Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AB0685

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-12-2000
Datum publicatie
28-01-2002
Zaaknummer
AWB 00/71315
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / handelen verweerder.

De gemachtigde van de vreemdeling stelt dat duidelijke afspraken waren gemaakt met betrekking tot het op de hoogte houden van de ontwikkelingen in het onderzoek van zijn cli├źnt. Op 20 november 2000 heeft de gemachtigde beroep ingesteld nadat hij herhaaldelijk vergeefs had ge├»nformeerd naar de stand van zaken. Verweerder heeft vervolgens op 23 november 2000 aan de gemachtigde medegedeeld dat de vreemdeling inmiddels is uitgezet en verzoekt tevens de gemachtigde zijn beroep in te trekken. De rechtbank is met de gemachtigde van de vreemdeling van oordeel dat het op de weg van verweerder heeft gelegen om de gemachtigde te informeren. Meer in het bijzonder was het de gemachtigde toegezegd. Afgezien van voorbedoelde toezegging is naar het oordeel van de rechtbank verweerder in algemene zin gehouden de gemachtigde van de vreemdeling adequaat te informeren over relevant te achten aangelegenheden. De enkele omstandigheid dat dit niet is geschied (naar de rechtbank zonder meer aannemelijk acht ten gevolge van ziekte van een medewerkster), neemt niet weg dat de eventuele nadelige gevolgen daarvan in beginsel voor verweerder dienen te komen. De rechtbank onderschrijft het standpunt van de gemachtigde van de vreemdeling dat nu aan de gemachtigde niet tijdig mededeling is gedaan van de opheffing van de bewaring en de uitzetting van de vreemdeling, de gemachtigde namens de vreemdeling onnodig een beroepschrift ter opheffing van de bewaring heeft ingediend. Veroordeelt verweerder in de door de andere partij gemaakte proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, enkelvoudig

__________________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht

juncto artikel 34a Vreemdelingenwet

__________________________________________________

Reg.nr : AWB 00/71315 VRWET

Inzake : A, verblijfplaats onbekend, hierna te noemen de vreemdeling,

gemachtigde mr. A.J. van Duijne Strobosch, advocaat te

's-Gravenhage

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. B. Magnin, ambtenaar ten departemente.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. De vreemdeling stelt te zijn geboren op [...] 1969 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.

Op 26 oktober 2000 is de vreemdeling in bewaring gesteld met toepassing van het bepaalde in artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet (Vw).

2. Op 14 november 2000 heeft verweerder de bewaring ambtshalve opgeheven en de vreemdeling uitgezet naar Marokko.

3. Op 20 november 2000 heeft de gemachtigde namens de vreemdeling beroep ingesteld en verzocht om toekenning van een schadevergoeding voor ieder dag dat de bewaring onrechtmatig moet worden geacht..

3. Openbare behandeling van dit beroep heeft plaatsgevonden op

5 december 2000. De vreemdeling is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

1. De rechtbank stelt vast dat de bewaring na indiening van het beroepschrift is opgeheven. Thans dient nog beoordeeld te worden of de inbewaring-stelling van de vreemdeling rechtmatig heeft plaatsgevonden en zo nee, of er

aanleiding is een schadevergoeding op grond van artikel 34j Vw toe te kennen.

2. Tussen partijen is niet langer in geschil dat de bewaring rechtmatig is geweest.

3. De gemachtigde van de vreemdeling acht de wijze van communicatie van de kant van verweerder verwerpelijk. Immers, op 26 oktober 2000 waren er duidelijke afspraken gemaakt met mevrouw M. de Zeeuw met betrekking tot het op de

hoogte houden van de vorderingen/ontwikkelingen in het onderzoek van zijn client. Op 6 november 2000 is er voor het laatst contact geweest met de vreemdelingendienst; presentatie bij de Spaanse autoriteiten zou in voorbereiding

