Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AB1131

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-12-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/72177 VRONTO
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / strafrechtelijke staandehoudingen / concrete aanwijzingen.

Eiser is in het Casino Femina te Amsterdam strafrechtelijk staandegehouden naar aanleiding van een onderzoek naar de voornamelijk uit Joegoslavië afkomstig cliëntèle die zou handelen in wapens en verdovende middelen. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt in onvoldoende mate uit het proces-verbaal dat ten aanzien van eiser, als bezoeker, een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit in de zin van artikel 27 WvSv bestond, zodat - ook met inachtneming van de marginale toetsing van de vreemdelingenrechter - eiser enkel op grond van de informatie uit dit proces-verbaal niet als verdachte had kunnen worden aangemerkt en als zodanig had kunnen worden staandegehouden. Ook ontbreekt er op de persoon van eiser toegesneden informatie in het dossier waaruit blijkt hoe de strafrechtelijke en de daaropvolgende vreemdelingenrechtelijke staandehouding van eiser heeft plaatsgevonden. De bewaring is derhalve van aanvang af onrechtmatig, beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 27, geldigheid: 2000-12-06
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

enkelvoudige kamer

UITSPRAAK

op grond van artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 34a Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr.: AWB 00/72177 VRONTO

inzake : A, (gesteld) afkomstig te zijn uit de Verenigde Arabische Emiraten, alias A, van (gestelde) Egyptische nationaliteit, verblijvende in de Penitentiaire Inrichting Ter Apel te Ter Apel, eiser

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij bevel tot bewaring van 24 november 2000 is eiser op grond van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw in bewaring gesteld. Verweerder heeft op diezelfde datum schriftelijk een last tot uitzetting van eiser gegeven.

Bij beroepschrift van 27 november 2000 heeft mr. R.M. Seth Paul, advocaat te Amsterdam, namens eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot bewaring. Daarbij is opheffing van de maatregel tot bewaring gevorderd

alsmede toekenning van schadevergoeding.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 5 december 2000. Eiser is aldaar verschenen, bijgestaan door mr. Seth Paul, voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door gemachtigde mr. M.C.G.G. van Hoek, werkzaam

bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van verweerders ministerie. Tevens was M.L. Selmi, tolk in de Arabische taal, ter zitting aanwezig.

II. OVERWEGINGEN

Eiser heeft het volgende -zakelijk weergegeven- aangevoerd. Eiser is in het ‘Casino Femina’ te Amsterdam strafrechtelijk staandegehouden naar aanleiding van een onderzoek naar de voornamelijk uit Joegoslavië afkomstig cliëntèle die

zou handelen in wapens en verdovende middelen. De strafrechtelijke staandehouding is onrechtmatig aangezien eiser niet betrokken is bij dat onderzoek. Eiser is gezien zijn uiterlijk duidelijk niet uit Joegoslavië afkomstig. Bij zijn

aanhouding heeft eiser een pas en een rijbewijs van de Verenigde Arabische Emiraten laten zien. Naar aanleiding van het strafrechtelijk onderzoek hebben geen concrete aanwijzingen van illegaal verblijf kunnen ontstaan. Een

proces-verbaal van strafrechtelijke aanhouding is niet opgemaakt. Op grond van het vorenstaande is de vreemdelingenrechtelijke aanhouding onrechtmatig en dient te worden opgeheven.

Verweerder heeft het volgende -zakelijk weergegeven- aangevoerd. Aan alle formele en materiële voorwaarden voor de inbewaringstelling van eiser is voldaan. Uit het rapport van de Regiopolitie Amsterdam/Amstelland blijkt dat de

politie geruime tijd voor de controle in het illegale gokhuis een uitgebreid vooronderzoek heeft verricht. Van iedereen die zich in het gokhuis bevond zijn de personalia gecontroleerd, zodat niet gezegd kan worden dat de

strafrechtelijke staandehouding op onrechtmatige wijze heeft plaatsgevonden. Eiser was niet in het bezit van identiteitsdocumenten en is vervolgens vreemdelingenrechtelijk aangehouden.

De rechtbank overweegt als volgt.

Uit het ambtsedig proces-verbaal van 20 november 2000 van H. van Ommen, dienstdoende bij de Regiopolitie Amsterdam/Amstelland, Regionale Criminele Inlichtingen Eenheid, blijkt -zakelijk weergegeven- onder meer het volgende. In het

‘Casino Femina’, [...]plein 44 te Amsterdam wordt volgens binnengekomen informatie gehandeld in wapens en verdovende middelen. Op 24 november 2000 is door de politie een controle uitgevoerd op het illegale gokhuis en de daar

aanwezige cliëntèle.

Voorts bevindt zich in het dossier een ‘aanhoudingskaart’ van 24 november 2000 waaruit blijkt dat eiser op die dag om 01.00 uur op grond van artikel 19 van de Vw is aangehouden.

Verweerder heeft zich ter zitting expliciet op het standpunt gesteld dat eiser eerst strafrechtelijk is staandegehouden en dat aansluitend daarop de staandehouding op grond van artikel 19, eerste lid, van de Vw, heeft

plaatsgevonden. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt in onvoldoende mate uit het proces-verbaal van 20 november 2000 dat ten aanzien van eiser, als bezoeker van het ‘Casino Femina’, een redelijk vermoeden van schuld aan een

strafbaar feit in de zin van artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering bestond, zodat -ook met inachtneming van de marginale toetsing van de vreemdelingenrechter ten aanzien van het strafrechtelijke voortraject- eiser enkel op

grond van de informatie uit dit proces-verbaal niet als verdachte had kunnen worden aangemerkt en als zodanig had kunnen worden staandegehouden. Ook ontbreekt er op de persoon van eiser toegesneden informatie in het dossier waaruit

blijkt hoe de strafrechtelijke staandehouding en de daaropvolgende vreemdelingenrechtelijke staandehouding van eiser heeft plaatsgevonden. Eerdergenoemde ‘aanhoudingskaart’ verschaft deze informatie evenmin. Gezien de onmogelijkheid

de gang van zaken rond eisers staandehouding feitelijk en juridisch te controleren is de rechtbank van oordeel dat het ervoor gehouden moet worden dat deze onrechtmatig is geweest.

Derhalve is de bewaring eveneens van aanvang af onrechtmatig.

De rechtbank heeft geen aanleiding gezien verweerder alsnog in de gelegenheid te stellen een ontbrekend proces-verbaal op te laten stellen. Het gaat om dermate essentiële informatie dat deze in beginsel reeds ter zitting in het

dossier aanwezig had moeten zijn.

De rechtbank ziet geen aanleiding hierop in dit geval een uitzondering te maken.

Hieruit volgt dat de bewaring in strijd is met de wet. Derhalve wordt het beroep gegrond verklaard en wordt de opheffing van de bewaring bevolen, ingaande 6 december 2000.

De rechtbank ziet in het vorenstaande aanleiding eiser ten laste van de Staat der Nederlanden een vergoeding als bedoeld in artikel 34j van de Vw toe te kennen en wel tot een bedrag van

ƒ 200,- per dag dat eiser op een politiebureau ten onrechte aan de vrijheidsontnemende maatregel onderworpen is geweest en ƒ 150,- per dag dat eiser in het Huis van Bewaring ten onrechte aan de vrijheidsontnemende maatregel

onderworpen is geweest, derhalve in totaal

ƒ 2.150,-.

Gelet op het vorengaande is er voorts aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten van eiser in verband met de behandeling van het beroep, welke zijn begroot op ƒ 1.420,- als kosten van

verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING:

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt dat de bewaring ingaande 6 december 2000 wordt opgeheven;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot vergoeding van de schade, groot ƒ 2.150,- (zegge eenentwintighonderdvijftig gulden), te betalen door de griffier van de rechtbank aan eiser;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag groot ƒ 1.420,- (zegge veertienhonderdtwintig gulden), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier van deze rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Radder, rechter, en door deze in het openbaar uitgesproken op 6 december 2000, in tegenwoordigheid van mr. I.G.M. Servais-Picord, griffier.

Afschrift verzonden op 26 januari 2001

Conc.: DR/ISP

Coll:

Bp:

D:B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof te 's-Gravenhage, voorzover het betreft het al dan niet toekennen van schadevergoeding of de hoogte daarvan. De Officier van Justitie kan binnen veertien dagen na de

uitspraak en de vreemdeling binnen een maand na de betekening van de uitspraak hoger beroep instellen door het afleggen van een daartoe strekkende verklaring bij de griffie van deze rechtbank.