Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AD6828

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
31-03-2000
Datum publicatie
21-11-2002
Zaaknummer
AWB 96/14111
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2000/147
RV20000028 met annotatie van Kuijer A. Aldo
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te' s-Gravenhage zittinghoudende te Amsterdam Sector Bestuursrecht enkelvoudige kamer

Uitspraak artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb) jO artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr.: AWB 96/14111 VRWET

inzake :

A, wonende te B, eiseres,

tegen :

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder

I. ONTST AAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiseres, geboren op [...] 1972, bezit de Marokkaanse nationaliteit. Bij besluit van 19 september 1995, aan eiseres uitgereikt op 1 oktober 1995, heeft verweerder de met ingang van 1 februari 1994 aan eiseres verleende vergunning tot verblijf ingetrokken en op de aanvraag om verlening van een vergunning tot verblijf van eiseres van 1 april 1995 afwijzend beslist. Eiseres heeft tegen dit besluit op 27 oktober 1995, aangevuld bij schrijven van 23 november 1995 (met bijlagen), bezwaar gemaakt. Op 14 oktober 1996 is eiseres gehoord door een ambtelijke commissie (AC). Het bezwaar is bij besluit van 18 november 1996 ongegrond verklaard.

2. Bij beroepschrift van 16 december 1996, aangevuld bij schrijven van 17 februari 1997, heeft eiseres tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Op 10 maart 1997 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. Bij verweerschrift van 7 augustus 1997 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep. Eiseres heeft haar standpunt nog nader onderbouwd bij schrijven van 11 september 1997 (met bijlagen).

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 september 1997. Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr .N. van den Berg, advocaat te Ede- Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door gemachtigde mr. C.F.D. Kagenaar, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van verweerders ministerie.

4. Bij beslissing van 18 september 1997 is het onderzoek heropend teneinde een nader onderzoek in te (doen) stellen met betrekking tot de positie van een in Nederland gescheiden Marokkaanse vrouw met kind bij terugkeer in Marokko. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder bij brief van 3 oktober 1997 meegedeeld de Minister van Buitenlandse Zaken te hebben verzocht het een en ander te onderzoeken. Van de resultaten van dit onderzoek heeft verweerder de rechtbank bij brief van 13 november 1997 in kennis gesteld. Bij brief van 2 december 1997 heeft eiseres op de brief van verweerder gereageerd. Op 18 december 1997 heeft verweerder een aanvullend verweerschrift ingediend. Eiseres heeft haar standpunt nog nader onderbouwd bij schrijven van 27 januari 1998 (met bijlage).

5. Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 5 februari 1998. Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Van den Berg, voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door gemachtigde mr. J.M. Dorgelo, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van verweerders ministerie. Tevens was als tolk ter zitting aanwezig M. Melehi.

Bij beslissing van 13 februari 1998 is het onderzoek heropend teneinde een deskundigenonderzoek te doen verrichten door mw.mr. L. Jordens-Cotran, verbonden aan de Universiteit van Amsterdam, omtrent de positie van eiseres als in Nederland gescheiden vrouw met kind bij terugkeer in Marokko. Op 18 november 1998 heeft mw. Jordens-Cotran terzake rapport uitgebracht, welk rapport bij brieven van 17 maart 1999 aan partijen is toegezonden. Bij brieven van 8 april 1999 respectievelijk 22 april 1999 hebben eiseres en verweerder op dit rapport gereageerd. Bij verweerschrift van

16 december 1999 heeft verweerder nader verweer gevoerd. Eiseres heeft haar standpunt nog nader onderbouwd bij schrijven van 21 december 1999 (met bijlage).

6. Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 20 januari 2000. Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door Inr. Van den Berg, voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door gemachtigde Inr. N.H.A. Arkenbosch, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van verweerders ministerie. Tevens was als tolk ter zitting aanwezig M. Ziani.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

2. Bij de beantwoording van die vraag gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.

De vader en de moeder van eiseres zijn in 1976 respectievelijk in 1992 overleden. Sedert het overlijden van haar ouders, tot aan het vertrek naar Nederland, heeft eiseres bij haar broer gewoond. Op 1 juli 1993 is eiseres te Marokko gehuwd met C, geboren op [...] 1974. C bezit zowel de Marokkaanse als de Nederlandse nationaliteit. Eiseres is op 14 december 1993 Nederland ingereisd. Op 1 februari 1994 is zij in het bezit gesteld van een vergunning tot verblijf met als doel: "verblijf bij Nederlandse echtgenoot en het verrichten van arbeid in loondienst" .Deze vergunning tot verblijf is laatstelijk verlengd tot 16 december 1995. Uit het huwelijk van eiseres en C is op [...] 1994 een dochter geboren, genaamd D. Deze dochter bezit de Nederlandse en de Marokkaanse nationaliteit. Het huwelijk met C is op 24 februari 1995 feitelijk verbroken en op 15 februari 1996 door echtscheiding ontbonden. Op 24 februari 1995 heeft eiseres aangifte gedaan van mishandeling door haar echtgenoot. Op 1 april 1995 heeft eiseres bij de korpschef van de politieregio Gelderland Midden een aanvraag ingediend om een vergunning tot verblijf met als doel: "het verrichten van arbeid in loondienst dan wel humanitaire redenen" .Deze aanvraag is ambtshalve aangemerkt als een aanvraag om wijziging c.q. opheffing van de beperking waaronder de vergunning tot verblijf is verleend. Bij beslissing van 19 september 1995 is de aan eiseres verleende vergunning tot verblijf voor verblijf bij echtgenoot ingetrokken. Tevens is bij deze beslissing de aanvraag om een vergunning tot verblijf van eiseres van 7 april 1995 niet ingewilligd. Uit het rapport van de Geneeskundig Inspecteur bij het Ministerie van Justitie (GI) van 27 augustus 1996 is onder meer gebleken dat tegen het vertrek van D naar Marokko geen medisch bezwaar bestaat. Eiseres ontvangt een uitkering van de sociale dienst. Er verblijven nog drie broers en twee zusters van eiseres in Marokko. In Nederland verblijft een zuster.

3. Eiseres meent dat klemmende redenen van humanitaire aard tot toelating nopen.

In bezwaar voert eiseres aan dat haar in redelijkheid geen voortgezet verblijf kan worden geweigerd. Zij is twee en een halfjaar gehuwd geweest. Voorts verblijft eiseres bijna twee jaar in Nederland. Van haar kan niet worden gevergd dat zij terugkeert naar het land van herkomst. Zij is een alleenstaande vrouw met een kind, welk kind in Nederland is geboren. Bovendien woont de vader van haar dochter in Nederland en bestaat er familieleven tussen hen. Eiseres woont thans bij haar zuster, welke zuster de nodige bijstand verleent. De dochter van eiseres heeft voedingsproblemen. De maatschappelijke positie van een gescheiden moeder met kind in Marokko is onmogelijk. Haar positie is volstrekt onbeschermd. Eiseres krijgt bovendien geen uitkering en kan niet gaan werken omdat zij de zorg draagt voor haar kind. In dit kader wordt verwezen naar het bij schrijven van 10 januari 1997 door eiseres overgelegde verklaring mevrouw P. Jansen, werkzaam bij de Stichting Thuiszorg Veluwe te Ede, waarin wordt uiteengezet wat de omstandigheden zijn waarin een alleenstaande Marokkaanse vrouw met een kind zich in haar land bevindt . Eiseres volgt een schoolopleiding in de Nederlandse taal en cultuur en neemt deel aan sportactiviteiten.

4. In beroep voert eiseres aan dat niet valt in te zien op grond waarvan een Nederlands kind niet in Nederland zou mogen opgroeien. Haar dochter is inmiddels ruim tweeëneenhalf jaar oud en heeft immer in Nederland verbleven. Het is van belang dat zij contact heeft met haar beide ouders, ook al is zij nog jong en is er momenteel geen (geregeld) contact met de vader. Wanneer haar dochter zal dienen terug te keren naar het land van herkomst wordt haar de mogelijkheid ontnomen contact te onderhouden met haar vader. Eiseres legt verklaringen over van haar drie broers waarin laatstgenoemden verklaren dat zij niet in staat zijn eiseres en haar dochter onderdak te bieden en te onderhouden. Voorts wordt overgelegd een akte waaruit blijkt dat eiseres geen woonruimte heeft in het land van herkomst. Weliswaar heeft eiseres familie in het land van herkomst doch deze is niet in staat haar op te nemen in hun gezin. Navraag bij het Marokkaanse maatschappelijk werk heeft uitgewezen dat een echtscheiding in het buitenland niet door de familie in Marokko wordt geaccepteerd. De gescheiden vrouwen haar kind zal van haar familie geen opvang en ondersteuning verkrijgen-

Bij schrijven van 16 mei 1997 is overgelegd een kopie van de oproep van Ziekenhuis Gelderse Vallei voor opname op 12 mei 1997.

Uit een schrijven van 17 juni 1997 van W .1. Beijneveld blijkt dat op 13 mei 1997 bij eiseres een corrigerende osteotomie is verricht. De nabehandeling bestaat uit zes weken gips.

5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres niet in aanmerking komt voor toelating. In de bestreden beschikking is voldoende gemotiveerd weergegeven op grond waarvan eiseres geacht kan worden zich zelfstandig in Marokko te kunnen handhaven terwijl zij aldaar een -naar plaatselijke maatstaven- aanvaardbaar bestaan kan leiden. Dat eiseres thans geen woonruimte in Marokko heeft, doet hier niet aan af. Eiseres heeft voorts gesteld dat zij -als een in het buitenland gescheiden Marokkaanse vrouw- geen ondersteuning en opvang kan krijgen van haar familie. De juistheid van deze stelling daargelaten, merkt verweerder op dat deze stelling te algemeen is. Uit de door eiseres overgelegde verklaringen van haar broers blijkt slechts dat zij eiseres niet kunnen onderhouden, terwijl uit deze verklaringen tevens kan worden afgeleid dat er kennelijk weer contact bestaat tussen eiseres en haar familieleden in Marokko. Eiseres heeft in beroep een aantal stukken overgelegd met betrekking tot haar gezondheidstoestand. De ex-tunc toetsing in beroep daargelaten, merkt verweerder op dat uit deze stukken niet blijkt dat van eiseres niet kan worden verlangd dat zij terugkeert naar het land van herkomst. Eiseres stelt tenslotte dat terugkeer naar Marokko in de weg staat aan de omgang tussen haar dochter en diens vader. Verweerder merkt hierover op dat eiseres ten overstaan van de AC heeft verklaard dat de vader nimmer naar zijn dochter heeft gevraagd. Overigens staat het zowel de dochter als de vader vrij elkaar in Marokko dan wel in Nederland te bezoeken.

Bij schrijven van 31 oktober 1997 heeft de vertegenwoordiging van de Minister van Buitenlandse Zaken te Rabat verweerder bericht dat op de bij brief van 3 oktober 1997 gestelde vragen geen algemeen antwoord is te geven. Eén en ander is zeer afhankelijk van diverse omstandigheden. Het antwoord van de Minister van Buitenlandse Zaken bevestigt derhalve het standpunt van verweerder dat de door eiseres in beroep ingebrachte stukken betreffende de positie van gescheiden Marokkaanse vrouwen te algemeen zijn om in het onderhavige geval zonder meer opgang te kunnen doen.

6. Bij brief van 2 december 1997 heeft eiseres aangevoerd dat bij beslissing van

18 september 1997 zeer concrete vragen aan verweerder zijn gesteld. Eiseres meent dat, nu op de gestelde vragen slechts in vage en algemene termen is geantwoord, dit antwoord als onvolledig en ongemotiveerd ter zijde dient te worden gesteld.

7. Bij aanvullend verweerschrift heeft verweerder het navolgende aangevoerd. De vraag die door de rechtbank aan verweerder is voorgelegd betreft de positie van " een in Nederland gescheiden Marokkaanse vrouw met kinderen bij terugkeer in Marokko". In tegenstelling tot eiseres meent, is verweerder van oordeel dat dit een vraag van algemene aard is, die door de Minister van Buitenlandse Zaken slechts in algemene zin kon worden beantwoord. Verweerder is van mening dat opvang van eiseres in Marokko niet noodzakelijk is nu zij in staat moet worden geacht zich zelfstandig te handhaven. Uit niets blijkt dat eiseres in een onaanvaardbare positie terecht zou komen bij terugkeer naar Marokko. In dit verband verwijst verweerder riaar een uitspraak van deze rechtbank van 19 januari 1996 (AWB 95/3421). Hierbij is mede van belang de verklaringen van de familie van eiseres, waaruit kan en mag worden afgeleid dat eiseres nog contact met hen onderhoudt. Zij zal derhalve niet geheel van sociaal en maatschappelijk contact verstoken blijven.

8. In het op verzoek van de rechtbank uitgebrachte rapport van 18 november 1998 schrijft Jordens-Cotran -zakelijk weergegeven- het volgende:

De negatieve houding ten opzichte van gescheiden vrouwen is een typisch uitvloeisel van de traditionele taken en rol die aan de vrouw in de Marokkaanse maatschappij en het gezin worden toebedeeld. De maatschappij en met name de directe omgeving van de vrouw zal haar de schuld van de echtscheiding geven en haar als falende vrouw beschouwen. Na de huwelijksontbinding oefent de moeder van rechtswege het gezag over de kinderen uit terwijl de vader van rechtswege de voogdij uitoefent. Het alleen wonen van de vrouw wordt als verwerpelijk beschouwd alsmede een aantasting van de eer en reputatie van de vrouwen haar familie. Een verzachting van haar omstandigheden kan alleen door haar familie worden geboden. Wonen met de ouders of met een broer betekent per definitie dat de familie de echtscheiding aanvaardt en de vrouw weer in bescherming neemt.

De praktijk wijst echter uit dat 17 % van de gezinnen in Marokko door alleenstaande vrouwen worden onderhouden en verzorgd. Niet is duidelijk of deze vrouwen met ouders of andere familieleden wonen. Deze vrouwen zijn voorts aangewezen op de laagstbetaalde banen. Zij worden evenwel niet belemmerd in het huren van een woning. zolang zij de huur kunnen betalen.

Ook zijn de kansen van voornoemde vrouwen om te hertrouwen klein omdat zij zijn gescheiden en het huwelijk is geconsumeerd. Een en ander vindt zijn weerslag in de omvang van de bruidsschat. Voorts kan de vrouw niet verlangen dat de tweede echtgenoot de verantwoordelijkheid voor het onderhoud en huisvesting van haar kind uit een voor- huwelijk zal dragen. Daarbij is wettelijk bepaald dat. indien de gescheiden vrouw hertrouwt met een man die niet in een naaste graad tot verwantschap ten opzichte van het kind staat. zij haar recht op verzorging van haar kind verliest aan als eerste de vader-

De vader dient dan wel zelf het initiatief te nemen de moeder te ontzetten met het doel zelf de verzorging voor het kind op zich te nemen.

Het vorenstaande geldt evenzeer voor eiseres ondanks de voogdijbeschikking van de Nederlandse rechter. Voorts is van belang dat eiseres naar Marokkaans recht is gehuwd en gescheiden en dat het kind de naam van de vader draagt. Gezien deze gegevens is er geen reden om aan te nemen dat de omgeving van eiseres anders zou reageren dan bij een echtscheiding in Marokko.

De Marokkaanse gescheiden vrouw hoeft absoluut niet te rekenen op financiële steun door de man na de huwelijksontbinding. ongeacht haar leeftijd. de duur van het huwelijk, haar bijdrage aan het onderhoud van het gezin en de draagkracht van de man. Het huwelijk van eiseres is zowel naar Nederlands recht als naar Marokkaans recht ontbonden. De echtscheidingsbeschikking zwijgt echter over een eventuele alimentatie. Overigens heeft een alimentatievoorziening. indien tot uitzetting wordt overgegaan. weinig betekenis gezien het ontbreken van een bilateraal verdrag tussen Marokko en Nederland- Volgens de Marokkaanse wet heeft de vrouw na echtscheiding wel recht op financiële vergoeding van de man wegens het verzorgen van het uit het huwelijk geboren kind. Ook eiseres zou in Marokko haar recht op deze vergoeding kunnen doen gelden. Wegens het ontbreken van een bilateraal erkennings- en executieverdrag zal zij echter weinig baat hebben bij een toewijzing van een dergelijke vordering door de Marokkaanse rechter. Grond voor de onderhoudsplicht is volgens de Marokkaanse wet onder meer bloedverwant- schap. Onder bloedverwanten vallen echter volgens de Malekitische leer alleen de ouders en de kinderen. De vader en moeder van eiseres zijn overleden. Een van haar broers heeft een grote gezinsverantwoordelijkheid. de tweede broer is soldaat en de derde broer studeert. Kortom eiseres hoeft niet op financiële steun van haar familie te rekenen. Voorts is er geen financiële steun van staatswege beschikbaar voor eiseres. Vrouwen hebben in Marokko slechts in twee gevallen recht op een sociale voorziening. Ten eerste indien zij zelf werkzaam zijn in een sector die een stelsel van werknemersverzekeringen kent en ten tweede indien zij een afgeleid recht op een verzekering hebben. via de verzekering van hun echtgenoot. Volstrekt uitgesloten van iedere voorziening zijn de laagstbetaalde banen waarin de meerderheid van de vrouwelijke Marokkaanse bevolking werkzaam is. Derhalve zal eiseres bij terugkeer ook niet over financiële middelen beschikken voor opvang voor haar dochter, zodat zij niet in staat is alsdan buitenshuis te werken.

De Nederlandse nationaliteit van de dochter van eiseres behoeft bij terugkeer geen invloed op haar positie in Marokko te hebben. Zij is immers mede in het bezit van de Marokkaanse nationaliteit en draagt de naam van haar vader. Beide feiten duiden op een wettige afstamming van een Marokkaanse moslim-vader waardoor geen nadelen zijn te verwachten wegens het in het bezit zijn van de Nederlandse nationaliteit.

Voorts is het, gezien de vijandige relatie tussen eiseres en haar ex-echtgenoot, het gebrek aan belangstelling van de vader voor het kind en het feit dat de vader geen betaalde arbeid verricht, niet te verwachten dat eiseres kinderbijslag voor haar dochter zal ontvangen.

Zij concludeert:

Het geheel van boven geschetste omstandigheden is voor Marokkaanse vrouwen aanleiding om terugkeer naar het eigen land te vrezen. In gevallen zoals het onderhavige leidt het Nederlandse vreemdelingenrecht tot een onevenredige benadeling van de vrouw in vergelijking met de positie van de man na echtscheiding .

9. Bij brief van 8 april 1999 heeft de gemachtigde van eiseres op het rapport gereageerd. Eiseres meent dat het rapport duidelijk aansluit bij het reeds overgelegde rapport van P. Jansen, Maatschappelijk werker Thuiszorg Veluwe. Voorts verwijst eiseres naar hetgeen is geschreven omtrent de wettelijke onderhoudsplicht.

10. Bij brief van 22 april 1999 en bij verweerschrift van 16 december 1999 heeft verweerder aanvullend verweer gevoerd. Verweerder ziet in de inhoud van het rapport van mw. Jordens geen aanleiding om het eerder ingenomen standpunt, dat aan eiseres geen verblijf behoeft te worden toegestaan, te verlaten.

Het rapport bevestigt (impliciet) het standpunt van de Minister van Buitenlandse Zaken. Aangegeven wordt immers onder meer dat informatie over hoe bepaalde onderwerpen formeel geregeld zijn onvolledig is zolang bij deze informatie de traditie niet betrokken is. Voorts blijkt uit het rapport dat er in Marokko veel echtscheidingen plaatsvinden en dat vrouwen zich zelfstandig kunnen handhaven. Mede gelet hierop handhaaft verweerder dan ook het standpunt dat ook van eiseres in beginsel verwacht kan worden dat zij zich in haar land van herkomst staande houdt, nu niet is aangetoond dat een en ander niet kan. De omstandigheid dat onder meer zelfstandig wonen in Marokko maatschappelijk en cultureel gezien wellicht minder aanvaard zou worden, leidt -wat er in zijn algemeenheid ook van zij- niet tot de conclusie dat verweerder derhalve verblijf moet toestaan.

Ter beoordeling staat hoe de specifieke omstandigheden van eiseres zich verhouden tot dit algemene uitgangspunt. Voor een geslaagd beroep op klemmende redenen van humanitaire aard dient de vreem- deling aan te tonen dat zijn situatie zodanig slechter is dan die van vergelijkbare landge- noten dat verweerder om die reden in het verblijf behoort te berusten. Hiervan is in het onderhavige geval geen sprake. Verweerder stelt allereerst vast dat de echtscheiding hier te lande en de nationaliteit van het kind van eiseres kennelijk niet tot problemen zullen leiden nu eiseres ook in Marokko naar Marokkaans recht is gescheiden en het kind van eiseres zowel de Marokkaanse als de Nederlandse nationaliteit heeft.

Ook blijkt uit het rapport van mw. Jordens niet dat eiseres door haar echtscheiding bij terugkeer in een zodanige schrijnende toestand terecht zal komen dat terugkeer niet kan worden verlangd.

De stelling dat eiseres geen financiële ondersteuning van de zijde van de Marokkaanse autoriteiten, van haar ex-echtgenoot dan wel haar familieleden behoeft te verwachten-

leidt niet tot een ander oordeel. In de eerste plaats kan het ontbreken van sociale uitkeringen in Marokko niet tot verblijfsaanvaarding leiden. Voorts mag van eiseres worden verwacht dat zij in haar eigen levensonderhoud probeert te voorzien. Tot slot zou eiseres zich kunnen wenden tot haar familieleden voor (sociaal-maatschappelijke en) financiële steun. In het rapport is gesteld dat dit niet zou kunnen. Deze stelling is onder meer gebaseerd op de schriftelijke verklaringen van familieleden. Voor zover, in het kader van het rapport, waarde aan deze verklaringen kan worden toegekend -de verklaringen dateren immers al van eind 1996- aanvaardt verweerder niet dat één enkele verklaring de morele zorgplicht (die blijkens het rapport op zich wel zou bestaan) ter zijde kan schuiven.

Alles overziend wordt nogmaals benadrukt dat noch uit de aangevoerde omstandigheden noch uit het rapport blijkt dat de situatie van eiseres verschilt van andere (hier te lande) gescheiden Marokkaanse vrouwen. Evenmin is gebleken dat eiseres en haar kind bij verwijdering in een onhoudbare en/of onaanvaardbare situatie terecht zullen komen. De enkele omstandigheid dat leven en het vinden van werk in Marokko minder gemakkelijk kan zijn dat hier te lande maakt dat niet anders. Van eiseres kan derhalve worden verlangd dat zij terugkeert naar het land van herkomst.

De stelling van eiseres dat haar kind in staat moet worden gesteld om in de toekomst mogelijk contact met haar vader te kunnen leidt evenmin tot toelating van eiseres. Voor een beroep op artikel 8 EVRM is immers van belang dat er sprake moet zijn van familie- en gezinsleven. Nu eiseres heeft verklaard dat er geen enkel contact meer bestaat tussen haar kind en de vader en nu ook niet is gebleken dat de vader de intentie heeft om contact met zijn kind te hebben is van familie- en gezinsleven geen sprake.

Tenslotte merkt verweerder op dat, nog afgezien van het feit dat het schrijven van het ziekenhuis Gelderse Vallei eerst is overgelegd na totstandkoming van het bestreden besluit en verweerder daarmee geen rekening behoefde te houden, uit dit schrijven slechts kan worden afgeleid dat eiseres een nabehandeling van zes weken heeft gehad, welke behan- deling blijkens dit schrijven eind juni 1997 is voltooid. Verweerder is dan ook van mening dat ook deze informatie terzijde dient te worden gelaten.

De rechtbank overweegt het volgende

11. Ingevolge artikel 11 lid 5 Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend.

12. Verweerder voert bij de toepassing van dit artikellid het beleid dat vreemdelingen niet voor toelating in aanmerking komen, tenzij met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel klemmende redenen van humanitaire aard of verplichtingen voortvloeiende uit internationale overeenkomsten tot toelating nopen. Dit beleid is neergelegd in de Vreemdelingencirculaire (Vc ) .

13. Gesteld noch gebleken is dat met de aanwezigheid van eiseres hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend.

14. Evenmin is gesteld noch gebleken dat eiseres aan enige andere door verweerder gehanteerde beleidsregel aanspraak op toelating kan ontlenen.

15. Rest de vraag of er in het onderhavige geval sprake is van zodanige klemmende redenen van humanitaire aard dat verweerder op grond daarvan aan eiseres verblijf hier te lande had moeten toestaan. Hieromtrent wordt het volgende overwogen.

Verweerder heeft naar aanleiding van het op verzoek van de rechtbank door Jordens Cotran uitgebrachte rapport van 18 november 1998 nogmaals benadrukt dat noch uit de aangevoerde omstandigheden noch uit genoemd rapport blijkt dat de situatie van eiseres verschilt van die van andere (hier te lande) gescheiden Marokkaanse vrouwen. Voorts heeft verweerder in deze benadrukt dat evenmin is gebleken dat eiseres en haar kind bij verwijdering in een onhoudbare en/of onaanvaardbare situatie terecht zullen komen en dat van eiseres derhalve kan worden verlangd dat zij naar het land van herkomst terugkeert. De rechtbank is evenwel van oordeel dat verweerder bij voornoemd standpunt de specifieke omstandigheden van eiseres, gezien in het licht van de Marokkaanse traditie, onvoldoende heeft betrokken. Daarbij doelt de rechtbank, onder verwijzing naar de inhoud van eerdergenoemd rapport van Jordens-Cotran, in het bijzonder op de volgende omstandigheden:

-hoewel eiseres bij de echtscheiding door de Nederlandse rechter is belast met het gezag over haar dochter, is deze beslissing niet bindend voor de Marokkaanse rechter. De ex- echtgenoot van eiseres kan immers te allen tijde een beroep doen op artikel 105 csp hetgeen ontzetting van eiseres van haar verzorgingstaak tot gevolg zal hebben;

-gezien de duur van het huwelijk en de maatschappelijke positie van de ex-echtgenoot alsmede het ontbreken van een wettelijke verplichting daartoe in het Marokkaanse recht, zal eiseres geen recht op alimentatie kunnen doen gelden;

-weliswaar kan eiseres in Marokko in rechte een vergoeding voor de verzorging van haar kind van de ex-echtgenoot kunnen vorderen, doch gezien het feit dat de ex-echtgenoot in Nederland woonachtig is en dat een bilateraal erkennings- en executieverdrag inzake dit onderhoud tussen beide landen ontbreekt, zal eiseres weinig baat hebben bij een toewijzing van haar vordering;

-in de Malekitische leer zijn uitsluitend de ouders en de kinderen van een persoon als eiseres verplicht alsdan financiële steun te verlenen. Uit de overgelegde stukken is echter gebleken dat de ouders van eiseres zijn overleden;

-eiseres kan bij terugkeer naar Marokko geen recht doen gelden op een sociale voorziening aangezien zij geen werknemer of ambtenaar is en geen afgeleide verzekering heeft via een echtgenoot.

Verweerder doet het (bij brief van 22 april 1999 en nader verweerschrift van 16 december 1999 aangevulde) bestreden besluit terzake slechts berusten op algemene overwegingen. Om die reden moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit op dit punt een draagkrachtige motivering ontbeert en derhalve dient te worden vernietigd.

16. Op grond van het voorgaande dient het beroep gegrond te worden verklaard.

17. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van de beroepen bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn begroot op f 1420,- als kosten van verleende rechtsbijstand.

18. Ingevolge artikel 8:74 lid 1 Awb, dient het g-riffierecht te worden vergoed door de rechtspersoon, aangewezen door de rechtbank.

III. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiseres betaalde griffierecht ad 1200,-;

5. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op f1420,- (zegge veertienhonderdtwintig gulden), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier .

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2000 , door

mr. E.H. de Jong-van Dooijeweert, rechter, in tegenwoordigheid van mr. L.P. Bizot- Willemse, griffier, van wie de laatste verhinderd is te tekenen.

Afschrift verzonden op:

01 mei 2000.