zijn. Op 20 november 2000 heeft de gemachtigde namens zijn client beroep ingesteld, nadat de gemachtigde herhaaldelijk vergeefs had geinformeerd naar de stand van zaken. Op 23 november 2000 is de gemachtigde gebeld door de

vreemdelingendienst met de mededeling dat de heer A inmiddels is uitgezet en met de vraag of het beroep ingetrokken kon worden. De gemachtigde is van mening dat een tijdige mededeling gepast zou zijn, zeker gezien de afspraken die

waren gemaakt, en dat de door gemachtigde gemaakte proceskosten voorkomen had kunnen worden indien verweerder zijn afspraken was nagekomen. De gemachtigde verzoekt derhalve verweerder te veroordelen in de door de andere partij

gemaakte proceskosten.

4. Namens verweerder is aangevoerd dat de afspraken niet waren nagekomen aangezien mevrouw de Zeeuw ziek was geworden en zij haar vervangende collega's niet had ingelicht over de lopende afspraken met mr. van Duijne Strobosch.

Verweerder stelt niet te begrijpen waarom de gemachtigde niet de moeite had genomen nogmaals telefonisch contact op te nemen met de vreemdelingendienst om te informeren naar de gang van zaken in plaats van het direct instellen van

het beroep omtrent deze kwestie. Verweerder is van mening dat dit niet had gehoeven en ziet derhalve geen reden tot veroordeling van de gemaakte proceskosten. Verweerder is voorts van mening dat bij uitzetting van de vreemdeling er

geen verplichting bestaat zijdens verweerder om de gemachtigde van de vreemdeling in te lichten.

5. De rechtbank is met de gemachtigde van de vreemdeling van oordeel dat het op de weg van verweerder heeft gelegen om de gemachtigde te informeren. Meer in het bijzonder was het de gemachtigde toegezegd.

Afgezien van voorbedoelde toezegging is naar het oordeel van de rechtbank verweerder in algemene zin gehouden de gemachtigde van de vreemdeling adequaat te informeren over relevant te achten aangelegenheden. De enkele omstandigheid

dat dit niet is geschied (naar de rechtbank zonder meer aannemelijk acht ten gevolge van ziekte van een medewerkster), neemt niet weg dat de eventuele nadelige gevolgen daarvan in beginsel voor verweerder dienen te komen. De

rechtbank onderschrijft het standpunt van de gemachtigde van de vreemdeling dat nu aan de gemachtigde niet tijdig mededeling is gedaan van de opheffing van de bewaring en de uitzetting van de vreemdeling, de gemachtigde namens de

vreemdeling onnodig een beroepschrift ter opheffing van de bewaring heeft ingediend.

Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank aanleiding om verweerder op voet van het bepaalde bij en krachtens artikel 8:75, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de door de gemachtigde van de vreemdeling

gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op f. 710,- (1 punt voor het beroepschrift; waarde per punt f. 710,- en wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve

van de vreemdeling een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient de betaling van dit bedrag ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Awb te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

III. BESLISSING

De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage:

RECHT DOENDE:

Veroordeelt verweerder in de proceskosten ad f. 710,- onder aanwijzing van de staat der Nederlanden die deze kosten aan de griffier dient te vergoeden.

IV. RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open voorzover het betreft het beroep tegen het bevel tot in bewaringstelling. Voorzover het betreft de beslissing op het verzoek om schadevergoeding staat tegen deze uitspraak

hoger beroep open bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage.

De Officier van Justitie kan binnen veertien dagen na de uitspraak en de vreemdeling binnen een maand na de betekening van de uitspraak hoger beroep instellen door het indienen van een verklaring als bedoeld in de artikelen 449 en

451a Wetboek van Strafvordering bij de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage.

Aldus gedaan door mr. M.C.J.A. Huijgens en uitgesproken in het openbaar op 7 december 2000, in tegenwoordigheid van C.K. Wong, griffier.

afschrift verzonden op: