Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AB1133

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-12-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/8173, 99/3357
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Witte-illegalenbeleid / mvv-vereiste. In casu gaat het om een aanvraag van 19 februari 1999. Op grond van door verweerder gegeven informatie moet worden vastgesteld dat na de invoering van het mvv-vereiste op 11 december 1998 vtv's zijn verleend aan zogenaamde witte illegalen, waarbij niet-voldoening aan het mvv-vereiste niet aan afgifte van de vergunning in de weg heeft gestaan, terwijl geen sprake was van een aanvraag die voor invoering van het mvv-vereiste was ingediend. Verweerder rechtvaardigt dit met een beroep op zijn inherente afwijkingsbevoegdheid.

De rechtbank vermag niet in te zien dat op grond van de inherente afwijkingsbevoegdheid in de bedoelde gevallen van het tegenwerpen van het mvv-vereiste is afgezien. Het mvv-vereiste is immers geen beleid waarvan verweerder in bijzondere gevallen kan afwijken, maar een wettelijk vereiste dat is neergelegd in artikel 16a Vw. Verweerder heeft niet betoogd dat de betrokken vreemdelingen behoorden tot één van de categorieën vreemdelingen die op grond van artikel 16a, derde lid, Vw van het mvv-vereiste zijn vrijgesteld. Het komt de rechtbank dan ook voor dat verweerder in de bedoelde gevallen (althans de facto) gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid de betrokken vreemdelingen op grond van artikel 16a, vierde lid, Vw als categorie (namelijk de categorie van zogenaamde witte illegalen die wegens klemmende redenen van humanitaire aard voor een vtv in aanmerking komen) van het mvv-vereiste vrij te stellen. Verweerder heeft niet gemotiveerd waarom eiser niet behoort tot dezelfde categorie als de witte illegalen in de zogenaamde Agneskerk-zaken. Beroep gegrond, afwijzing voorlopige voorziening.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:86, geldigheid: 2000-12-20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Haarlem

meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken

fungerend president

U I T S P R A A K

artikel 8:77 en 8:81 Algemene Wet Bestuursrecht (Awb)

artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr: AWB 99/8173 VRWET H (beroepszaak)

AWB 99/3357 VRWET H (voorlopige voorziening)

inzake: A, geboren op [...] 1970, van Marokkaanse nationaliteit,

eiser/verzoeker, verder te noemen: eiser,

gemachtigde: mr. T. Sönmez, advocaat te Rotterdam,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. Bervoets, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te 's-Gravenhage.

1. GEGEVENS INZAKE HET GEDING

1.1 Aan de orde is het beroep tegen het besluit van verweerder van 2 september 1999, waarbij de buitenbehandelingstelling van de aanvraag om eiser een vergunning tot verblijf te verlenen met als doel klemmende redenen van

humanitaire aard, is gehandhaafd.

1.2 Tevens is aan de orde het verzoekschrift van eiser om bij wijze van voorlopige voorziening over te gaan tot schorsing van de beslissing van verweerder om uitzetting niet achterwege te laten, totdat op het beroep is beslist.

1.3 Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep en afwijzing van het verzoek.

1.4 De openbare behandeling van de geschillen heeft plaatsgevonden op 21 juni 2000. Daarbij hebben eiser en verweerder bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet.

1.5 Nadat het onderzoek ter zitting is gesloten, heeft de rechtbank het onderzoek heropend. Verweerder is bij brief van 18 juli 2000 een aantal vragen gesteld. Bij brief van 8 september 2000 heeft verweerder gereageerd. Op 3

oktober 2000 heeft eiser een reactie gegeven op het schrijven van verweerder. Hierop is het onderzoek gesloten.

2. OVERWEGINGEN

2.1 Aan de orde is allereerst de vraag of eiser belang heeft bij de behandeling van het onderhavige beroep. Eiser heeft, zo is ter zitting gebleken, op 19 oktober 1999 een aanvraag ingediend op grond van het in TBV 1999/23

neergelegde beleid. De behandeling van deze aanvraag mag eiser hier te lande afwachten. De aanvraag is op hetzelfde materiële feitencomplex gestoeld als de onderhavige aanvraag.

2.2 De rechtbank is van oordeel dat eiser een belang heeft bij de beoordeling van het onderhavige beroep. Indien immers de uitkomst van het beroep is dat eisers aanvraag ten onrechte buiten behandeling is gesteld en dat de aanvraag

in behandeling dient te worden genomen, zou die aanvraag een vergunning tot verblijf kunnen opleveren met een eerdere ingangsdatum dan wanneer die vergunning in het kader van de latere aanvraag zou worden verleend.

2.3 Partijen houdt verdeeld de vraag of de aanvraag om een vergunning tot verblijf op de voet van artikel 4:5 Awb buiten behandeling kon worden gesteld wegens het ontbreken van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv).

2.4 Bij hierboven vermelde brief van 18 juli 2000 heeft de griffier partijen bericht dat de rechtbank heeft besloten het onderzoek te heropenen. Voorzover hier van belang luidde die brief als volgt:

"(...) Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat zijn aanvraag (gedateerd 19 februari 1999) ten onrechte buiten behandeling is gesteld wegens het ontbreken van een machtiging tot voorlopig verblijf. Eiser heeft aan zijn

aanvraag ten grondslag gelegd dat hij hier te lande langdurig illegaal heeft verbleven en in die periode "wit" heeft gewerkt.

Voor de beoordeling van het beroep is het volgende van belang.

Op 11 december 1998 is het zogenaamde mvv-vereiste in werking getreden. Het door verweerder gevoerde zogenaamde witte-illegalenbeleid is met ingang van 1 januari 1998 beëindigd.

Bij brief van 1 februari 1999 (TK 1998-1999, 25 457, nr. 12) heeft verweerder de Tweede Kamer bericht dat hij de dossiers van de bij de hongerstaking in de St. Agneskerk te Den Haag betrokken personen nader heeft bestudeerd, om te

kunnen beoordelen of in voorkomende schrijnende gevallen alsnog gebruik diende te worden gemaakt van zijn discretionaire bevoegdheid. Een aantal van deze personen had nooit een aanvraag om toelating ingediend. In een aantal gevallen

is verweerder vervolgens tot verblijfsaanvaarding overgegaan.

In TBV 1999/23 van 1 oktober 1999 is een tijdelijke regeling neergelegd, inhoudende dat aanvragen ingediend tussen 1 oktober 1999 en 1 december 1999 zullen worden voorgelegd aan de commissie van burgemeesters. Nadat een advies door

een commissie over de mate van inburgering is uitgebracht zal verweerder beoordelen of gebruik moet worden gemaakt van de discretionaire bevoegdheid. Blijkens deze TBV zullen zogenoemde verzoeken om heroverweging, die op datum van

publicatie van die TBV nog in behandeling zijn, worden beschouwd als een verzoek om advies in de zin van de TBV.

Verweerder wordt verzocht de volgende, voor de beoordeling van het beroep van belang geachtte, vragen te beantwoorden.

1. Hoeveel aanvragen zijn er in de periode 11 december 1998 - 1 oktober 1999 gedaan die ertoe strekten om op basis van langdurig illegaal verblijf en "witte" arbeid voor verblijfsaanvaarding in aanmerking te komen?

2. Hoeveel van deze aanvragen zijn buiten behandeling gesteld op grond van het ontbreken van een mvv? Hoeveel waren er op 1 oktober 1999 in behandeling genomen? Zijn dergelijke aanvragen, gelijk de zogenoemde verzoeken om

heroverweging, door verweerder als een verzoek om advies in de zin van TBV 1999/23 aangemerkt?

3. Op basis van welk onderscheidend criterium is bepaald of aanvragen voor behandeling in aanmerking kwamen? Kan verweerder bij de beantwoording van deze vraag betrekken het feit dat in een aantal gevallen van de St. Agneskerk geen

sprake was van een reeds in behandeling genomen aanvraag en -vooralsnog- niet is gebleken dat verweerder in die gevallen het mvvvereiste heeft tegengeworpen?"

2.5 Bij brief van 8 september 2000 heeft verweerder de rechtbank bericht dat hij niet is staat is de hierboven weergegeven vragen 1 en 2 te beantwoorden. Voorts heeft verweerder in antwoord op vraag 3 het volgende bericht:

"(...) Voor aanvragen om verlening van een vergunning tot verblijf op grond van het witte-illegalenbeleid die zijn ingediend ná 11 december 1998 geldt - evenals voor alle overige aanvragen om verlening van een vergunning tot

verblijf - dat zij slechts in behandeling worden genomen indien de betreffende vreemdeling beschikt over een mvv dan wel, als dat niet het geval is, indien wordt voldaan aan één van de vrijstellingsgronden.

Dat het mvv-vereiste in de zogenaamde Agneskerk-zaken niet is tegengeworpen maakt dit niet anders. Een en ander hangt immers samen met het feit dat vertegenwoordigers van de Staatssecretaris van Justitie op 2 december 1998 in een

gesprek met vertegenwoordigers van de in de Agneskerk verblijvende hongerstakers hebben aangegeven dat de Staatssecretaris bereid is om nogmaals te bezien of er in individuele gevallen feiten en omstandigheden aanwezig zijn die

toepassing van zijn discretionaire bevoegdheid alsnog rechtvaardigen, hetgeen hij op 8 december 1998 in de Tweede Kamer heeft herhaald (...)."

2.6 De rechtbank oordeelt als volgt.

2.7 Op grond van het hierboven gegeven antwoord van verweerder moet worden vastgesteld dat na de invoering van het mvv-vereiste op 11 december 1998 vergunningen tot verblijf zijn verleend aan zogenaamde witte-illegalen, waarbij

niet-voldoening aan het mvv-vereiste niet aan afgifte van de vergunning in de weg heeft gestaan, terwijl geen sprake was van een aanvraag die voor invoering van het mvv-vereiste was ingediend. Verweerder rechtvaardigt dit met een

beroep op zijn inherente afwijkingsbevoegdheid.

2.8 De rechtbank vermag niet in te zien dat op grond van de inherente afwijkingsbevoegdheid in de bedoelde gevallen van het tegenwerpen van het mvv-vereiste is afgezien. Het mvv-vereiste is immers geen beleid waarvan verweerder in

bijzondere gevallen kan afwijken, maar een wettelijk vereiste dat is neergelegd in artikel 16a Vw.

Verweerder heeft niet betoogd dat de betrokken vreemdelingen behoorden tot één van de categorieën vreemdelingen die op grond van artikel 16a, derde lid, Vw van het mvv-vereiste zijn vrijgesteld. Het komt de rechtbank dan ook voor

dat verweerder in de bedoelde gevallen (althans de facto) gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid de betrokken vreemdelingen op grond van artikel 16a, vierde lid, Vw als categorie (namelijk de categorie van zogenaamde

witte-illegalen die wegens klemmende redenen van humanitaire aard voor vergunning-verlening in aanmerking komen) van het mvv-vereiste vrij te stellen.

2.9 Verweerder heeft niet gemotiveerd waarom eiser niet behoort tot dezelfde categorie als de witte-illegalen in de zogenaamde Agneskerk-zaken. Dat verweerders beslissing in de Agneskerk-zaken (zo komt het de rechtbank voor) mede is

ingegeven door de wens een einde te maken aan de hongerstaking, is onvoldoende reden om eiser in een nadeliger positie te brengen dan de witte-illegalen die aan de hongerstaking deelnamen.

2.10 Het bestreden besluit ontbeert gelet hierop een draagkrachtige motivering. Het beroep is gegrond en de bestreden beschikking zal worden vernietigd. Verweerder zal in de nieuw te nemen beslissing op bezwaar dienen te motiveren

waarom eiser, anders dan de witte-illegalen van de Agneskerk, het mvv-vereiste kon worden tegengeworpen.

2.11 Gelet op het voorgaande kunnen de overige door eiser naar voren gebrachte grieven onbesproken blijven.

2.12 Gegeven de beschikking in de hoofdzaak is er geen grond meer voor het treffen van de verzochte voorlopige voorziening, zodat het verzoek zal worden afgewezen.

2.13 Ten overvloede voegt de rechtbank het volgende toe. Met het oog op het voorkomen van onnodig procederen geeft de rechtbank verweerder in overweging eiser toe te zeggen dat een eventueel inwilligende beschikking in de procedure

die is aangevangen met de aanvraag van 19 oktober 1999 zal leiden tot verblijfsaanvaarding met ingang van de datum van de onderhavige aanvraag.

2.14 In dit geval bestaat aanleiding verweerder in de hoofdzaak met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten, zulks met inachtneming van het Besluit proceskosten

bestuursrecht. De kosten zijn op voet van het bepaalde in het bovengenoemde Besluit vastgesteld op f 1.420,-- (1 punt voor het beroepschrift en het verzoek om een voorlopige voorziening en 1 punt voor het verschijnen ter zitting,

wegingsfactor 1).

2.15 Uit de gegrondverklaring volgt dat verweerder het betaalde griffierecht ad tweemaal f 225,-- dient te vergoeden.

3. BESLISSING

De rechtbank:

ten aanzien van de hoofdzaak:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt de bestreden beschikking;

3.3 bepaalt dat verweerder binnen veertien weken na datum van verzending van deze uitspraak een besluit op het bezwaar dient te nemen;

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad f 1.420,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eiser dient te vergoeden;

3.5 wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad f 225,--.

De president:

ten aanzien van de gevraagde voorlopige voorziening:

3.6 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

3.7 wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad f 225,--.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H. Schotman, voorzitter van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken, tevens fungerend president, en mrs. M.C.C. van de Schepop en K.I. Hilberts, leden van de meervoudige kameren uitgesproken

in het openbaar op 20 december 2000, in tegenwoordigheid van mr. M.M.J. Daams als griffier.

afschrift verzonden op: 21 dec. 2000

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.