artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering (ervan uitgaande dat eisers daarom zouden hebben verzocht), zou hebben besloten op gronden van billijkheid een vergoeding toe te kennen voor de - op zichzelf rechtmatige - voorlopige hechtenis.

Aan de hand van een inschatting van de goede en kwade kansen die eisers in een procedure ex artikel 89, voornoemd, zouden hebben gehad is de rechtbank op basis van hetgeen ter zake door partijen over en weer is gesteld van oordeel dat het gerechtshof (althans de raadkamer daarvan) - gelet op de omstandigheid dat er, de onrechtmatig verkregen getuigenverklaringen weggelaten, gerede verdenkingen zijn overgebleven - niet tot toekenning van een vergoeding op gronden van billijkheid zou zijn overgegaan. Op basis van de door partijen overgelegde stukken uit het strafdossier gaat de rechtbank er van uit dat het gerechtshof daarvoor in de strafdossiers voldoende aanknopingspunten zou hebben gevonden en zulks ook in de arresten kenbaar zou hebben gemaakt.

Mitsdien bestaat aanleiding de vordering van eisers op dit punt af te wijzen.

de omvang van de schade

3.11 Eisers hebben zich op het standpunt gesteld dat in hun situatie, gelet op de uitzonderlijk lange duur van de detentie, de ernst van de beschuldigingen en de psychische gevolgen voor hen, de beperking van hun toekomstmogelijkheden, de aantasting van hun eer en goede naam, een schadevergoeding van ƒ 250,-- per detentiedag redelijk is.

De Staat heeft daartegenover gesteld dat, voor zover al aanleiding bestaat schadevergoeding toe te kennen, er geen grond is die hoger vast te stellen dan op het standaardbedrag van ƒ 150,-- per detentiedag.

3.12 De rechtbank wijst er allereerst op dat geen aanleiding bestaat tot toekenning van schadevergoeding voor zover die schade voortvloeit uit de omstandigheid dat eisers zijn vervolgd. Als gezegd bestaat er voldoende grond aan te nemen dat voor die vervolging als zodanig voldoende en serieuze redenen waren. Gelet hierop ontvalt de grond aan een deel van de argumenten die eisers naar voren hebben gebracht als reden voor toekenning van een hogere schadevergoeding dan het "standaardbedrag" van ƒ 150,-- per detentiedag. Voorts wordt overwogen dat, voor zover eisers door de pers in een kwaad daglicht zijn gesteld, de Staat daarvoor niet aansprakelijk kan worden gesteld, nu niet is gebleken dat de Staat daaraan actief heeft bijgedragen, terwijl evenmin kan worden volgehouden dat zulks voor rekening en risico van de Staat behoort te komen.

Voor het overige acht de rechtbank toekenning van een vergoeding van ƒ 150,-- per detentiedag een adequate en billijke vergoeding voor de door eisers geleden schade.

3.13 Op de aldus te berekenen bedragen dienen evenwel, zoals eisers zelf reeds hebben aangegeven en overeenkomstig hetgeen hiervoor onder 3.7 is overwogen, de door het Europese Hof toegekende bedragen in mindering te worden gebracht.

3.14 Ten aanzien van de gevorderde wettelijke rente overweegt de rechtbank dat de Staat op dit punt geen verweer heeft gevoerd. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat de vordering op dit onderdeel op de wet is gegrond, zal de rechtbank de Staat veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente op de voet van het bepaalde in de artikelen 6:119 en 6:120 van het Burgerlijk Wetboek, te rekenen vanaf de datum waarop de arresten van het gerechtshof zijn uitgesproken.

de kosten van rechtsbijstand in de procedure bij het gerechtshof

3.15 Eisers hebben gevorderd dat de Staat wordt veroordeeld de door hen in de procedure bij het gerechtshof gemaakte kosten van rechtsbijstand te vergoeden.

3.16 De rechtbank overweegt ter zake dat grond bestaat aansluiting te zoeken bij het bepaalde in artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering. Immers, nagegaan moet worden hoe het gerechtshof zou hebben beslist, indien het in overeenstemming met het EVRM zou hebben gehandeld. Van belang is hierbij dat - gelet op de omstandigheid dat artikel 90 van dat wetboek van overeenkomstige toepassing is verklaard - moet worden bezien of er gronden van billijkheid zijn om tot toekenning van schadevergoeding over te gaan. Gelijk hiervoor onder 3.9 is overwogen dient daarbij onder ogen te worden gezien dat er, de onrechtmatig verkregen getuigenverklaringen weggedacht, gerede verdenkingen zouden zijn overgebleven, op grond waarvan aanleiding bestaat de vergoeding op gronden van billijkheid te beperken. De rechtbank ziet aanleiding enkel die kosten te doen vergoeden die zijn gemaakt juist in verband met de schending van het EVRM, dan wel teneinde die schending te voorkomen. Bij gebreke van een duidelijke uitsplitsing van de gestelde kosten zal de rechtbank het toe te wijzen deel daarvan vaststellen op de helft van de gevorderde bedragen.

De over deze bedragen gevorderde wettelijke rente komt eveneens voor toewijzing in aanmerking, te rekenen vanaf 4 februari 1991, zijnde de datum waarop de arresten van het gerechtshof zijn uitgesproken.

verwijdering van gegevens uit de registers van de Justitiële Documentatiedienst

3.17 Eisers zijn van mening dat de gegevens met betrekking tot hun strafrechtelijke veroordelingen door het gerechtshof te 's-Hertogenbosch uit de registers van de Justitiële Documentatiedienst dienen te worden verwijderd. Hiertoe hebben zij aangevoerd dat in het strafregister slechts onherroepelijke veroordelingen worden opgenomen en dat op grond van artikel 6 van de Wet op de justitiële documentatie en op verklaringen omtrent het gedrag een strafblad dient te worden verwijderd, indien na vernietiging van het gewijsde geen straf of maatregel wordt opgelegd. Volgens eisers dient in hun situatie overeenkomstige toepassing te worden gegeven aan het bepaalde in artikel 6, voornoemd.

3.18 De rechtbank wijst er allereerst op dat in de Wet op de justitiële documentatie en op verklaringen omtrent het gedrag limitatief is bepaald in welke gevallen gegevens in het strafregister worden opgenomen en in welke gevallen die worden verwijderd. Duidelijk is dat in dezen niet is voldaan aan de voorwaarden voor verwijdering van de gegevens omtrent de veroordelingen uit het strafregister.

Voor analoge toepassing van artikel 6 van genoemde wet ziet de rechtbank voorts geen aanleiding, nu de onherroepelijk geworden arresten waarbij eisers zijn veroordeeld tot gevangenisstraffen op zichzelf niet door de uitspraak van het Europese Hof zijn aangetast en eisers wel degelijk als gevolg van het onherroepelijk worden van deze arresten geruime tijd gedetineerd zijn geweest.

De rechtbank zal de vordering derhalve op dit punt afwijzen.

3.19 Hoewel de vordering niet daartoe strekt acht de rechtbank termen aanwezig ten overvloede te overwegen dat zij er wel van uit gaat dat de Staat het ertoe zal leiden dat in het strafregister ten aanzien van eisers aantekening zal worden gemaakt van de gang van zaken na het onherroepelijk worden van de bedoelde arresten van het gerechtshof. In het bijzonder ware daarin aan te tekenen dat de klacht van hen door het Europese Hof gegrond is bevonden en dat zij op grond daarvan in vrijheid zijn gesteld.

3.20 De Staat zal als de in overwegende mate in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

BESLISSING

De rechtbank:

I. verklaart voor recht dat de Staat aansprakelijk is voor de materiële en immateriële schade die voortvloeit uit de onrechtmatig gebleken arresten van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 4 februari 1991;

II. veroordeelt de Staat om aan ieder van eisers te betalen een bedrag van ƒ 150,-- per detentiedag, te rekenen vanaf de datum van het arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 4 februari 1991, te vermeerderen met de wettelijke rente en te verminderen met de reeds op grond van de uitspraak van het Europese Hof van 30 oktober 1997 aan hen toegekende vergoedingen;

III. veroordeelt de Staat aan [eiser1] te betalen een bedrag van

ƒ 11.500,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 februari 1991;

IV. veroordeelt de Staat aan [eiser2] te betalen een bedrag van ƒ 2.981,25, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 februari 1991;

V. veroordeelt de Staat aan [eiser3] te betalen een bedrag van ƒ 11.841,20, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 februari 1991;

VI. veroordeelt de Staat in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van eisers begroot op ƒ 11.879,37 en veroordeelt de Staat mitsdien om te voldoen:

a. aan de griffier van deze rechtbank:

- ƒ 810,-- voor in debet gesteld griffierecht;

- ƒ 79,37 voor kosten inleidende dagvaarding (inclusief BTW);

- ƒ 10.800,-- voor salaris van de procureur van eisers;

in totaal derhalve ƒ 11.689,37, met welk bedrag de griffier zal dienen te handelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 57b van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;

b. aan eisers:

ƒ 190,-- voor niet in debet gesteld griffierecht;

VII. wijst het meer of anders gevorderde af;

VIII. verklaart de hiervoor onder II, III, IV, V en VI vermelde onderdelen van dit dictum uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr. P. Kalbfleisch, mr. J.L.W. Aerts en mr. Chr.H. van Dijk en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 januari 2001, in tegenwoordigheid van de griffier.