Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AB0927

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-12-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/68349
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / laissez-passer / presentatie. De rechtbank begrijpt de mededelingen van verweerder (naar aanleiding van de door de rechtbank gestelde vragen) aldus dat in het algemeen geen gelijktijdige presentatie bij de Algerijnse en de Marokkaanse autoriteiten plaatsvindt, doch dit alleen anders is indien er concrete aanknopingspunten zijn (bijvoorbeeld mededelingen van tolken of mededelingen van de autoriteiten van de betrokken landen) dat de vreemdeling, naast de mogelijke nationaliteit van het ene land, ook de nationaliteit van het andere land kan hebben. In de onderhavige zaak heeft de Algerijnse consul voldoende aanknopingspunten gevonden om de laissez-passeraanvraag in behandeling te nemen. Dit onderzoek loopt nog, waarbij verweerder op de gebruikelijke wijze wekelijks rappelleert. Hoewel uit de stukken en uit de door verweerder nader gegeven informatie niet blijkt op grond van welke aanwijzingen (mede) tot presentatie bij de Marokkaanse autoriteiten is overgegaan, heeft de consul van dat land niettemin aanleiding de laissez-passeraanvraag in behandeling te nemen. Ook de voortgang van dit onderzoek wordt door verweerder voldoende bewaakt. Gelet hierop kan het betoog van de gemachtigde van de vreemdeling dat de op de presentaties bij de Algerijnse en Marokkaanse autoriteiten gevolgde onderzoeken niet tot enig resultaat zullen leiden, niet worden gevolgd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Haarlem

enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken

U I T S P R A A K

ex artikel 34a Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr: AWB 00/68349 VRWET D

inzake: A, geboren op [...] 1981, naar gesteld van Algerijnse nationaliteit, verblijvende in de Penitentiaire Inrichting Ter Apel te Ter Apel, hierna te noemen: de vreemdeling,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), gevestigd te 's-Gravenhage, verweerder.

Zitting: 13 november 2000.

De vreemdeling is vertegenwoordigd door mr. R.E.J.M. van den Toorn, advocaat te Made.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde, mr. B. Perels.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Bij bevel tot bewaring van 20 juni 2000 is de vreemdeling op grond van artikel 26, eerste lid, Vw in bewaring gesteld.

1.2 Tegen de (voortduring van de) maatregel van bewaring is reeds eerder beroep ingesteld. Verwezen wordt naar hetgeen hieromtrent door deze rechtbank en nevenzittingsplaats is overwogen en beslist in de uitspraak van 4 augustus

2000 met kenmerk AWB 00/6739 VRWET J. Bij die uitspraak is het door de vreemdeling ingestelde beroep tegen de (voortduring van de) inbewaringstelling ongegrond verklaard.

1.3 Bij beroepschrift van 31 oktober 2000, ter griffie van deze rechtbank ontvangen op 2 november 1999, heeft de vreemdeling wederom beroep ingesteld tegen de voortduring van de maatregel van bewaring.

1.4 De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 13 november 2000, waarna het onderzoek is gesloten.

1.5 Op 16 november 2000 heeft de rechtbank het onderzoek heropend teneinde verweerder nogmaals in de gelegenheid te stellen te reageren op hetgeen door de gemachtigde van de vreemdeling ter zitting naar voren is gebracht.

1.6 Bij faxbericht van 20 november 2000 heeft de rechtbank de gevraagde reactie van verweerder ontvangen. Naar aanleiding van bedoelde reactie heeft de rechtbank verweerder op 22 november 2000 nogmaals een aantal vragen ter

beantwoording voorgelegd.

1.7 Bij faxbericht van 24 november 2000 heeft verweerder bedoelde vragen van de rechtbank beantwoord. Van de zijde van de vreemdeling heeft de rechtbank geen reactie op deze beantwoording ontvangen. Vervolgens heeft de rechtbank

het onderzoek gesloten en uitspraak bepaald op heden.

2. Overwegingen

2.1 De rechtbank gaat bij de beantwoording van de vraag of voortduring van de in het geding zijnde vrijheidsbenemende maatregel nog immer gerechtvaardigd is te achten, uit van de volgende feiten.

De vreemdeling is op 18 juli 2000 in persoon gepresenteerd bij de Algerijnse autoriteiten. Deze presentatie heeft er in geresulteerd dat de Algerijnse autoriteiten de aanvraag om afgifte van een laissez-passer ten behoeve van de

vreemdeling in behandeling hebben genomen. Op 28 juli 2000 is de vreemdeling nader gehoord omtrent zijn identiteit en nationaliteit, waarna een presentatie in persoon bij de Marokkaanse autoriteiten heeft plaatsgevonden. Ook de

Marokkaanse autoriteiten hebben de aanvraag om afgifte van een laissez-passer ten behoeve van de vreemdeling in behandeling genomen. Blijkens een voorafgaand aan de zitting van

13 november 2000 door de gemachtigde van verweerder aan de rechtbank toegezonden telefoonnotitie van 9 november 2000 wordt er wekelijks gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten en is er bij de Marokkaanse autoriteiten

laatstelijk op 16 oktober 2000 gerappelleerd. Uit bedoelde telefoonnotitie komt voorts naar voren dat de vreemdeling op

28 augustus 2000, op 14 september 2000 en op 13 oktober 2000 is opgeroepen voor een nader gehoor omtrent zijn identiteit en nationaliteit, doch hij aan deze oproepen geen gehoor heeft gegeven en de medewerkers van de

Vreemdelingendienst niet te woord heeft willen staan.

2.2 Namens de vreemdeling is ter zitting aangevoerd dat voortduring van de in het geding zijnde vrijheidsbenemende maatregel niet langer gerechtvaardigd is te achten, nu uitzetting van de vreemdeling niet op korte termijn

verwacht kan worden. In dit verband heeft de gemachtigde van de vreemdeling verwezen naar uitlatingen van de gemachtigde van verweerder op de zitting van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 9 november 2000 in de zaak B

(registratienummer: AWB 00/68407 VRWET J). Deze uitlatingen zouden volgens de gemachtigde van de vreemdeling inhouden dat een presentatie bij de Algerijnse autoriteiten niet samen kan gaan met een (gelijktijdige) presentatie bij de

Marokkaanse autoriteiten

(of andersom) en dat, indien wel tot een dergelijke dubbele presentatie wordt overgegaan, deze presentaties zijn gedoemd te mislukken.

2.3 De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting medegedeeld dat gelijktijdige presentatie bij de Algerijnse en de Marokkaanse autoriteiten vaker voorkomt en dit geen problemen oplevert.

2.4 De rechtbank heeft verweerder er bij de heropeningsbrief van 16 november 2000 op gewezen dat de uitlatingen van de gemachtigde in de hiervoor aangehaalde zaak moeilijk zijn te rijmen met de uitlatingen van de gemachtigde van

verweerder in de onderhavige zaak en verweerder verzocht hierop te reageren en in ieder geval aan te geven welk beleid verweerder terzake voert.

2.5 De gemachtigde van verweerder heeft de rechtbank in reactie op bedoelde brief van

16 november 2000 bij faxbericht van 20 november 2000 het volgende medegedeeld:

(...) Indien een vreemdeling (na een voorpresentatie) wordt gepresenteerd bij de Algerijnse autoriteiten zal de consul besluiten of er voldoende aanknopingspunten zijn om het verzoek om een laissez-passer in

onderzoek te nemen. Indien dit het geval is, maar de consul bovendien aangeeft dat er aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat de betrokken vreemdeling de Marokkaanse nationaliteit zou kunnen bezitten, kan de vreemdeling tevens

bij de Marokkaanse autoriteiten worden gepresenteerd en zal in een zodanig geval sprake zijn van een gelijktijdige presentatie.

Het vorenstaande kan ook opgaan voor de situatie dat er eerst bij de Marokkaanse autoriteiten wordt gepresenteerd.

Als algemeen uitgangspunt hanteert verweerder dat geen gelijktijdige presentatie dient plaats te vinden. De reden hiervoor is gelegen in de mogelijke frustratie van de diplomatieke samenwerking. Echter bij voldoende

concrete aanknopingspunten, waaronder de situatie zoals hiervoor genoemd, kan verweerder in een individuele zaak zowel tot een presentatie bij de Algerijnse als de Marokkaanse autoriteiten besluiten (...).

2.6 Naar door verweerder bij schrijven van 22 november 2000 -door de rechtbank desgevraagd- toegelicht wordt met het risico van frustratie van diplomatieke samenwerking het volgende bedoeld:

(...) De vreemdeling dient zelf mee te werken aan de vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit. Indien de vreemdeling geen informatie geeft op grond waarvan verweerder voldoende aanknopingspunten heeft om de

betrokken vreemdeling bij een bepaalde autoriteit te presenteren, kan verweerder de vreemdeling natuurlijk niet zomaar ergens presenteren.

Dit zou immers de irritatie van deze autoriteit kunnen opwekken en hiermee zou vervolgens de diplomatieke samenwerking kunnen worden gefrustreerd (...).

2.7 De rechtbank begrijpt vorengenoemde mededelingen van verweerder aldus dat in het algemeen geen gelijktijdige presentatie bij de Algerijnse en Marokkaanse autoriteiten plaatsvindt. Dit is alleen anders indien er concrete

aanknopingspunten zijn dat de vreemdeling, naast de mogelijke nationaliteit van het ene land, ook de nationaliteit van het andere land kan hebben. Deze aanknopingspunten kunnen, gezien de mededelingen van verweerder dienaangaande in

de faxberichten van 20 november 2000 en 24 november 2000, blijken uit het dossier, uit mededelingen van tolken of uit mededelingen van de autoriteiten van de betrokken landen.

2.8 In de onderhavige zaak heeft de Algerijnse consul kennelijk voldoende aanknopingspunten gevonden om de aanvraag om afgifte van een laissez-passer ten behoeve van de vreemdeling in behandeling te nemen en een onderzoek op te

starten. Dit onderzoek loopt nog, waarbij verweerder op de gebruikelijke wijze wekelijks rappelleert.

2.9 Hoewel uit de stukken en uit de door verweerder nader gegeven informatie niet blijkt op grond van welke aanwijzingen (mede) tot presentatie bij de Marokkaanse autoriteiten is overgegaan, heeft de consul van dat land

niettemin aanleiding gezien de aanvraag om afgifte van een laissez-passer ten behoeve van de vreemdeling in behandeling te nemen. De voortgang van het door de Marokkaanse autoriteiten te verrichten onderzoek wordt door verweerder

voldoende bewaakt door regelmatig bij die autoriteiten te informeren naar de stand van het onderzoek.

2.10 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het betoog van de gemachtigde van de vreemdeling dat de op de presentaties bij de Algerijnse en Marokkaanse autoriteiten gevolgde onderzoeken niet tot enig resultaat zullen leiden,

niet kan worden gevolgd. Op basis van het voorgaande moet voorts worden geconcludeerd dat verweerder voldoende voortvarendheid betracht bij het onderzoek naar de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling en dat zicht op

uitzetting van de vreemdeling binnen een redelijke termijn (nog) niet is komen te ontbreken. Verweerder moet dan ook in de gelegenheid worden gesteld de resultaten van de door de Algerijnse en Marokkaanse autoriteiten te verrichten

onderzoeken af te wachten. In dit verband is van belang dat de vreemdeling reeds meerdere malen zijn medewerking aan identiteits- en nationaliteitsgehoren heeft geweigerd en de vertraging die als gevolg hiervan mogelijk zal ontstaan

in het onderzoek naar zijn identiteit en nationaliteit voor zijn rekening en risico dient te komen.

2.11 Ook overigens is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring niet in strijd is met de Vreemdelingenwet en evenmin bij

afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid ongerechtvaardigd is te achten.

2.12 Het beroep is derhalve ongegrond.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.C. Greeuw, lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en in het openbaar uitgesproken op 5 december 2000, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Bierling als griffier.

afschrift verzonden op: 13 dec. 2000

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.