Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AB0683

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-10-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/10713
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / binnentreden woning.

De rechtbank heeft uit de betreffende processen-verbaal afgeleid dat de opsporingsambtenaren zich voorafgaande aan het binnentreden in een woning niet hebben gelegitimeerd. Evenmin hebben zij de machtiging tot het binnentreden in een woning getoond. Dit werd naar het oordeel van de rechtbank gerechtvaardigd door het feit dat de binnentreding van de opsporingsambtenaren geschiedde ter aanhouding van een persoon die verdacht werd van het plegen van een ernstig strafbaar feit. De rechtbank verwijst hierbij naar de inhoud van artikel 1, tweede lid, Awbi. De rechtbank is voorts gebleken dat, nadat de opsporingsambtenaren hadden aangebeld, de bewoonster van het pand van de bovenetage de voordeur opende. De opsporingsambtenaren zijn vervolgens de trap opgelopen waarna zij met toestemming van de bewoonster de eigenlijke woning zijn binnengetreden. De brigadier die de leiding had over het opsporingsteam, heeft zich hierbij ten overstaan van de bewoonster in het pand gelegitimeerd en het doel van binnentreden meegedeeld. De rechtbank begrijpt dat in het proces-verbaal van binnentreden staat vermeld dat door de bewoonster geen toestemming is gegeven voor het binnentreden in het pand, met het oog op de mogelijkheid dat zij weliswaar niet geprotesteerd heeft tegen de wens van de opsporingsambtenaren om binnen te treden, doch overvallen werd door de situatie, zodat haar nalaten te protesteren niet zonder meer kan worden opgevat als een (positieve) toestemming tot binnentreden van de woning. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Algemene wet op het binnentreden 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, enkelvoudig

__________________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht

juncto artikel 34a Vreemdelingenwet

__________________________________________________

Reg.nr : AWB 00/10713 VRWET

Inzake: A, thans verblijvende in het Huis van Bewaring te Tilburg, hierna te noemen de vreemdeling,

gemachtigde mr. Y. Tamer, advocaat te Den Haag

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. D. Grip, ambtenaar ten departemente.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. De vreemdeling stelt te zijn geboren op [...] 1975 en de Turkse nationaliteit te hebben.

Op 20 september 2000 is de vreemdeling in bewaring gesteld met toepassing van het bepaalde in artikel 26, eerste lid, aanhef en onder c van de Vreemdelingenwet (Vw).

2. Op 21 september 2000 heeft de vreemdeling tegen de vrijheidsontnemende maatregel beroep ingesteld.

3. Openbare behandeling van dit beroep heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2000. De vreemdeling is aldaar verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

4. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en bepaalt dat het vooronderzoek wordt hervat. De rechtbank heeft hierbij verweerder verzocht een aanvullend proces-verbaal in te zenden en heeft de gemachtigde van de

vreemdeling in de gelegenheid gesteld hierop te reageren.

5. Bij telefaxbericht van 13 oktober 2000 heeft verweerder aan het vorenstaande gevolg gegeven.

6. De gemachtigde van de vreemdeling heeft hierop een reactie ingezonden, gedateerd 13 oktober 2000.

II. OVERWEGINGEN

1. Na ontvangst van de gegeven toestemming ex artikel 8:64, vijfde lid, Awb heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

2. Ter beoordeling staat of de toepassing of tenuitvoerlegging van de onder-

havige maatregel tot vrijheidsontneming in strijd is met de Vreemdelingenwet, dan wel bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten.

3. De gemachtigde van de vreemdeling heeft ter zitting een proces-verbaal van binnentreden in een woning, gedateerd 20 september 2000, overgelegd. Hierin staat het volgende vermeld:

- de vijf opsporingsambtenaren zijn zonder toestemming van de persoon die opgaf de bewoner te zijn, de woning aan de [...]kade 933 te B binnengetreden,

- de vijf opsporingsambtenaren hebben zich voorafgaand aan het binnentreden niet gelegitimeerd,

-de in het onderhavige geval afgegeven machtiging van binnentreden van een woning, gedateerd 19 september 2000, is niet getoond aan de bewoner.

Aangezien in het proces-verbaal van aanhouding, gedateerd 20 september 2000, staat vermeld dat de bewoner wèl toestemming heeft gegeven voor het binnentreden van de woning en de opsporingsambtenaren wèl een legitimatiebewijs hebben

getoond, heeft de rechtbank verweerder verzocht door het overleggen van een aanvullend proces-verbaal duidelijkheid omtrent het vorenstaande te verschaffen.

Bij telefaxbericht van 13 oktober 2000 heeft de gemachtigde van verweerder twee aanvullende processen-verbaal ingezonden, te weten het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door brigadier van politie A. van der Plas, gedateerd 5

oktober 2000, en het proces-verbaal, opgemaakt door hoofdagent van politie H.W. Liplijn, gedateerd 6 oktober 2000.

4. De rechtbank overweegt omtrent het vorenstaande het volgende.

Uit alle voornoemde processen-verbaal, in onderlinge samenhang gelezen, heeft de rechtbank afgeleid dat de opsporingsambtenaren zich voorafgaande aan het binnentreden in de woning aan de [...]kade 933 te B, op 20 september 2000,

niet hebben gelegitimeerd. Evenmin hebben de opsporingsambtenaren de machtiging tot het binnentreden in een woning getoond.

Dit werd naar het oordeel van de rechtbank gerechtvaardigd door het feit dat de binnentreding van de opsporingsambtenaren geschiedde ter aanhouding van een persoon die verdacht werd van het plegen van een ernstig strafbaar feit. De

rechtbank verwijst hierbij naar de inhoud van artikel 1, tweede lid, van de Algemene wet op het binnentreden (Awbt).

Uit het meergenoemde proces-verbaal van bevindingen, gedateerd 5 oktober 2000, is de rechtbank voorts gebleken dat op aanbellen van de opsporingsambtenaren de bewoonster van het pand vanaf de bovenetage de voordeur opende. De

opsporingsambtenaren zijn vervolgens de trap opgelopen waarna zij met toestemming van de bewoonster de eigenlijke woning zijn binnengetreden. Brigadier Van der Plas, die de leiding had over het opsporingsteam, heeft zich hierbij ten

overstaan van de bewoonster in het pand gelegitimeerd en het doel van het binnentreden medegedeeld.

5. De rechtbank begrijpt dat in het proces-verbaal van binnentreden staat vermeld dat door de bewoonster geen toestemming is gegeven voor het binnentreden in het pand, met het oog op de mogelijkheid dat zij weliswaar niet

geprotesteerd heeft tegen de wens van de opsporingsambtenaren om binnen te treden, doch overvallen werd door de situatie, zodat haar nalaten te protesteren niet zonder meer kan worden opgevat als een (positieve) toestemming tot

binnentreden van de woning.

6. Op grond van het vorenstaande heeft de rechtbank voldoende inzicht verkregen in de gang van zaken met betrekking tot het binnentreden van de opsporingsambtenaren op 20 september 2000, in het pand aan de [...]kade 933 te B. De

rechtbank is van oordeel dat de beschreven gang van zaken niet onrechtmatig is geweest.

7. Voorts heeft de gemachtigde van de vreemdeling ter zitting naar voren gebracht dat in de woning een paspoort van de vreemdeling aanwezig was zodat de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling reeds bekend waren vòòr zijn

staandehouding en zodoende de staandehouding alsmede de inbewaringstelling om die reden onrechtmatig zijn.

8. Aangezien de rechtbank in de veronderstelling was dat het paspoort van de vreemdeling door een familielid van de vreemdeling op het politiebureau was afgegeven, heeft de rechtbank verweerder verzocht aan te geven of het paspoort

van de vreemdeling daadwerkelijk reeds bij zijn aanhouding in de woning boven water kwam.

9. De rechtbank overweegt omtrent het vorenstaande het volgende.

Uit het aanvullend proces-verbaal van bevindingen, op 5 oktober 2000 opgemaakt door A. van der Plas, blijkt dat het paspoort niet vòòr de aanhouding van de vreemdeling door de bewoonster van het pand aan de brigadier van Van der

Plas was overhandigd, doch pas nadat de vreemdeling al was overgebracht naar het bureau van politie aan de Heemstraat te B.

Het feit dat het paspoort niet werd aangetroffen vòòr de aanhouding van de vreemdeling vormde voor de opsporingsambtenaren mede aanleiding de vreemdeling over te brengen naar het bureau van politie. De grief van de gemachtigde van

de vreemdeling hieromtrent treft naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen doel.

10. De rechtbank is van oordeel dat de inbewaringstelling van de vreemdeling, die een aanvraag om toelating heeft ingediend, op een juiste grondslag berust. Uit de stukken is immers gebleken dat de vreemdeling niet beschikt over een

geldige titel tot verblijf, niet in het bezit is van een geldig identiteitsbewijs, zich aan het vreemdelingentoezicht heeft onttrokken en niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. Gelet hierop bestaat ten aanzien van hem

het ernstige vermoeden dat hij zich aan uitzetting zal onttrekken.

11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend te werk gaat. Weliswaar heeft presentatie van de vreemdeling bij de autoriteiten van zijn land van herkomst nog niet plaatsgevonden, doch dit vindt zijn oorzaak in

het feit dat verweerder nog niet op de asielaanvraag heeft beslist. Er is geen grond om aan te nemen dat presentatie na een mogelijk afwijzende beslissing op die aanvraag geen positief resultaat zal hebben en dat na die presentatie

geen zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn zou bestaan. Overigens wijst de rechtbank er nog op dat verweerder is gehouden te beslissen binnen de in artikel 26, derde lid, Vw genoemde termijn.

12. Niet is gebleken dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de bewaring ten aanzien van de vreemdeling in strijd is met de Vreemdelingenwet dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid

ongerechtvaardigd is te achten.

13. Het beroep is derhalve ongegrond. De bewaring wordt niet opgeheven. Er bestaat derhalve geen grond voor het toekennen van schadevergoeding, zodat het verzoek daartoe wordt afgewezen.

14. Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

III. BESLISSING

De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage:

RECHT DOENDE:

1. Verklaart het beroep ongegrond;

2. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

IV. RECHTSMIDDEL

Voorzover het betreft de beslissing op het verzoek om schadevergoeding staat tegen deze uitspraak hoger beroep open bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. De Officier van Justitie kan binnen veertien dagen na de uitspraak en de

vreemdeling binnen een maand na de betekening van de uitspraak hoger beroep instellen door het indienen van een verklaring als bedoeld in de artikelen 449 en 451a Wetboek van Strafvordering bij de Arrondissementsrechtbank te

's-Gravenhage.

Aldus gedaan door mr. M.C.R. Derkx en uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2000, in tegenwoordigheid van S.J.W. Stort, griffier.

Afschrift verzonden op: 8 november 2000