Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AB1180

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-11-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/274
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Irak / lidmaatschap INA.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eisers verklaring dat hij heeft vernomen dat een ander partijlid van het Iraakse Nationale Akkoord (INA) eisers naam aan de autoriteiten heeft genoemd niet in het rapport van gehoor, noch in de aanvullingen en correcties daarop is terug te vinden, zodat die verklaring niet geloofwaardig is. De rechtbank overweegt dat deze verklaring wel in het verslag van het nader gehoor is opgenomen, zodat de twijfel van verweerder aan de geloofwaardigheid van het relaas op dit punt niet op goede gronden is gestoeld. Dat eiser slechts indirect zou hebben vernomen dat zijn naam is doorgegeven, betekent niet dat aan die indirecte mededeling daaromtrent in het geheel geen waarde zou mogen worden toegekend. De rechtbank merkt op dat door eiser - anders dan verweerder meent - niet is gesteld dat de Iraakse autoriteiten reeds in maart 1997 van de activiteiten van eiser op de hoogte waren. Het argument van verweerder dat de Iraakse autoriteiten een aanslag als door eiser gesteld met chirurgische precisie zouden hebben gepleegd faalt naar het oordeel van de rechtbank, nu de mogelijkheid dat de neef die bij de aanslag om het leven kwam voor eiser werd aangezien, niet kan worden uitgesloten. De door verweerder aan de aanslag gestelde voorwaarde van chirurgische precisie is niet gebaseerd op objectieve gegevens. Het komt de rechtbank voor dat de Iraakse autoriteiten, nu die immers hun invloed in Noord-Irak niet meer op directe wijze kunnen doen gelden, een dergelijke aanslag niet (altijd) perfect kunnen voorbereiden en uitvoeren. Nu eisers relaas naar het oordeel van de rechtbank geloofwaardig is en het relaas van eiser bovendien in overeenstemming is met de algemene informatie over het INA zoals die in het ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van maart 1999 is weergegeven, heeft eiser aannemelijk weten te maken dat zijn vrees voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin gerechtvaardigd is. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, enkelvoudig

__________________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht

juncto artikel 33a Vreemdelingenwet

__________________________________________________

Reg.nr: AWB 00/274 VRWET

Inzake: A, eiser, woonplaats kiezende ten kantore van zijn gemachtigde, mr. R.J.J. Flantua, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand Asiel te 's-Hertogenbosch

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. C.R. Vink, ambtenaar ten departemente.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiser, geboren op [...] 1961, bezit de Iraakse nationaliteit. Hij verblijft sedert 26 september 1997 als vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet (Vw) in Nederland. Op 29 september 1997 heeft hij een aanvraag ingediend om

toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard. Hierop is door verweerder op 2 oktober 1998 afwijzend beslist. De aanvraag om toelating als vluchteling is

daarbij niet ingewilligd wegens kennelijke ongegrondheid. Eiser heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. Op 15 juli 1999 is eiser hierop gehoord door de Adviescommissie voor vreemdelingenzaken (ACV). Verweerder heeft op

2 december 1999 het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Op 29 december 1999 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het

beroep.

3. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 15 november 2000. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens

was ter zitting aanwezig mevrouw D. Ahmad, fungerend als tolk.

II. OVERWEGINGEN

1. In dit geding dient te worden beoordeeld of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Daartoe moet worden bezien of dit besluit de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

2. Eiser stelt dat hij in aanmerking komt voor toelating in Nederland.

Daartoe heeft hij onder meer aangevoerd dat hij sedert 1993 geheim lid is van het Iraakse Nationale Akkoord (verder: INA) en voor deze partij één à twee maal per maand kranten, pamfletten en brieven vervoerde van Zakho naar Mosul.

Dit deed hij in de vrachtwagen van het handelsbureau voor levensmiddelen waarvoor hij werkzaam was. Tevens vonden vergaderingen van de partij plaats in eisers woning.

Op 21 maart 1997 werd het hoofdbureau van het handelskantoor te Mosul door de Iraakse veiligheidsdienst gesloten en werden de twee eigenaren en B, eveneens partijlid van de INA, opgepakt en vastgezet. Eiser heeft daarna geweigerd

nog naar Mosul te reizen voor zijn werk, waarna hij werd ontslagen. Eiser is vervolgens als taxichauffeur gaan werken. Op 27 augustus 1997 vond een handgranaataanslag plaats op de woning van eiser, waarbij een neef die zich op dat

moment in de tuin bij de woning bevond, om het leven kwam. Eisers moeder raakte bij de aanslag gewond. Eiser is hierna bij een vriend ondergedoken. Eiser vermoedt dat de Iraakse autoriteiten verantwoordelijk zijn voor deze aanslag.

