Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AB1181

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-12-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/1372
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Sudan / Nuba / werkinstructie 237.

Verzoeker heeft de Sudanese nationaliteit en behoort tot een van de Nuba-bevolkingsgroepen van het Nuba-gebergte. Verzoeker is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat zijn vrees voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin gerechtvaardigd is. De president is voorts van oordeel dat aan verzoeker in redelijkheid een vvtv is onthouden. Hiertoe wordt overwogen dat verzoeker gedurende acht jaren in het noorden van Sudan heeft verbleven, alwaar hij in zijn levensonderhoud heeft voorzien en geen negatieve bejegening van de zijde van de veiligheidsdiensten dan wel andersoortige problemen heeft ondervonden. Er is derhalve geen twijfel over dat verzoeker zich staande zal kunnen houden in Noord-Sudan. De president acht voorts niet aannemelijk dat verzoeker bij terugkeer risico loopt met meer dan een ondervraging en een eventuele kortdurende meldplicht te worden geconfronteerd, nu verzoeker gedurende zijn verblijf van vier jaren in Libië geen oppositionele activiteiten heeft ontplooid en op 9 januari 1999 via de Sudanese ambassade in Tripoli een verlenging van de geldigheidsduur van zijn paspoort heeft verkregen. De president onthoudt zich van het geven van een oordeel over de beleidswijziging ten aanzien van Zuid-Sudanezen welke is vastgelegd in werkinstructie 237 d.d. 25 september 2000. Bezwaar ongegrond, afwijzing verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

President van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer

__________________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:84 Algemene wet bestuursrecht

juncto artikel 33a en 33b Vreemdelingenwet

__________________________________________________

Reg.nr: AWB 00/1372 VRWET

Inzake: A, verzoeker, woonplaats kiezende ten kantore van zijn gemachtigde, mr. B.B. Jagt, advocaat te Den Haag,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. P.F.C. Heemskerk, ambtenaar ten departemente.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Verzoeker, geboren op [...] 1970, bezit de Soedanese nationaliteit. Hij verblijft sedert 23 maart 1999 als vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet (Vw) in Nederland. Op 27 maart 1999 heeft hij een aanvraag ingediend om

toelating als vluchteling. Hierop is door verweerder op 13 augustus 1999 afwijzend beslist. Verzoeker heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. Verweerder heeft op grond van artikel 32 Vw bepaald dat uitzetting gedurende

de periode dat het bezwaar aanhangig is, niet achterwege zal worden gelaten.

2. Op 4 februari 2000 heeft verzoeker de president van de rechtbank verzocht een voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting achterwege te laten, totdat op zijn bezwaarschrift is beslist. Verweerder heeft de op de zaak

betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek.

3. De openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 27 november 2000. Verzoeker is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

1. Ingevolge artikel 8:81 Algemene wet bestuursrecht kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is

ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ingevolge artikel 33b Vw kan de president hangende de afdoening van het bezwaar of het administratief beroep na de behandeling van een tegen de uitzetting gerichte voorlopige voorziening tevens uitspraak doen in de hoofdzaak

betreffende de niet-toelating.

2. Verzoeker stelt dat hij in aanmerking komt voor toelating in Nederland.

Daartoe heeft hij onder meer aangevoerd dat hij Soedan in maart 1995 heeft verlaten als gevolg van de algemene situatie aldaar. De economische omstandigheden waren slecht, verzoeker kon moeilijk werk vinden en werd slecht betaald.

Verzoeker heeft tussen 1987 en 1995 verbleven in Omdurman, nabij Khartoum. Verzoeker voert voorts aan dat hij vreesde in militaire dienst te moeten gaan. Hij had weliswaar geen persoonlijke oproep daartoe ontvangen, maar hij stelt

dat er in maart 1995 sprake was van een algemene oproep, en dat in Soedan jongemannen zonder aankondiging van straat worden gehaald om hun dienstplicht te vervullen. Hij voert aan eind 1994 te zijn opgepakt en naar de kazerne

gebracht om zijn dienstplicht te vervullen. Noch zijn naam noch andere gegevens zijn genoteerd. Hij heeft reeds in de eerste nacht kunnen vluchten. Verzoeker is in maart 1995 vanuit Soedan naar Libië gegaan. Hij heeft bij het

kantoor van de Verenigde Naties in Tripoli in december 1996 asiel aangevraagd doch hij heeft daarop nooit antwoord ontvangen. Verzoeker heeft nooit getracht zijn verblijf in Libië te legaliseren door het doen van een aanvraag om

toelating bij de Libische autoriteiten. In maart 1999 is verzoeker naar Nederland gekomen.

