Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AB1125

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-12-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/1729
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Iran / homoseksualiteit. Uit de ambtsberichten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 5 maart 1998 en 9 december 1998 en uit de brief van de UNHCR van 3 februari 1998 blijkt dat van een actief vervolgingsbeleid geen sprake is. Incidenteel wordt een beschuldiging van homoseksualiteit ingebracht in een breed scala aan andere strafbare feiten. Uit het na het bestreden besluit uitgebrachte ambtsbericht van november 1999 blijkt hetzelfde. Uit de brief van Amnesty International van 30 juli 1997 kan niet worden geconcludeerd dat de vaststelling in de ambtsberichten van de minister van Buitenlandse Zaken onjuist zou zijn. De rechtbank onderschrijft het standpunt van verweerder dat eiser in zijn vluchtrelaas geen melding maakt van structurele problemen, maar een zevental incidenten in een tijdsbestek van acht jaar aanhaalt. De rechtbank oordeelt dat geen gegronde vrees voor vervolging bestaat. Beroep gegrond wegens onterecht afzien van het horen op grond van artikel 32, tweede lid, Awb met instandhouding rechtsgevolgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te 's-Hertogenbosch

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

--------------------------------

Uitspraak

--------------------------------

AWB 99/1729 VRWET

Uitspraak van de rechtbank op het beroep ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 33a van de Vreemdelingenwet (Vw) in het geschil tussen:

A, wonende te B, eiser,

gemachtigde mr. T. Wijngaard, advocaat te 's-Hertogenbosch,

en

de Staatssecretaris van Justitie te 's-Gravenhage, verweerder.

I. PROCESVERLOOP

Eiser bezit de Iraanse nationaliteit en is vreemdeling in de zin van de Vw.

Op 30 september 1998 heeft eiser aanvragen ingediend om toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf.

Bij besluit van 23 november 1998 heeft verweerder de aanvraag van eiser om toelating als vluchteling op grond van artikel 15c, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw niet ingewilligd wegens kennelijke ongegrondheid ervan. Tevens

heeft verweerder afwijzend beslist op de aanvraag om een vergunning tot verblijf.

Dit besluit is diezelfde dag aan eiser bekendgemaakt. Daarbij is eiser medegedeeld dat nog aan de hand van de inhoud van een eventueel bezwaarschrift zal worden beslist of hij de behandeling ervan in Nederland mag afwachten.

Op 23 december 1998 heeft eiser tegen voornoemd besluit bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij brief van 19 februari 1999 heeft verweerder de ontvangst van bovenvermeld bezwaarschrift bevestigd en eiser medegedeeld dat hij de beslissing op bezwaar niet in Nederland mag afwachten.

Bij besluit van 8 maart 1999 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Dit besluit is diezelfde dag aan eiser bekendgemaakt. Daarbij is eiser medegedeeld hij de beslissing op beroep niet in Nederland mag afwachten.

Tegen dit besluit heeft eiser bij schrijven van 10 maart 1999 beroep ingesteld. Het beroepschrift is op dezelfde datum ter griffie van de rechtbank ontvangen. Bij schrijven van 9 april 1999 en 12 juli 1999 zijn namens eiser de

gronden van het beroep nader aangevuld.

Voorts heeft eiser op 10 maart 1999 om een voorlopige voorziening verzocht, inhoudende dat het verweerder wordt verboden maatregelen te nemen om tot verwijdering van eiser over te gaan, totdat op het beroepschrift zal zijn beslist.

Dit verzoek is geregistreerd onder nummer AWB 99/1728 H V35 VV.

Verweerder heeft naar aanleiding van het voornoemde beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening zijn behandeld ter zitting van de rechtbank van 3 oktober 2000, waar eiser in persoon is verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde

mr. B.Th. Moerkoert, advocaat te 's-Gravenhage.

Ter zitting is namens eiser het verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken.

II. OVERWEGINGEN

Aan de orde is de vraag of het besluit van 8 maart 1999, waarbij het bezwaar van eiser tegen de kennelijk ongegrondverklaring van zijn asielaanvraag en de niet-inwilliging van zijn aanvraag om een vergunning tot verblijf ongegrond

is verklaard, in rechte stand kan houden.

Eiser legt aan zijn beroep ten grondslag dat hij in Iran gegronde redenen heeft te vrezen voor vervolging, dan wel dat er klemmende redenen van humanitaire aard aanwezig zijn op grond waarvan hem een vergunning tot verblijf dient te

worden verleend.

