Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AB1123

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-11-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/2803
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afgeleide vluchtelingenstatus.

Echtgenoot van eiseres bezit de vluchtelingenstatus, eiseres heeft een afgeleide vluchtelingenstatus. In casu is sprake van intrekking van haar vluchtelingenstatus (en die van haar echtgenoot) vanwege het verstrekken van onjuiste gegevens. In de onderhavige procedure staat de vraag centraal of verweerder met de intrekking van de afgeleide vluchtelingenstatus handelt in strijd met het verbod van refoulement en of eiseres in de gelegenheid gesteld had moeten worden haar eigen asielmotieven naar voren te brengen. De rechtbank oordeelt dat dit niet het geval is. Omdat aan eiseres kort na haar binnenkomst in Nederland de vluchtelingenstatus is verstrekt, acht de rechtbank het voorstelbaar dat zij toen geen aanleiding zag een individuele asielaanvraag in te dienen. Er staat eiseres niets in de weg om een eerste asielaanvraag in te dienen, in welk kader verweerder gehouden is te toetsen aan het verbod van refoulement. De vluchtelingenstatus is terecht ingetrokken. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2001/109 met annotatie van Red.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

Zitting houdende te Arnhem

Vreemdelingenkamer

Registratienummer: AWB 00/2803

Datum uitspraak : 27 november 2000

Uitspraak

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in samenhang met artikel 33a van de Vreemdelingenwet (Vw)

in de zaak van

A,

eiseres,

alsmede ten behoeve van haar minderjarige kinderen,

gemachtigde mr. P.A.E. Engelen,

tegen

DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

verweerder,

gemachtigde mr. G.M.H. Hoogvliet.

Het procesverloop

Op 6 maart 1997 heeft B, echtgenoot van eiseres, een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf ten behoeve van eiseres en hun vijf kinderen ingediend. Bij besluit van 27 mei 1997 is deze aanvraag ingewilligd. Eiseres en de

kinderen zijn vervolgens op 10 oktober 1997 Nederland ingereisd, waarna aan eiseres een afgeleide vluchtelingenstatus is verleend.

Bij besluit van 31 mei 1999 heeft verweerder de aan de echtgenoot van eiseres verleende vluchtelingenstatus ingetrokken, alsmede de afgeleide vluchtelingenstatus van eiseres ingetrokken.

Eiseres heeft daartegen bij bezwaarschrift van 22 juni 1999 bezwaar gemaakt. Bij beschikking van 13 maart 2000 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Bij beroepschrift van 6 april 2000 heeft eiseres beroep ingesteld bij de rechtbank tegen deze beschikking.

Openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 8 november 2000. Eiseres is daarbij verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

Als tolk is verschenen de heer S.G. Tahir.

De beoordeling

1. In deze procedure dient te worden beoordeeld of de beschikking van 13 maart 2000 in rechte stand kan houden.

2. Op grond van artikel 15 van de Vw in samenhang met artikel 1(A) van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen kunnen vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waarin zij gegronde reden hebben te vrezen

voor vervolging wegens hun godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging of hun nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of een bepaalde sociale groep, als vluchteling worden toegelaten.

Ingevolge artikel 15, derde lid, van de Vw juncto artikel 14, eerste lid, aanhef en sub a, Vw kan de toelating als vluchteling worden ingetrokken indien de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt welke hebben geleid tot de

toelating als vluchteling.

3. Eiseres en haar kinderen zijn in het kader van gezinshereniging tot Nederland toegelaten. Aan hen is de afgeleide vluchtelingenstatus toegekend. Eiseres heeft bij binnenkomst, noch nadien individuele asielmotieven aangevoerd.

Haar asielmotieven zijn gerelateerd aan het asielrelaas van haar echtgenoot.

4. Verweerder heeft de vluchtelingenstatus van de echtgenoot van eiseres ingetrokken, omdat hij onjuiste gegevens heeft verstrekt die hebben geleid tot de toelating als vluchteling. Als gevolg hiervan is ook de grondslag voor de aan

eiseres verleende toelating komen te vervallen. Dat aan eiseres de handelwijze van haar echtgenoot niet kan worden verweten, leidt naar de opvatting van verweerder niet tot ander oordeel.

Voorts is er naar het oordeel van verweerder geen aanleiding eiseres te horen omtrent haar eventuele persoonlijke asielmotieven, aangezien eiseres er geen blijk van heeft gegeven anders dan afhankelijk van haar echtgenoot te willen

worden behandeld. Eiseres is in het kader van gezinshereniging naar Nederland gekomen en heeft niet op basis van vluchtelingschap de afgeleide status gekregen, maar op grond van de achterliggende gedachte alle leden binnen één gezin

dezelfde status te verstrekken. Eiseres heeft nooit kenbaar gemaakt dat zij op zelfstandige gronden asiel wenst aan te vragen. De gemachtigde van eiseres heeft deze wens pas in pleidooi bij een hoorzitting van de Adviescommissie

voor Vreemdelingenzaken (ACV) naar voren gebracht.

Tenslotte stelt verweerder zich op het standpunt dat door eiseres toe te staan naar Nederland te komen geen ongerechtvaardigde verwachtingen heeft gewekt.

5. Eiseres stelt zich op het standpunt dat haar niet kan worden verweten dat haar echtgenoot onjuiste informatie heeft verstrekt. Bovendien handelt verweerder in strijd met het verbod van refoulement indien eiseres gedwongen zou

worden terug te keren naar Irak. Ten onrechte heeft eiseres nooit de gelegenheid gekregen asiel aan te vragen. Tenslotte heeft eiseres aangegeven dat jegens haar verwachtingen zijn gewekt door haar toe te staan in het kader van

gezinshereniging naar Nederland te komen op een moment dat verweerder er reeds van op de hoogte was dat de echtgenoot van eiseres onjuiste gegevens in de asielprocedure had verstrekt.

6. De rechtbank stelt vast dat bij uitspraak van heden het beroep van de echtgenoot van eiseres tegen de intrekking van de vluchtelingenstatus ongegrond is verklaard. Eiseres heeft een van haar echtgenoot afgeleide

vluchtelingenstatus. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat eiseres in het bezit is gesteld van de vluchtelingenstatus louter en alleen op basis van de toelating van de echtgenoot als vluchteling. Nu door deze rechtbank

is geoordeeld dat de toelating van de echtgenoot als vluchteling op goede gronden is ingetrokken, kan ook eiseres aan haar afgeleide vluchtelingenstatus niet langer aanspraak ontlenen.

7. De rechtbank is voorts van oordeel dat jegens eiseres en haar kinderen geen ongerechtvaardigde verwachtingen zijn gewekt. De rechtbank leidt uit de stukken in het dossier af dat op 27 mei 1997 de aanvraag voor een machtiging tot

voorlopig verblijf (mvv) ten behoeve van eiseres en haar kinderen is ingewilligd. De vreemdelingendienst heeft op 25 augustus 1997 een klikbrief ontvangen met betrekking tot het verblijf van de echtgenoot van eiseres in Duitsland.

Eiseres is op 10 oktober 1997 Nederland binnengereisd. Weliswaar had de vreemdelingendienst op het moment van binnenreis van eiseres reeds de klikbrief ontvangen, het onderzoek naar de inhoud daarvan was op dat moment echter nog

maar net opgestart. De verantwoordelijkheid van verweerder strekt naar het oordeel van de rechtbank niet zo ver dat het op de weg van verweerder had moeten liggen om op basis van enkel en alleen de klikbrief de mvv weer in trekken.

8. Resteert naar het oordeel van de rechtbank de vraag of verweerder met de intrekking van de vluchtelingenstatus handelt in strijd met het verbod van refoulement. Eiseres heeft daartoe aangevoerd dat zij in de gelegenheid had

moeten worden gesteld om haar individuele asielmotieven naar voren te brengen. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen aanleiding is eiseres omtrent haar zelfstandige asielmotieven te horen, nu zij vanaf het

moment van binnenkomst in Nederland de gelegenheid heeft gehad deze motieven naar voren te brengen, maar dat niet heeft gedaan. De rechtbank is van oordeel dat uit het in de Vc onder B7/17.1.1. neergelegde beleid blijkt dat de aan

eiseres verstrekte afgeleide vluchtelingenstatus op grond van gezinshereniging is afgegeven. Omdat aan haar kort na binnenkomst in Nederland een afgeleide vluchtelingenstatus werd verstrekt, acht de rechtbank het voorstelbaar dat

eiseres geen aanleiding zag een individuele asielaanvraag in te dienen. Naar het oordeel van de rechtbank staat er niets aan in de weg dat eiseres een eerste asielaanvraag indient, in welk kader verweerder gehouden is aan het verbod

van refoulement te toetsen.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten de afgeleide vluchtelingenstatus van eiseres in te trekken.

9. Het beroep is derhalve ongegrond.

10. Voor vergoeding van het betaalde griffierecht of veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, bestaat geen aanleiding.

De Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen en in het openbaar uitgesproken op 27 november 2000 in tegenwoordigheid van mr. J.M.W. Hermans als griffier.

de griffier de rechter

Tegen deze uitspraak staat ingevolge artikel 33e van de Vreemdelingenwet geen hoger beroep open.

Afschrift verzonden: