Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AB1692

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-12-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/10406
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Somalië / groepsvervolging / Reer Hamar.

Eiser bezit de Somalische nationaliteit en stelt te behoren tot de Reer Hamar. Op 14 juli 2000 heeft de REK zich uitgesproken over de vraag of er ten aanzien van de Reer Hamar sprake is van groepsvervolging. De REK heeft daarin overwogen dat ten aanzien van de Reer Hamar geen sprake is van groepsvervolging wegens etniciteit dan wel etniciteit in samenhang met (toegedichte) rijkdom. Wel heeft de REK in uitspraak AWB 00/1790 overwogen dat een individueel lid van deze bevolkingsgroep reeds als vluchteling moet worden aangemerkt indien slechts in geringe mate blijkt van op de persoon gerichte daden van vervolging, welke in verband kunnen worden gebracht met de etnische afkomst. Gelet op deze uitspraak moet eiser als vluchteling worden aangemerkt nu ten minste in geringe mate is gebleken van op de persoon gerichte daden van vervolging, welke in verband kunnen worden gebracht met eisers etnische afkomst.

Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:72, geldigheid: 2000-12-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

enkelvoudige kamer

Uitspraak

artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr.: AWB 99/10406 VRWET

Inzake : A, wonende te B, eiser,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiser, geboren op [...] 1966, bezit de Somalische nationaliteit. Hij verblijft sedert 26 november 1996 als vreemdeling in de zin van de Vw in Nederland. Op 26 november 1996 heeft hij aanvragen ingediend om toelating als

vluchteling en verlening van een vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard. Bij besluit van 21 juni 1997 heeft verweerder besloten de aanvraag om toelating als vluchteling niet in te willigen. Bij

hetzelfde besluit heeft verweerder besloten aan eiser een vergunning tot verblijf zonder beperking te verlenen. Eiser heeft tegen het besluit, voor zover het betreft de afwijzing van zijn asielverzoek, bezwaar gemaakt bij

bezwaarschrift van 18 juli 1997, aangevuld bij brief van 6 augustus 1997. Bij besluit van 6 oktober 1997 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Het besluit is op diezelfde datum aan de gemachtigde van eiser gezonden. Bij

beroepschrift van 3 november 1997 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij uitspraak van 28 augustus 1998 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, het beroep gegrond verklaard, het bestreden

besluit vernietigd en bepaald dat verweerder binnen zes weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van de uitspraak. Op 22 juli 1999 is eiser gehoord door een ambtelijke commissie. Bij besluit

van 13 augustus 1999 heeft verweerder het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

2. Bij beroepschrift van 9 september 1999, aangevuld bij brief van 16 november 1999, heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Op 11 februari 1999 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder

ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 22 september 1999 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 oktober 2000. Eiser is aldaar vertegenwoordigd door mr. G.E. Jans, advocaat te Amsterdam. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door gemachtigde mr. M.I. van Dishoeck,

ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van verweerders ministerie.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

2. De rechtbank refereert in deze aan haar uitspraak van 28 augustus 1998, geregistreerd onder AWB 97/12289 VRWET. In deze uitspraak wordt onder meer het volgende overwogen:

‘De rechtbank is van oordeel, in aanmerking genomen hetgeen eiser voorafgaande aan zijn vlucht is overkomen, zulks mede gezien in het licht van de zwakke positie van leden van de Reer Hamar-clan in en rond Mogadishu, dat het op de

weg van verweerder had gelegen om te onderzoeken of er sprake is van een zodanige stelselmatige discriminatoire bejegening ten aanzien van eiser, dat het leven in Mogadishu voor hem onhoudbaar is geworden.’

De rechtbank begrijpt bovenstaande aldus, dat verweerder had dienen te onderzoeken of sprake is van zodanige discriminatoire bejegening ten aanzien van eiser, dat het leven in en rond Mogadishu onhoudbaar is geworden.

3. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit vervolgens -kort samengevat- op het standpunt dat niet valt in te zien dat het leven van eiser in Mogadishu onhoudbaar is geworden. In Mogadishu heeft eiser geen gebeurtenissen

meegemaakt welke duiden op vervolging. Ook de overige gestelde gebeurtenissen zijn niet zodanig dat geproken kan worden van clan-vervolging van de Reer Hamar. De door eiser gestelde incidenten waren niet speciaal gericht op eiser

vanwege zijn afkomst.

4. Eiser stelt zich in beroep op het standpunt dat door verweerder is miskend dat de problemen die eiser in Somalië heeft ondervonden te maken hebben met eiser als individu en met name zijn terug te voeren op het feit dat eiser tot

de Reer Hamar behoort. Er kan wel degelijk sprake zijn van groepsvervolging van de Reer Hamar.

De rechtbank overweegt het volgende.

5. Op 14 juli 2000 heeft de Rechtseenheidskamer Vreemdelingenzaken (REK) zich uitgesproken over de vraag of er ten aanzien van de leden van de Reer Hamar sprake is van groepsvervolging (AWB 00/1790, Jub. 2000, nr.14). De REK heeft

daarin overwogen dat er ten aanzien van de Reer Hamar geen sprake is van groepsvervolging wegens etniciteit dan wel wegens etniciteit in samenhang met (toegedichte) rijkdom. Wel heeft de REK in voornoemde uitspraak overwogen dat de

positie van de Reer Hamar zodanig is dat:

„(…) een individueel lid van deze bevolkingsgroep reeds als vluchteling moet worden aangemerkt indien slechts in geringe mate blijkt van op de persoon gerichte daden van vervolging, welke in verband kunnen worden gebracht met de

etnische afkomst.“

6. Ten aanzien van de situatie van eiser overweegt de rechtbank dat niet is gebleken dat verweerder twijfelt aan de inhoud van het nader gehoor, zodat van de geloofwaardigheid van dit relaas kan worden uitgegaan. Hetgeen eiser

tijdens het nader gehoor naar voren heeft gebracht leidt de rechtbank tot het oordeel dat tenminste in geringe mate is gebleken van op de persoon gerichte daden van vervolging, welke in verband kunnen worden gebracht met eisers

etnische afkomst. Zo is eiser eind 1991, op de vlucht van Mogadishu naar Jibil Marka, gearresteerd door soldaten van generaal Aideed. Daarbij is hij met geweerkolven geslagen en werd de auto geplunderd. Eind 1995 werd Jibil Marka,

dat werd bewoond en verdedigd door leden van de Reer Hamar, geplunderd door bendes, waarbij zijn vrouw gewond raakte en zijn zoon werd gedood. Jibil Marka werd vervolgens eind 1996 opnieuw aangevallen door bendes, waarbij eiser en

een aantal familieleden zijn mishandeld. Gelet op genoemde uitspraak van de REK moet eiser mitsdien als vluchteling worden aangemerkt.

7. Het beroep is derhalve gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 Awb, waarin is bepaald dat de beslissing op bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering.

8. Gelet op voorgaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat op de aanvraag rechtens geen andere beslissing meer mogelijk is dan dat eiser wordt toegelaten als vluchteling. Mede gezien het langdurig verloop van de procedure

ziet de rechtbank aanleiding om, op de voet van artikel 8:72, vierde lid, Awb zelf in de zaak te voorzien.

9. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken.

Deze kosten zijn begroot op ƒ 1.420,- als kosten van verleende rechtsbijstand.

10. Ingevolge artikel 8:74, eerste lid, Awb dient het griffierecht te worden vergoed door de rechtspersoon, aangewezen door de rechtbank.

De rechtbank beslist daarom als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat eiser aanspraak heeft op toelating als vluchteling met ingang van 26 november 1996;

4. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

5. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad ƒ50,- (zegge vijftig gulden);

6. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op ƒ 1.420,- (zegge veertienhonderd en twintig gulden), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier.

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 1 december 2000, door mr. A. Wolfsen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. K.J. Kerdel, griffier.

Afschrift verzonden op: 21 december 2000

Conc: KK

Coll: HL

Bp: -

D: C