Na de vrijlating van de twee eigenaren van het handelsbureau heeft hij van hen vernomen dat B na gemarteld te zijn de naam van eiser aan de autoriteiten heeft doorgegeven. Eiser heeft om deze reden zijn land van herkomst op 4

september 1997 verlaten.

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet voor toelating in aanmerking komt omdat het relaas van eiser daartoe onvoldoende zwaarwegend is.

4. Met betrekking tot de gehandhaafde weigering eiser als vluchteling toe te laten, overweegt de rechtbank als volgt.

5. Ingevolge artikel 1 (A) van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76) en artikel 15, eerste lid, Vw is van

vluchtelingschap sprake in geval de betrokkene afkomstig is uit een land waarin hij gegronde redenen heeft te vrezen voor vervolging wegens zijn godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging, zijn nationaliteit, dan

wel wegens het behoren tot een bepaald ras of tot een bepaalde sociale groep.

6. Vooropgesteld moet worden dat de situatie in (Noord-)Irak niet zodanig is dat vreemdelingen afkomstig uit dat land in het algemeen zonder meer als vluchteling kunnen worden aangemerkt. Eiser zal dus aannemelijk moeten maken dat

met betrekking tot hem persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan die zijn vrees voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin rechtvaardigen.

7. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eisers verklaring dat hij van de twee vrijgelaten eigenaren van het handelsbureau in Mosul heeft vernomen dat B zijn naam aan de autoriteiten heeft

genoemd niet in het rapport van gehoor, noch in de aanvullingen en correcties daarop is terug te vinden zodat die verklaring niet geloofwaardig kan worden geacht. De rechtbank overweegt met betrekking daartoe dat deze verklaring wel

in het verslag van het nader gehoor is opgenomen, te weten op bladzijde 8, zodat de twijfel van verweerder aan de geloofwaardigheid van het relaas van eiser op dit punt niet op goede gronden is gestoeld. Dat eiser slechts indirect

zou hebben vernomen dat zijn naam is doorgegeven, betekent niet dat aan die indirecte mededeling daaromtrent in het geheel geen waarde zou mogen worden toegekend. De rechtbank vermag voorts niet in te zien hoe eiser dit op directe

wijze zou hebben kunnen vernemen, nu B nog gevangen zat.

Voorts heeft verweerder nog opgemerkt dat niet is gebleken dat eiser in de bijzondere aandacht van de Iraakse autoriteiten staat nu deze autoriteiten reeds in maart 1997 van de activiteiten van eiser op de hoogte waren en de aanslag

eerst in augustus 1997 zou zijn gepleegd. De rechtbank merkt in dit kader op dat door eiser niet is gesteld dat de Iraakse autoriteiten reeds in maart 1997 op de hoogte zouden zijn geweest van zijn activiteiten. Dat is ook niet

gebleken nu niet bekend is wanneer B relevante gegevens aan de Iraakse autoriteiten heeft doorgegeven.

Tevens heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de Iraakse autoriteiten een aanslag als door eiser gesteld met chirurgische precisie zouden hebben gepleegd en dat zij niet op een dergelijke amateuristische wijze te werk

zouden zijn gegaan. Dit argument faalt naar het oordeel van de rechtbank, nu de mogelijkheid dat de neef, die bij de aanslag om het leven kwam, werd aangezien voor eiser niet kan worden uitgesloten. Naar het oordeel van de rechtbank

is de door verweerder aan de aanslag gestelde voorwaarde van chirurgische precisie niet gebaseerd op objectieve gegevens. Het komt de rechtbank voor dat de Iraakse autoriteiten, nu die immers hun invloed in Noord-Irak niet meer op

directe wijze kunnen doen gelden, een dergelijke aanslag niet (altijd) perfect kunnen voorbereiden en uitvoeren.

Nu eisers relaas naar het oordeel van de rechtbank geloofwaardig is en het relaas van eiser bovendien in overeenstemming is met de algemene informatie over de INA zoals die in het ambtsbericht van het ministerie van Buitenlandse

Zaken van maart 1999 is weergegeven, heeft eiser aannemelijk weten te maken dat zijn vrees voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin gerechtvaardigd is en dient het beroep derhalve gegrond te worden verklaard.

De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft

moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op ƒ 1.420,-- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van ƒ

710,- en wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht de betaling aan de griffier te

geschieden.

III. BESLISSING

De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op het bezwaarschrift neemt;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad ƒ 1.420,--, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie) als rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden en aan de griffier dient te betalen;

5. gelast dat de Staat der Nederlanden als rechtspersoon het door eiser betaalde griffierecht ad ƒ 225,-- vergoedt.

IV. RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Aldus gedaan door mr. M.A.A. Mondt-Schouten en in het openbaar uitgesproken op 29 november 2000, in tegenwoordigheid van mr. A.C.M. Rijkelijkhuizen, griffier.

afschrift verzonden op: 27 december 2000