Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AD7009

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-12-2000
Datum publicatie
03-12-2002
Zaaknummer
AWB 99/4249, 99/3249
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:86, geldigheid: 2000-12-05
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2001/50 met annotatie van A.R. Neerhof

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Haarlem

enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken

fungerend president

U I T S P R A A K

artikel 8:77 en 8:81 Algemene Wet Bestuursrecht (Awb)

artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr: AWB 99/4249 VRWET H (beroepszaak)

AWB 99/3249 VRWET H (voorlopige voorziening)

inzake: A, wonende/verblijvende te B, eiser/verzoeker,

gemachtigde: mr. A.A. Baldewsing, advocaat te Amsterdam,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. D.J. de Jong, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te 's-Gravenhage.

1. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1.1 Eiser/verzoeker (hierna kortweg te noemen: eiser), geboren op [...] 1967, heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Hij is op 8 juli 1995 Nederland binnengekomen. Op 3 juli 1996 heeft hij een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot verblijf met als doel: verblijf bij Britse partner C, van Britse nationaliteit. Op 15 juli 1996 is eiser de gevraagde vergunning verleend. De geldigheidsduur van die vergunning tot verblijf is laatstelijk verlengd tot 15 juli 1999.

1.2 Bij beschikking van 31 maart 1999 heeft verweerder de aan eiser verleende vergunning tot verblijf ingetrokken. Eiser heeft op 12 april 1999 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.

1.3 Verweerder heeft bepaald dat uitzetting gedurende de periode dat het bezwaar aanhangig is, niet achterwege zal blijven. Bij verzoekschrift van 19 april 1999 heeft eiser de president van de rechtbank verzocht bij wijze van voorlopige voorziening over te gaan tot schorsing van de beslissing van verweerder om uitzetting niet achterwege te laten, totdat op het bezwaar is beslist.

1.4 Bij beslissing van 12 mei 1999, aan eiser uitgereikt op diezelfde datum, heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Eiser heeft op 18 mei 1999 tegen dit besluit beroep bij deze rechtbank ingesteld.

1.5 Verweerder heeft bepaald dat de uitzetting gedurende de periode dat het beroep aanhangig is, niet achterwege zal blijven. De rechtbank begrijpt het petitum van het verzoek om een voorlopige voorziening van 19 april 1999 aldus dat het verzoek er thans toe strekt uitzetting hangende de behandeling van het beroep te voorkomen.

1.6 Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek en ongegrondverklaring van het beroep.

1.7 De openbare behandeling van deze zaak heeft plaatsgevonden op 23 augustus 2000. Ter zitting hebben eiser en verweerder bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet.

2. OVERWEGINGEN

Ten aanzien van het beroep

2.1 In de hoofdzaak dient te worden beoordeeld of de ongegrondverklaring van het bezwaar gericht tegen de intrekking van de vergunning tot verblijf, in rechte stand kan houden. Daartoe moet worden bezien of dit besluit, gelet op de feiten en omstandigheden ten tijde van het nemen van dit besluit, de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

2.2 Ingevolge artikel 12, aanhef en onder a, Vw kan de vergunning tot verblijf van een vreemdeling worden ingetrokken indien hij onjuiste gegevens heeft verstrekt die hebben geleid tot het verlenen, of het verlengen van de geldigheidsduur, van de vergunning.

2.3 Bij haar beoordeling gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.

Eiser heeft bij de indiening van de aanvraag opgegeven dat hij ongehuwd was en ter staving daarvan documenten overgelegd die niet waren gelegaliseerd en inhoudelijk geverifieerd. Op basis daarvan is de behandelend ambtenaar van de Vreemdelingendienst overgegaan tot verlening van de gevraagde vergunning.

Op 28 december 1998 is eiser aangehouden in verband met verdenking van overtreding van de Opiumwet. Bij een met deze verdenking samenhangende huiszoeking is in de woning van eiser een beschikking van de Nederlandse ambassade te Lagos van 25 juni 1996 aangetroffen.

Deze beschikking behelst afwijzing van de op eiser betrekking hebbende legalisatie-aanvraag van 21 mei 1996. Als reden wordt opgegeven dat "door verificatie van de aangeboden stukken is gebleken dat frauduleuse documenten werden overgelegd".

De aangeboden stukken betroffen:

- een geboorte-akte;

- een echtscheidingsuitspraak van de Customary Court of Enugu State;

- en een "affidavid of invalidation of marriage".

2.4 Naar aanleiding van het aantreffen van deze beschikking is eiser door de korpschef op 10 februari 1999 uitgenodigd op het politiebureau teneinde zijn commentaar te vernemen. Eiser is verschenen. Omdat eiser aangaf dat hij geen Nederlands kon lezen is de beschikking voor hem in het Engels vertaald. Vervolgens heeft eiser verklaard dat hij zelf nooit om legalisatie heeft gevraagd en dat bedoelde documenten niet frauduleus of vals zijn. Hij kan zich bovendien niet herinneren de beschikking te hebben ontvangen. Het onderaan de brief vermelde adres is het adres van zijn vader.

2.5 Verweerder is op basis van die bevindingen overeenkomstig het door de korpschef gedane voorstel overgegaan tot intrekking van de verleende vergunning tot verblijf. Verweerder heeft de bestreden beslissing, onder verwijzing naar de beschikking in primo en, voor zover hier van belang en samengevat, onder meer doen steunen op de overweging dat het niet voor rekening van eiser komt dat een onervaren ambtenaar abusievelijk genoegen heeft genomen met de ongelegaliseerde aktes, maar dat is gebleken dat eiser destijds documenten -in de beschikking in primo wordt melding gemaakt van "een (ver)vals(t)e geboorte-akte" en "een (ver)vals(t)e echtscheidingsakte"- heeft overgelegd waarvan hij op grond van de beschikking van de ambassade redelijkerwijs wist dat deze frauduleus en (ver)vals(t) waren. Voorts heeft verweerder overwogen dat, was destijds bekend geweest dat deze documenten (ver)vals(t) waren, dan niet zou zijn besloten tot verlenen van de gevraagde vergunning. Tenslotte is door verweerder overwogen dat hij geen zelfstandig oordeel hoeft te geven over het al dan niet juist zijn van de inhoud van de beschikking van de ambassade nu tegen de beschikking een afzonderlijk rechtsmiddel openstaat.

2.6 Eiser heeft, voor zover hier van belang en samengevat, in beroep de navolgende grieven aangevoerd. Op de eerste plaats bestrijdt hij dat de beschikking van de Nederlandse ambassade hem aan zijn adres in Nederland is toegezonden. De brief is afgegeven of verzonden aan (de op) het adres van zijn vader (verblijvende tante) in Nigeria. De stelling dat eiser documenten heeft overgelegd waarvan hij redelijkerwijs wist dat zij (ver)vals(t) waren, is hierdoor niet aannemelijk. Hij heeft de brief pas ontvangen, nadat hij in het bezit was gesteld van een vergunning tot verblijf. Daarnaast bestrijdt eiser het rechtmatig gebruik van de brief in de onderhavige procedure. Voorts kan ervan worden uitgegaan dat eiser heeft gepersisteerd bij zijn in bezwaar gevoerde betoog dat de intrekking van de verblijfsvergunning voor hem een inbreuk betekent op het recht op family-life in de zin van artikel 8 EVRM.

2.7 Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd zoals weergegeven in het zich bij de stukken bevindende verweerschrift en heeft ter zitting zijn eerder ingenomen standpunt gehandhaafd.

Beoordeling van het beroep

2.8 Vooropgesteld wordt dat bij de vergunningverlening aan eiser destijds door de desbetreffende behandelend ambtenaar van de Vreemdelingendienst genoegen is genomen met ongelegaliseerde aktes. Gelet hierop gaat het niet aan om, zoals in het verweerschrift wordt geponeerd, de weigering van de legalisatie op zichzelf thans als intrekkingsgrond te doen gelden.

2.9 In het midden kan eveneens blijven of eiser ten tijde van zijn aanvraag om een verblijfsvergunning wist dan wel redelijkerwijs behoorde te weten dat legalisatie van zijn documenten door de Nederlandse ambassade te Lagos was geweigerd en dat het eventueel ging om (ver)vals(t)e documenten. Voor intrekking van een verleende vergunning tot verblijf dient ingevolge artikel 12, aanhef en onder a, Vw sprake te zijn van onjuiste gegevens die hebben geleid tot verlen(g)ing van de vergunning. Naar het oordeel van de rechtbank gaat het hierbij niet om de wetenschap van eiser maar om die van verweerder. In het onderhavige geval zou verweerder de verleende vergunning tot verblijf wegens verblijf bij partner hebben mogen intrekken indien, gelet op het desbetreffende beleid, hem bekend zou zijn geweest dat eiser niet ongehuwd was dan wel indien hij op dat punt gerede twijfel zou hebben mogen koesteren.

2.10 Aan dit criterium is niet voldaan. Niet is gebleken dat verweerder zich destijds heeft mogen baseren op bedoelde wetenschap of twijfel.

Grondslag voor het oordeel van verweerder, dat bij de aanvraag door eiser (ver)vals(t)e documenten zijn verstrekt, vormt immers de beschikking van de ambassade. In deze beschikking is enkel aangegeven dat "door verificatie is gebleken dat frauduleuse documenten werden overgelegd". Nu door eiser is aangevoerd dat dit niet het geval is en ervan moet worden uitgegaan dat hij zich op zijn ongehuwde staat heeft beroepen, had het op de weg van verweerder gelegen bij de ambassade te Lagos te informeren wat precies bedoeld werd met genoemde frauduleusheid en op welk(e van de drie genoemde) document(en) deze kwalificatie betrekking heeft. De rechtbank stelt vast dat verweerder dit heeft nagelaten er zonder meer van is uitgegaan dat de overgelegde geboorte-akte en "echtscheidingsakte" (ver)vals(t) zijn, hetgeen overigens blijkens na te melden brief van de Nederlandse ambassade te Lagos van 26 juli 2000 een niet (geheel) juiste veronderstelling is.

2.11 Aldus heeft verweerder geen invulling gegeven aan de zorgvuldigheid die hij ingevolge het bepaalde in artikel 3:2 Awb bij de voorbereiding van een besluit in acht dient te nemen. Voorts is sprake van een motiveringsgebrek. Gelet hierop is het beroep gegrond en dient de bestreden beslissing te worden vernietigd.

2.12 De rechtbank ziet evenwel aanleiding om onder toepassing van artikel 8:72, derde lid, Awb, te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Daartoe wordt het volgende overwogen.

2.13 Verweerder heeft bij verweerschrift onder verwijzing naar een aan het verweerschrift gehechte brief van de Nederlandse ambassade te Lagos van 26 juli 2000 zich op het standpunt gesteld dat uit na de bestreden beschikking verricht onderzoek naar de onderliggende stukken is gebleken dat de ter legalisatie aangeboden echtscheidingsuitspraak van de Customary Court of Enugu State is vervalst.

2.14 De rechtbank is van oordeel dat verweerder, ware hij destijds bekend met de inhoud van deze brief van de ambassade waarin de vervalsingen zijn gespecificeerd, gerede twijfel had mogen koesteren op het punt van de ongehuwde staat van eiser. In dat geval zou de vergunning terecht zijn ingetrokken. Daar doet niet aan af hetgeen eiser in zijn pleidooi heeft aangevoerd met betrekking tot de zeggingskracht, zinloosheid of onbegrijpelijkheid van gesignaleerde vervalsingen, aangezien reeds de signalering van vervalsingen in bedoeld bewijsdocument voldoende aanleiding mag vormen om tot intrekking over te gaan.

2.15 Het eerst bij pleidooi namens eiser gevoerde betoog, dat verweerder dient te berusten in de verleende vergunning tot verblijf omdat verweerder hem nooit -ook niet bij de verlengingen van de hem verleende verblijfsvergunning- heeft aangesproken op het ontbreken van gelegaliseerde documenten, faalt reeds omdat uit de genoemde bijlage onvoldoende blijkt dat verweerder toentertijd op de hoogte was van deze omstandigheid.

2.16 Komt thans aan de orde de vraag of de weigering om aan eiser voortgezet verblijf toe te staan een schending betekent van het recht op eerbiediging van family-life als bedoeld in artikel 8 EVRM. In dit geval is er sprake van inmenging in het recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven als hiervoor bedoeld tussen eiser en zijn Britse partner. Om te beoordelen of een dergelijke inmenging op grond van het tweede lid van artikel 8 EVRM gerechtvaardigd is, dient verweerder een redelijke afweging te maken tussen de belangen van het individu en die van de gemeenschap in zijn geheel. Verweerder beroept zich in dit verband op de noodzaak van een restrictief toelatingsbeleid. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht de belangen van eiser ondergeschikt geacht. Hierbij is in aanmerking genomen dat eiser door een ambtelijke misslag in staat is gesteld hier te lande dat gezins- en familieleven op te bouwen en dat niet is gebleken van zwaarwegende omstandigheden met betrekking tot eiser en/of zijn partner dat op grondslag van artikel 8 EVRM tot verblijfsaanvaarding zou moeten worden overgegaan.

2.17 Het beroep is derhalve gegrond. De rechtsgevolgen van de bestreden beschikking zullen in stand blijven.

Ten aanzien van de voorlopige voorziening

2.18 Gegeven de beschikking in de hoofdzaak is er geen grond meer voor het treffen van de verzochte voorlopige voorziening, zodat het verzoek zal worden afgewezen.

Ten aanzien van de voorlopige voorziening en het beroep

2.19 In dit geval bestaat aanleiding verweerder in de hoofdzaak met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten, zulks met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De kosten zijn op voet van het bepaalde in het bovengenoemde Besluit vastgesteld op ƒ1.420,-- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

2.20 Uit de gegrondverklaring volgt dat verweerder het betaalde griffierecht ad tweemaal ƒ225,-- dient te vergoeden.

3. BESLISSING

De rechtbank:

ten aanzien van de hoofdzaak:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt de bestreden beschikking;

3.3 bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde beschikking in stand blijven;

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad ƒ1.420,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eiser dient te vergoeden;

3.5 wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad ƒ225,--.

De president:

ten aanzien van de gevraagde voorlopige voorziening:

3.6 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

3.7 wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad ƒ225,--.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R.A. Verwoerd, lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken, tevens fungerend president, en uitgesproken in het openbaar op 5 december 2000, in tegenwoordigheid van mr. S.O. Vos als griffier.

afschrift verzonden op:

7 december 2000

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.