Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AB0668

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-12-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/74685
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / concrete aanwijzingen.

De vier inzittenden van een auto zouden volgens een melding veel belangstelling tonen voor bepaalde woningen. Dit is voor de verbalisanten aanleiding geweest direct te rijden in de richting waar een personenauto stond geparkeerd. De verbalisanten hebben de inzittenden, waaronder de vreemdeling, om hun legitimatie gevraagd. De verbalisant zag dat een van de mannen nadat hij was uitgestapt een schroevendraaier onder de stoel trapte. Voorts is gezien dat er achter de bestuurdersstoel bankbiljetten van f. 25,-- en van

f. 10,-- op de grond lagen. De mannen zijn daarna aangehouden op verdenking van artikel 311.4 c.q. artikel 416.1 Wetboek van Strafrecht. Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat onterecht is geoordeeld dat er op het moment van de aanhouding sprake was van een redelijk vermoeden van schuld. De rechtbank ziet daarom aanleiding te oordelen dat in dit geval de daarop volgende staandehouding van de vreemdeling ingevolge artikel 19, eerste lid, Vw, niet rechtmatig is geschied. Beroep gegrond, toekenning schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, enkelvoudig

__________________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht

juncto artikel 34a Vreemdelingenwet

__________________________________________________

Reg.nr : AWB 00/74685 VRWET

Inzake : A, thans verblijvende in het Huis van Bewaring te Tilburg, hierna te noemen de vreemdeling,

gemachtigde mr. P. de Boom, advocaat te Barendrecht,

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. M.W.W. Raspe, ambtenaar ten departemente.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. De vreemdeling stelt te zijn geboren op [...] 1981 en de Slowaakse nationaliteit te hebben. Op 10 december 2000 is de vreemdeling op verdenking van overtreding van artikel 311.1.4 cq 416.1 van het Wetboek van Strafrecht

aangehouden. In aansluiting op de inverzekeringstelling is de vreemdeling op 12 december 2000 in bewaring gesteld met toepassing van het bepaalde in artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet (Vw).

2. Op 13 december 2000 heeft de vreemdeling tegen de vrijheidsontnemende maatregel beroep ingesteld en tevens verzocht om schadevergoeding.

3. Openbare behandeling van dit beroep heeft plaatsgevonden op

21 december 2000. De vreemdeling is verschenen bij mr. M. Bouman, kantoorgenoot van mr. P. Boom. De vreemdeling is ondanks de transportorder niet in persoon verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn

gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

1. Ter beoordeling staat of de toepassing of tenuitvoerlegging van de onderhavige maatregel tot vrijheidsontneming in strijd is met de Vreemdelingenwet, dan wel bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet

gerechtvaardigd is te achten.

2. De gemachtigde van de vreemdeling heeft ter zitting aangevoerd dat de aanhouding onrechtmatig was. De officier van justitie is tot dezelfde conclusie gekomen. Tevens stelt de gemachtigde dat de vreemdeling niet is gewezen op zijn

recht op rechtsbijstand.

3. De rechtbank overweegt als volgt.

Uit het proces het proces-verbaal van aanhouding van 10 december 2000 blijkt dat er melding is geweest dat er op de van Swensenlaan in Rotterdam een personenauto waar vier mannen, van vermoedelijke Marokkaanse afkomst zouden rijden

en die erg veel belangstelling zouden tonen voor de woningen gelegen in de Swensenlaan. Dit is voor de verbalisanten aanleiding geweest om naar de van Swensenlaan te gaan en direkt te rijden in de richting waar een personenauto

stond geparkeerd. De verbalisanten hebben de inzittenden, waaronder de vreemdeling, om hun legitimatie gevraagd. De verbalisant zag dat ‚‚n van de mannen nadat hij was uitgestapt een schroevendraaier onder een stoel trapte.Voorts

is gezien dat er achter de bestuurdersstoel op de grond bankbiljetten van f. 25,-- en van een f. 10.-op de grond lagen. De mannen zijn daarna aangehouden op verdenking van artikel 311.4 cq artikel 416.1 van het Wetboek van

Strafrecht. Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat onterecht is geoordeeld dat er op het moment van de aanhouding sprake was van een redelijk vermoeden van schuld. De rechtbank ziet daarom aanleiding te oordelen

dat in dit geval de daarop volgende staandehouding van de vreemdeling ingevolge artikel 19, lid 1 Vw, niet rechtmatig is geschied.

4. Derhalve wordt het beroep reeds hierom gegrond verklaard en dient de bewaring te worden opgeheven met ingang van 22 december 2000. Hetgeen overigens namens de vreemdeling is aangevoerd kan buiten beschouwing worden gelaten.

5. Voorts acht de rechtbank voldoende gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige bewaring (acht dagen verblijf in een politiecel en twee dagen verblijf in een Huis van Bewaring) ten bedrage

van 8 x f 200,- = f 1600,- en 2 x f 150,- = f 300,-.

6. De rechtbank ziet in dit geval tevens aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de door de vreemdeling gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op voet

van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op f 1420,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt f 710,- en wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van de

vreemdeling een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient de betaling van dit bedrag ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Awb te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

III. BESLISSING

De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage:

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. wijst het verzoek om schadevergoeding toe en kent aan de vreemdeling een schadevergoeding toe, groot f 1.900,-- ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de rechtbank;

3. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad f 1420,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden die deze kosten aan de griffier dient te vergoeden.

IV. RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open voorzover het betreft het beroep tegen het bevel tot in bewaringstelling. Voorzover het betreft de beslissing op het verzoek om schadevergoeding staat tegen deze uitspraak

staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. De Officier van Justitie kan binnen veertien dagen na de uitspraak en de vreemdeling binnen een maand na de betekening van de uitspraak hoger beroep instellen door het

indienen van een verklaring als bedoeld in de artikelen 449 en 451a Wetboek van Strafvordering bij de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage.

Aldus gedaan door mr. G.P. Kleijn en uitgesproken in het openbaar op 22 december 2000, in tegenwoordigheid van J.A. de Kievit-Tempels, griffier.

afschrift verzonden op: 12 januari 2001