Daartoe heeft eiser het volgende aangevoerd.

In de zomer van 1990 studeerde eiser samen met C, zijn vriend, in een boomgaard. Eisers buurman, die Hizbullah was en ook van de Basij, heeft hen gezien. Eenmaal thuisgekomen werd eiser door de Basij gevraagd mee naar het kantoor

van de Basij te gaan, waar eiser gedurende twee uren is verhoord. De ondervrager wilde horen dat eiser en C seks hadden gehad. Wegens gebrek aan bewijs mocht eiser weer gaan. Eiser wilde weg uit zijn woonplaats en is vanaf 1991

samen met C bij een bedrijf in D gaan werken. Vanaf de zomer van 1990 tot juli/augustus 1993 heeft eiser geen persoonlijke problemen ondervonden.

In juli/augustus 1993 werden eiser en C ontslagen nadat iemand de baas had verteld dat zij seks hadden. De baas heeft hen echter niet aangegeven bij de autoriteiten. Vervolgens keerde eiser terug naar zijn woonplaats E (gemeente

Rudsar) en ging weer bij zijn ouders wonen.

In december 1993/januari 1994 was eiser met C en andere vrienden aan het kaarten en aan het drinken. Toen er om middernacht werd aangebeld gooiden zij de tas met drank en kaarten naar de tuin van de buren. De Basij stond vanwege de

geluidsoverlast voor de deur en deed huiszoeking om drank te vinden. De mannen van de Basij vonden niets. De jongens werden naar het bureau gebracht en de volgende dag verhoord. De vader van eiser werd opgeroepen om eiser af te

halen. Eiser werd gewaarschuwd dat als hij nog een keer met zijn vriend gezien werd terwijl hij kaartte of dronk, hij gearresteerd en niet meer vrijgelaten zou worden. In 1994 is eiser naar F verhuisd waar zijn broer een baan voor

hem had gevonden. Hij zag C alleen nog tijdens vrije dagen en vakanties. Vanaf december 1993/januari 1994 tot aan de zomer van 1995 heeft eiser geen persoonlijke problemen ondervonden.

In de zomer van 1995 wandelde eiser met C over het strand. Daar hadden zij een woordenwisseling met een man die beweerde dat eiser en C een militaire verrekijker bij zich hadden. De man die van de Hizbullah was, nam hen mee in zijn

auto naar de afdeling zedendelicten van de Hizbullah. Vervolgens werden zij verhoord en een paar uur later voor de rechter gebracht, die hen vrijspraak. Volgens eiser had dit voorval niets te maken met zijn seksuele geaardheid.

In februari/maart 1996 heeft eiser in Teheran een schotelantenne gekocht en meegenomen naar zijn woonplaats. Dit op aanraden van C die dacht veel geld te kunnen verdienen door pornofilms (homo en hetero) op te nemen en te verkopen.

Bij een vriend, G, hebben eiser en C de schotel geïnstalleerd. De video's werden via een netwerk van bekenden verkocht.

In de zomer van 1996 is de Basij om 01.00 uur 's nachts bij C binnengevallen en trof eiser en C in naakt in bed aan. Zij zijn meegenomen naar het bureau en naar de rechter gestuurd. De rechter veroordeelde hen tot dertig zweepslagen

in het openbaar. Eiser en C werden drie à vier dagen vastgehouden, waarna de bestraffing met zweepslagen in de Jamé Moskee tijdens het vrijdaggebed ten uitvoer werd gelegd.

In het najaar van 1997 is C opgepakt en veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf en 75 zweepslagen wegens seks met een (andere) jongen.

Op 27 augustus 1998, toen eiser en C op bezoek waren bij G, werd er aangebeld. Toen zij uit het raam keken zagen zij mensen in de tuin en een man aan de deur. Eiser vermoedt dat zij voor C kwamen. Eiser vreesde vanwege zijn

homoseksualiteit ook opgepakt te worden en vluchtte naar het strand. Eisers belager schoot (in de lucht) en rende eiser achterna, maar eiser wist door zand in de ogen van zijn belager te strooien te ontkomen. Diezelfde nacht is

eiser naar zijn broer in Teheran gegaan omdat hij vreesde dat de wegen afgesloten zouden worden en hij opgepakt zou worden. Een paar dagen later hoorde eiser via zijn vader dat C door de Basij is opgepakt en een bezoekverbod heeft

en dat de Basij bij eisers vader naar eisers werkadres heeft geïnformeerd. Ook heeft de Basij de schotel in beslag genomen. Omdat C eisers werkadres in F kent is eiser daar niet naar teruggekeerd. Op 17 september 1998 heeft eiser

op aanraden van zijn broer Iran verlaten, omdat eiser niet in vrijheid kon leven zoals hij zou willen leven.