Verzoeker behoort tot één van de Nuba-bevolkingsgroepen van het Nubagebergte. Hij stelt op grond van zijn afkomst in aanmerking te komen voor een voorlopige vergunning tot verblijf (vvtv).

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat verzoeker niet voor toelating in aanmerking komt en dat uitzetting niet achterwege hoeft te blijven. Ten aanzien van verzoekers stelling in aanmerking te komen voor een vvtv stelt

verweerder dat, nu verzoeker heeft verklaard gedurende geruime tijd, te weten ongeveer 8 jaar, in Noord-Soedan te hebben verbleven, aan hem een vvtv kan worden onthouden op grond van werkinstructie 237 d.d. 25 september 2000. Voorts

stelt verweerder zich op het standpunt dat, nu verzoeker voor zijn komst naar Nederland gedurende ongeveer 4 jaar zonder problemen in een derde land heeft verbleven, hem een vvtv kan worden onthouden op grond van TBV 2000/16 d.d. 31

juli 2000.

4. Ingevolge artikel 1 (A) van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76) en artikel 15, eerste lid, Vw is van

vluchtelingschap sprake in geval de betrokkene afkomstig is uit een land waarin hij gegronde redenen heeft te vrezen voor vervolging wegens zijn godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging, zijn nationaliteit, dan

wel wegens het behoren tot een bepaald ras of tot een bepaalde sociale groep.

5. De president overweegt het volgende.

Vooropgesteld moet worden dat de situatie in Soedan niet zodanig is dat vreemdelingen afkomstig uit dat land in het algemeen zonder meer als vluchteling kunnen worden aangemerkt. Verzoeker zal dus aannemelijk moeten maken dat met

betrekking tot hem persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan die zijn vrees voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin rechtvaardigen.

6. Verzoeker is daarin niet geslaagd. De president is van oordeel dat door verzoeker op geen enkele wijze aannemelijk is gemaakt dat hij in zijn land van herkomst heeft te vrezen voor vervolging in de zin van het Verdrag. Hiertoe

wordt overwogen dat verzoeker heeft verklaard zijn land te hebben verlaten als gevolg van de slechte economische omstandigheden aldaar. Verzoekers stelling dat hij vreest in militaire dienst te moeten gaan kan hieraan niet afdoen nu

verzoekers relaas op dit punt als onvoldoende zwaarwegend moet worden beschouwd. De president acht niet aannemelijk dat verzoeker op grond van dienstweigering nog steeds in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat. Uit

verzoekers verklaringen is niet kunnen blijken hoe de autoriteiten hem weer zouden kunnen vinden, nu er naar zijn zeggen in de kazerne geen registratie maar slechts een telling van de aanwezigen heeft plaatsgevonden. Voorts is

gebleken dat verzoeker op 9 januari 1999 een verlenging van de geldigheidsduur van zijn nationaal paspoort heeft verkregen via de Soedanese ambassade te Libië. Dit duidt er eveneens op dat verzoeker niet in de negatieve aandacht van

de Soedanese autoriteiten staat.

Ten overvloede wordt overwogen dat de president met verweerder van oordeel is dat, ook indien verzoeker de kans loopt bij terugkeer naar zijn land van herkomst voor het vervullen militaire dienstplicht te worden opgepakt, er geen

grond is om aan te nemen dat verzoeker om die reden voor toelating als vluchteling in aanmerking komt. Daartoe wordt overwogen dat verweerder zowel in de beslissing in primo als in het verweerschrift terecht tot de conclusie is

gekomen dat toetsing aan de criteria zoals genoemd in de uitspraak van de Rechtseenheidskamer vreemdelingenzaken (REK) d.d. 12 april 1995 (AWB 94/12134) slechts kan leiden tot het oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat

verzoeker zich op één van de in voornoemde uitspraak genoemde categorieën kan beroepen. De president kan zich geheel vinden in hetgeen verweerder in dit verband onder punt 3.6 tot en met punt 3.16 van het verweerschrift aanvoert.

7. Ingevolge artikel 3 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), dient te worden beoordeeld of aannemelijk is dat betrokkene een reëel risico loopt te worden onderworpen aan

foltering, dan wel aan een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing.

Gelet op rechtsoverweging 6 is niet aannemelijk geworden dat gedwongen terugkeer van verzoeker naar Soedan strijd oplevert met artikel 3 EVRM.

8. Evenmin is gebleken van klemmende redenen van humanitaire aard op grond waarvan verweerder een vergunning tot verblijf in redelijkheid niet heeft kunnen onthouden.

9. Ten aanzien van verzoekers stelling dat hij aanspraak heeft op een vvtv overweegt de president het volgende.

Verzoeker behoort tot de Nuba-bevolkingsgroepen, welke in beginsel recht hebben op verlening van een vvtv. In breder verband staat ter discussie of dit recht op verlening van een vvtv stand houdt indien een vvtv-gerechtigde

Soedanese vreemdeling gedurende langere tijd in Noord-Soedan heeft verbleven. De president doelt op de wijziging van het vvtv-beleid ten aanzien van Soedanese vreemdelingen die -zoals verzoeker- oorspronkelijk afkomstig zijn uit de

conflictgebieden doch voor hun vertrek naar Nederland enige tijd in Noord-Soedan hebben verbleven. Deze wijziging is neergelegd in werkinstructie 237 d.d. 25 september 2000 en is ingegeven door het ambtsbericht d.d. 22 december

1999. De president acht het kader van de onderhavige procedure ongeschikt om in zijn algemeenheid een oordeel te geven met betrekking tot dit nieuwe beleid.

De specifieke bijzonderheden van verzoekers situatie leiden de president echter tot de conclusie dat verzoeker in redelijkheid een vvtv kan worden onthouden.

Verzoeker heeft gedurende zeer geruime tijd, te weten ongeveer acht jaren, in het noorden van Soedan verbleven. Hij heeft in die periode niet in een zogenaamd IDP-kamp verbleven, doch heeft zich op eigen kracht staande kunnen houden

en door middel van arbeid in zijn levensonderhoud kunnen voorzien. Voorts heeft hij toen hij zich in Noord-Soedan vestigde niet blootgestaan aan negatieve bejegening door de veiligheidsdiensten in verband met verdenking van

betrokkenheid bij een verzetsbeweging. Ook overigens is niet kunnen blijken dat verzoeker, op grond van zijn afkomst dan wel anderszins, in die periode problemen heeft ondervonden in Noord-Soedan. Op grond daarvan bestaat er naar

het oordeel van de president geen twijfel over dat verzoeker zich in Noord-Soedan staande zal kunnen houden, nu hij daarvan reeds gedurende een dermate lange periode blijk heeft gegeven. Wat betreft de risico's die verzoeker bij

terugkeer zou lopen als gevolg van zijn verblijf in het buitenland acht de president het volgende van belang. Verzoeker heeft tijdens zijn verblijf van vier jaren in Libië geen oppositionele activiteiten ontplooid. Naar uit het

ambtsbericht d.d. 22 december 1999 voortvloeit betekent dit dat de kans op ernstige problemen van de zijde van de autoriteiten bij terugkeer gering is. Aannemelijk is dat de veiligheidsdiensten met een ondervraging en eventueel een

kortdurende meldplicht zullen volstaan. In dit verband wordt wederom opgemerkt dat verzoeker op 9 januari 1999 via de Soedanese ambassade te Tripoli een verlenging van de geldigheidsduur van zijn paspoort heeft verkregen.

Op grond van de voorgaande -specifiek op verzoekers situatie van toepassing zijnde- overwegingen is de president van oordeel dat verweerder in redelijkheid aan verzoeker een vvtv heeft kunnen houden.

Op grond van het vorenstaande komt de president niet toe aan toetsing aan TBV 2000/16 aangaande verblijf in een derde land.

10. Op grond van het voorgaande is de president van oordeel dat verweerder terecht op grond van artikel 32, eerste lid, Vw besloten heeft de uitzetting niet achterwege te laten. Nu voorts nader onderzoek naar het oordeel van de

president redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, wordt het bezwaar met toepassing van artikel 33b Vw ongegrond verklaard.

Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 Algemene wet bestuursrecht.

11. Van omstandigheden op grond waarvan één der partijen moet worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte kosten is de president niet gebleken.

III. BESLISSING

De president:

RECHT DOENDE:

1. verklaart het bezwaar ongegrond;

2. wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

IV. RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Aldus gedaan door mr. M.C.R. Derkx en uitgesproken in het openbaar op 20 december 2000, in tegenwoordigheid van mr. J.A. van Ooijen, griffier.

afschrift verzonden op: