Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AB0665

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-12-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/75154 VRONTO
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / inverzekeringstelling / schadevergoeding.

Eiser is in verband met vermoedelijke overtreding van artikel 197 Wetboek van Strafrecht in verzekering gesteld. Ingevolge artikel 67 van het Wetboek van Strafvordering is inverzekeringstelling slechts toegelaten indien geen vaste woon-of verblijfplaats van de verdachte kan worden vastgesteld. Naar aanleiding van het onderzoek ter zitting is gebleken dat eiser over zodanige woon- of verblijfplaats beschikt. In verband hiermee moet de inverzekeringstelling als onrechtmatig worden aangemerkt zodat ook de daarop aansluitende maatregel van bewaring als zodanig moet worden beoordeeld.

Beroep gegrond, opheffing bewaring, toekenning schadevergoeding.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 57, geldigheid: 2000-12-29
Wetboek van Strafvordering 58, geldigheid: 2000-12-29
Wetboek van Strafvordering 67, geldigheid: 2000-12-29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

enkelvoudige kamer

Uitspraak

op grond van artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 34a Vreemdelingenwet (Vw)

reg. nr.: AWB 00/75154 VRONTO

inzake : A, van Surinaamse nationaliteit, verblijvende in het

Justitieel Complex Koning Willem II te Tilburg, eiser,

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij bevel tot bewaring van 17 december 2000 is eiser op grond van artikel 26, eerste lid onder a van de Vw in bewaring gesteld. Verweerder heeft op 17 december 2000 schriftelijk een last tot uitzetting van eiser gegeven.

Bij beroepschrift van 18 december 2000 heeft mr. E.M. Hoorenman, advocaat te Amsterdam, namens eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot bewaring. Daarbij is opheffing van de maatregel tot bewaring gevorderd

alsmede toekenning van schadevergoeding.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 28 december 2000. Eiser is aldaar verschenen, bijgestaan door mr. Hoorenman, voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door gemachtigde mr. C.A.E. Wijnker, werkzaam bij

de Immigratie- en Naturalisatiedienst van verweerders ministerie.

II. OVERWEGINGEN

Eiser heeft het volgende - zakelijk weergegeven - aangevoerd. De bewaring is van meet af aan onrechtmatig. Eiser is op 16 december 2000 strafrechtelijk aangehouden omdat hij werd herkend als ongewenst verklaard vreemdeling. Eiser is

vervolgens ten onrechte in verzekering gesteld, aangezien er geen sprake was van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan en eiser een vast woonadres heeft. Nu de inverzekeringstelling onrechtmatig is, is de

daaropvolgende inbewaringstelling ook onrechtmatig.

Verweerder heeft het volgende - zakelijk weergegeven - aangevoerd. Aan alle formele en materiële vereisten van inbewaringstelling is voldaan. Voor zover er sprake is van een fout in het strafrechtelijk voortraject maakt dat de

bewaring niet onrechtmatig.

Desgevraagd heeft eiser meegedeeld dat hij een vast adres heeft op de [...]straat 1219 te B, op welk adres hij al twaalf jaar staat ingeschreven.

De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld om na te gaan of eiser staat ingeschreven op bovengenoemd adres en om de rechtbank en eiser uiterlijk één dag na de zitting van eventuele bevindingen op de hoogte te brengen.

Bij faxbericht van 29 december 2000 heeft verweerder een telefoonnotitie en een uitdraai uit de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) overgelegd, waaruit blijkt dat eiser sinds 1 juli 1994 in de GBA staat ingeschreven op het adres

“[...]laan 1219, [postcode] B” en dat eiser zich op

30 januari 1989 in Nederland heeft gevestigd.

De rechtbank overweegt het volgende.

Met inachtneming van de marginale toets die de rechtbank bij de beoordeling van het strafrechtelijk voortraject hanteert, kan de rechtbank niet tot een ander oordeel komen dan dat er sprake is van een onrechtmatigheid in het

strafrechtelijk voortraject. Daartoe is het volgende redengevend.

Ingevolge de artikelen 57 en 58 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan een verdachte in verzekering worden gesteld in geval van een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. In artikel 67 Sv staat omschreven

in welke gevallen voorlopige hechtenis is toegestaan. De rechtbank constateert dat er in het geval van eiser geen sprake was van verdenking van een misdrijf als genoemd in artikel 67, eerste lid, Sv. Voorts is er geen sprake van een

geval als omschreven in artikel 67, tweede lid, Sv, nu eiser beschikt over een vaste woonplaats, namelijk op de [...]laan 1219 te B. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de na de strafrechtelijke aanhouding

opgelegde maatregel van inverzekeringstelling niet voldoet aan het bepaalde in artikel 57 en 58 jo. 67 Sv en derhalve onrechtmatig moet worden geacht.

Hieruit volgt dat de op het strafrechtelijk voortraject volgende maatregel van bewaring eveneens als onrechtmatig moet worden aangemerkt.

Derhalve wordt het beroep gegrond verklaard en wordt de opheffing van de bewaring bevolen, ingaande 29 december 2000.

De rechtbank ziet in het vorenstaande aanleiding eiser ten laste van de Staat der Nederlanden een vergoeding als bedoeld in artikel 34j Vw toe te kennen en wel tot een bedrag van ƒ 200,- per dag dat eiser op een politiebureau ten

onrechte aan de vrijheidsontnemende maatregel onderworpen is geweest en ƒ 150,- per dag dat eiser in het Huis van Bewaring ten onrechte aan de vrijheidsontnemende maatregel onderworpen is geweest, derhalve in totaal ƒ 2300,-.

Gelet op het vorengaande is er voorts aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten van eiser in verband met de behandeling van het beroep, welke zijn begroot op ƒ 1.420,- als kosten van

verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING:

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt dat de bewaring ingaande 29 december 2000 wordt opgeheven;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot vergoeding van de schade, groot

ƒ 2300,- (drieëntwintighonderd gulden), te betalen door de griffier van de rechtbank aan eiser;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag groot

ƒ 1.420,- (veertienhonderd en twintig gulden), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier van deze rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Salomon, rechter, en door deze in het openbaar uitgesproken op 29 december 2000, in tegenwoordigheid van mr. K.J. Kerdel, griffier.

Afschrift verzonden op: 12 februari 2001

Conc.:KK

Coll:

Bp:-

D:B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof te 's-Gravenhage, voorzover het betreft het al dan niet toekennen van schadevergoeding of de hoogte daarvan. De Officier van Justitie kan binnen veertien dagen na de

uitspraak en de vreemdeling binnen een maand na de betekening van de uitspraak hoger beroep instellen door het afleggen van een daartoe strekkende verklaring bij de griffie van deze rechtbank.