Ten aanzien van het beroep op vluchtelingschap overweegt de rechtbank als volgt.

Ingevolge artikel 1(A) van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 28 juli 1951, zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 31 januari 1967 (hierna te noemen: het Verdrag) geldt, voor zover hier van

belang, voor de toepassing van het Verdrag als vluchteling elke persoon die uit gegronde vrees voor vervolging wegens ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, zich bevindt

buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en die de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Vw kunnen vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waarin zij gegronde reden hebben te vrezen voor vervolging wegens hun godsdienstige of politieke overtuiging of hun nationaliteit, dan

wel wegens het behoren tot een bepaald ras of tot een bepaalde sociale groep, als vluchteling worden toegelaten.

In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat de toelating niet kan worden geweigerd dan om gewichtige redenen aan het algemeen belang ontleend, indien de vreemdeling door de weigering genoopt zou worden zich onmiddellijk te

begeven naar een land als bedoeld in het eerste lid.

Ingevolge artikel 15c, eerste lid aanhef en onder a, van de Vw wordt de aanvraag om toelating als vluchteling niet ingewilligd wegens kennelijke ongegrondheid ervan indien deze is gegrond op omstandigheden die hetzij op zichzelf of

in verband met andere feiten in redelijkheid geen enkel vermoeden kunnen wekken dat rechtsgrond voor toelating bestaat.

Voorop wordt gesteld dat de algehele situatie in Iran ten tijde van het bestreden besluit niet zodanig was dat vreemdelingen die afkomstig zijn uit dat land, zonder meer als vluchteling zijn aan te merken. Eiser dient derhalve

aannemelijk te maken dat er hem persoonlijk betreffende feiten en omstandigheden bestaan die vrees voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin rechtvaardigen.

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat het relaas van eiser onvoldoende zwaarwegend is voor een geslaagd beroep op vluchtelingschap.

De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

De rechtbank merkt allereerst op dat krachtens bestendige jurisprudentie vervolging wegens homoseksualiteit geldt als vervolging, gegrond op een der verdragsgronden, te weten het behoren tot een bepaalde sociale groep. De enkele

strafbaarstelling van homoseksualiteit of homoseksuele gedragingen in een land leidt evenwel niet zonder meer tot de conclusie dat sprake is van vluchtelingschap. De homoseksuele vreemdeling uit zo'n land moet aannemelijk maken dat

hij persoonlijk gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging. Ook de omstandigheid dat iemand -zoals eiser heeft aangegeven- niet vrij is in zijn land van herkomst zelf te bepalen hoe hij wil leven en zijn leven niet op dezelfde

wijze kan leiden als in Nederland houdt nog niet in dat sprake is van vervolging in vluchtelingrechtelijke zin. Niet elke (dreigende) beperking of schending van mensenrechten impliceert immers vervolging. De beperking of

schending(en) dienen van een zeker gewicht te zijn, waardoor aannemelijk wordt dat het leven daardoor onhoudbaar is geworden.

In casu is tussen partijen niet (langer) in geschil dat homoseksuele relaties in Iran bij wet verboden zijn en dat op homoseksuele gedragingen bij mannen de doodstraf staat en voorts dat homoseksuele relaties op een aantal manieren

bewezen kunnen worden geacht, waaronder op grond van het eigen inzicht van de rechter.

In het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 5 maart 1998 wordt uitvoeriger dan in voorgaande ambtsberichten ingegaan op de positie van homoseksuelen. Voor een bewezenverklaring is de getuigenis van vier mannen

geen absoluut vereiste, ook een viervoudige bekentenis of het eigen inzicht van de Sharia-rechter, gebaseerd op gangbare methodes, kan tot veroordeling leiden. Uit het ambtsbericht blijkt dat van een actief vervolgingsbeleid geen

sprake is. In Teheran wordt een aantal bekende ontmoetingsplaatsen van homoseksuelen gedoogd, en in meerdere parken in Teheran worden openlijk contacten gelegd tussen homoseksuelen. De autoriteiten zijn hiervan op de hoogte, maar

grijpen zelden in. Recente strafrechtelijke veroordelingen louter wegens homoseksuele gedragingen, inclusief veroordelingen op basis van eigen inzicht van de rechter, zijn niet bekend. Incidenteel komt het wel voor dat een

beschuldiging van homoseksualiteit wordt ingebracht in een breed scala aan andere strafbare feiten.

Ook uit het ambtsbericht van 9 december 1998 blijkt dat van gevallen van vervolging of veroordeling wegens homoseksualiteit over de afgelopen periode - van maart tot december 1998 - geen kennis werd genomen. Wel komt het incidenteel

voor, zoals ook in het ambtsbericht van 5 maart 1998 is vermeld, dat homoseksualiteit wordt ingebracht in een breed scala aan strafbare feiten.

Uit het na het bestreden besluit nog uitgebrachte ambtsbericht van november 1999, dat betrekking heeft op de periode van december 1998 tot november 1999, zijnde de periode waarin het bestreden besluit is genomen, blijkt eveneens dat

van gevallen van vervolging of veroordeling wegens homoseksualiteit over die periode geen kennis werd genomen. Ook hier is echter vermeld dat het incidenteel voorkomt dat de beschuldiging van homoseksueel gedrag cumulatief wordt

ingebracht in een breed scala aan strafbare feiten.

Tenslotte blijkt uit de brief van de UNHCR van 3 februari 1998 dat "In regards tot practice, we have not, thus far, been able to trace any cases of execution of persons found guilty of homosexual relations".

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de brief van Amnesty International van 30 juli 1997 niet worden geconcludeerd dat de vaststelling in de ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken onjuist zou zijn. Deze brief

noemt -zulks na de constatering dat wellicht geen sprake is van een actief vervolgingsbeleid- slechts één concreet geval van een veroordeling tot een langdurige gevangenisstraf wegens homoseksualiteit, overigens in relatie met

andere verboden gedragingen en een eerdere veroordeling.

Ter toelichting op het bestreden besluit heeft verweerder aangegeven dat eiser in zijn vluchtrelaas geen melding maakt van structurele problemen, maar een zevental incidenten in een tijdsbestek van acht jaar aanhaalt.

De rechtbank onderschrijft het standpunt van verweerder dat eiser hiermee niet aannemelijk heeft gemaakt dat in zijn geval sprake is van een gegronde vrees voor vervolging.

Verweerder heeft terecht opgemerkt dat bij het incident in juli/augustus 1993 de Iraanse overheid niet betrokken was, dat eiser voor de twee incidenten in de zomer van 1990 en 1995 onvoorwaardelijk is vrijgelaten casu quo is

vrijgesproken en dat de incidenten in december 1993/januari 1994 en ook het eerder bedoelde incident in de zomer van 1995 geen betrekking hadden op eisers seksuele geaardheid, maar op het feit dat eiser dronk en kaartte casu quo een

militaire verrekijker had. Het incident in het najaar 1997 was gericht tegen eisers vriend C. Eiser zelf was daarbij op generlei wijze betrokken.

De rechtbank is voorts met verweerder van oordeel dat de verklaringen van eiser omtrent zijn ontsnapping bij het incident in de zomer van 1998 gelet op de eenvoudige wijze waarop hij zou zijn ontsnapt, niet geloofwaardig zijn. Het

is niet aannemelijk te achten dat eiser aan zijn belager die gericht naar hem op zoek was en gewapend was met een pistool, op het strand kon ontsnappen door hem zand in het gezicht te gooien. Dit maakt dat ook aan zijn verklaringen

omtrent dit incident moet worden getwijfeld. Voor zover de inval als zodanig al aannemelijk moet worden geacht geldt dat eiser de omstandigheid dat zijn vriend C daarbij is gearresteerd niet uit eigen waarneming heeft doch slechts

van horen zeggen. De verklaring van eiser dat hij bang was dat C zijn naam zou noemen berust slechts op een vermoeden van eiser. Daarbij is nog van belang dat C ook in het najaar van 1997 de naam van eiser al bij de autoriteiten

bekend had kunnen maken doch dit klaarblijkelijk niet heeft gedaan dan wel indien hij dit wel zou hebben gedaan dit zonder gevolgen is gebleven.

Voorts leidt blijkens het ambtsbericht van 5 juni 1997 het enkel in bezit hebben dan wel verspreiden van verboden materiaal, waaronder (homoseksuele) pornovideo's, in de praktijk hooguit tot het opleggen van een geldboete. Uit niets

is gebleken dat de Iraanse autoriteiten de videobanden in het huis van G hebben gevonden; eiser veronderstelt dit slechts. Dan nog lagen zij in het huis van G, die zelf heeft kunnen vluchten, en niet van eiser, zodat geenszins

aannemelijk is dat zij met eiser in verband zouden worden gebracht.

Dat mensen van de overheid bij eisers vader langs zouden zijn geweest heeft eiser via zijn broer - een niet objectieve bron - vernomen. Bovendien is de reden van de navraag niet duidelijk geworden.

Verweerder heeft in het bestreden besluit dan ook terecht geconcludeerd dat niet is gebleken van enige aanklacht van wie dan ook jegens eiser op basis waarvan hij thans zou worden gezocht door de Iraanse autoriteiten.

Eiser is weliswaar voor het incident in de zomer van 1996 veroordeeld tot dertig zweepslagen in het openbaar, welke straf ook ten uitvoer is gelegd, doch verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank op goede grond kunnen

oordelen dat dit niet voldoende is voor een geslaagd beroep op vluchtelingschap.

Daarbij is van belang dat de veroordeling van 1996 dateert en dat uit de eerder aangehaalde ambtsberichten blijkt dat voor wat betreft de periode waarop het ambtsbericht van maart 1998 betrekking heeft en de periode nadien tot

november 1999 geen sprake was van een actief vervolgingsbeleid en dat geen gevallen van strafrechtelijke veroordelingen enkel wegens homoseksualiteit bekend zijn. Dit voorval, waarbij eiser niet heeft bekend homoseksueel te zijn,

vormde voor eiser ook geen aanleiding om Iran te ontvluchten, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank niet duidt op een gegronde vrees voor vervolging.

Ook in de omstandigheid dat C in 1997 is gearresteerd en veroordeeld heeft eiser geen aanleiding gezien voorzorgsmaatregelen te nemen.

Eiser is steeds zijn vrije dagen en vakantie blijven doorbrengen in zijn oude woonplaats, hetgeen niet duidt op een gegronde vrees voor vervolging, met name omdat het hier een klein dorp betreft waar naar eisers zeggen iedereen

elkaar kent. Eiser is na het incident in 1996 ook niet meer vanwege zijn seksuele geaardheid in aanraking geweest met de autoriteiten, terwijl hij zoals reeds aangegeven steeds terugkeerde naar zijn oude woonplaats, die hij eerder

bewust had verlaten, en daar ook zijn vriend opzocht.

Eiser heeft tenslotte in het nader gehoor zelf ook aangegeven Iran te hebben verlaten omdat hij een afkeer van het sociale leven in Iran had gekregen en naar eigen zeggen niet vrij was om zelf te bepalen hoe hij wilde leven. Onvrede

met de algehele situatie in het land van herkomst is echter - zoals hiervoor reeds overwogen - ontoereikend voor een geslaagd beroep op vluchtelingschap.

Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat verweerder op goede gronden tot de conclusie is gekomen dat eiser niet tot op zekere hoogte aannemelijk heeft gemaakt gegronde redenen te hebben te vrezen voor vervolging

in vluchtelingrechtelijke zin.

Ingevolge artikel 11, vijfde lid, van de Vw kan een vergunning tot verblijf aan de vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend. Verweerder voert met het oog op de bevolkings- en werkgelegenheidssituatie

hier te lande een beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen slechts voor verblijf in aanmerking komen, indien met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel indien zij een reëel risico

lopen bij terugkeer een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) te ondergaan, of indien sprake is van overige klemmende redenen van humanitaire

aard.

Niet is gesteld dat met de aanwezigheid van eiser hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend.

Evenmin is het bestaan van klemmende redenen van humanitaire aard, op grond waarvan verblijf van eiser in Nederland zou moeten worden toegestaan, aannemelijk gemaakt.

Verder is de rechtbank van oordeel dat uit hetgeen ten aanzien van eisers beroep op het vluchtelingschap is overwogen voortvloeit dat niet aannemelijk is dat juist eiser bij terugkeer naar zijn land van herkomst een reëel risico

loopt onderworpen te worden aan folteringen of aan onmenselijke behandeling, zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM dan wel dat schending dreigt van artikel 3 van het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of

onterende behandeling of bestraffing (Anti-Folterverdrag).

De door de gemachtigde van eiser aangehaalde uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 5 februari 1998 (AWB 96/11624) en van 23 juni 1998 (AWB 97/98) maken het vorenstaand oordeel ten aanzien van vluchtelingschap en

dreigende schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 3 van het Anti-Folterverdrag niet anders. Allereerst is van belang dat bij die uitspraken nog niet de ambtsberichten van 9 december 1998 en van november 1999 zijn betrokken,

waarin wederom tot uitdrukking komt dat van een actief vervolgingsbeleid geen sprake is en dat geen gevallen van veroordeling of vervolging bekend zijn. Voorts onderschrijft de rechtbank het standpunt van verweerder - zoals nader

toegelicht in het verweerschrift - dat in genoemde uitspraken de individuele omstandigheden van de betreffende vreemdelingen de rechtbank tot haar oordeel in deze zaken hebben geleid, terwijl het feitencomplex in de onderhavige zaak

anders ligt dan in genoemde zaken. Van (bijzonder) belang in die zaken was dat eiser zijn seksuele geaardheid aan de politie had moeten bekennen respectievelijk dat eiser in zijn relaas - naast zijn homoseksualiteit - aangaf een lid

van de Pasdaran te hebben mishandeld.

Met de eerst in beroep door eiser overgelegde documenten met betrekking tot zijn lidmaatschap van de Homobelangenorganisatie voor homoseksuelen uit Iran kan de rechtbank, gelet op de ex-tunc toetsing in beroep, geen rekening houden.

Voor wat betreft de schending van de hoorplicht overweegt de rechtbank als volgt.

Hiervoor is reeds overwogen dat de rechtbank van oordeel is dat verweerder op goede grond tot de conclusie is gekomen dat eiser niet tot op zekere hoogte aannemelijk heeft gemaakt gegronde redenen te hebben te vrezen voor vervolging

in vluchtelingrechtelijke zin, zodat verweerder niet gehouden was eiser te doen horen door de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken.

Ten aanzien van de vraag of verweerder terecht toepassing heeft gegeven aan artikel 32, tweede lid, van de Vw en op die grond van het horen heeft afgezien, is de rechtbank van oordeel dat in het onderhavige geval geen sprake is van

een situatie waarin er in redelijkheid geen twijfel over kan bestaan dat geen gevaar bestaat voor vervolging in eerderbedoelde zin dan wel het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft.

Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser in het bezwaarschrift (nieuwe) feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht die verweerder ertoe hebben geleid, anders dan in de beslissing in primo, alsnog aannemelijk te

achten dat eiser homoseksueel is en dat verweerder in laatstgenoemde beslissing ook zelf heeft aangegeven dat homoseksuelen in Iran tot een risico-groep behoren.

Nu eiser echter gedurende de behandeling van het beroep voldoende gelegenheid heeft gehad zijn asielrelaas, ook ten aanzien van het incident in 1998, en zijn standpunten nader toe te lichten en de rechtbank ervan overtuigd is dat

het horen van eiser door verweerder in redelijkheid niet meer kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, zal de rechtbank ingevolge artikel 8:72, derde lid, van de Abw bepalen dat de rechtsgevolgen in stand blijven.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het onderhavige beroep gegrond is, dat het bestreden besluit wordt vernietigd doch de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven.

De rechtbank acht termen aanwezig verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht

en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal f 1.420,- voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

* 1 punt voor het indienen van een beroepschrift;

* 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

* waarde per punt f 710;

* wegingsfactor 1.

Tevens zal de rechtbank bepalen dat door verweerder aan eiser het door hem gestorte griffierecht dient te worden vergoed.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;

veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten vastgesteld op

f 1.420,- te vergoeden door de Staat der Nederlanden en te voldoen aan de griffier;

gelast dat het gestorte griffierecht ten bedrage van f 50,- door de Staat der Nederlanden namens verweerder aan eiser wordt vergoed.

Aldus gedaan door mr. Y.J. Klik als rechter in tegenwoordigheid van mr. S.H. Snoeij als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 december 2000.

Afschriften verzonden: 19 januari 2001