Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AB0653

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-12-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/64345
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Dublinclaim / Verenigd Koninkrijk / artikel 3 EVRM.

De president stelt vast dat verweerder, hoewel deze ten tijde van de beslissing bekend met de uitspraak van het EHRM van 7 maart 2000, geen onderzoek heeft verricht ter beantwoording van de vraag of het Verenigd Koninkrijk bij overdracht van verzoekers voldoende bescherming zal bieden. Ook de door verweerder, naar aanleiding van de de president gestelde vragen, verstrekte informatie is in het licht van de genoemde uitspraak van het EHRM ontoereikend te achten, nu uit die - niet met concrete gegevens onderbouwde - informatie niet op te maken is dat het Verenigd Koninkrijk "effective procedural safeguards of any kind" biedt tegen uitzetting van verzoekers naar Slowakije in strijd met artikel 3 EVRM. Klaarheid hieromtrent klemt temeer, nu uit de stukken niet duidelijk wordt wat de positie van verzoekers is bij terugkeer in het Verenigd Koninkrijk, in aanmerking genomen dat hun asielaanvraag aldaar - kennelijk - wel reeds in behandeling is genomen, doch zij in afwachting van een (definitieve) beslissing daarop het land hebben verlaten. Toewijzing verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2001/S78 met annotatie van Red

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Haarlem

fungerend president

U I T S P R A A K

artikel 8:81 Algemene Wet Bestuursrecht (Awb)

artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr: AWB 00/64345 VRWET H en AWB 00/64348 VRWET H (voorlopige voorzieningen)

inzake: 1. A, geboren op [...] 1969, verzoeker,

2. B en minderjarige kinderen, geboren op [...] 1975, verzoekster

beiden van Slowaakse nationaliteit

gemachtigde: mr. E.J.M. Klip, advocaat te Lekkerkerk,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. M.B. Langius, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te 's-Gravenhage.

1. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1.1 Op 29 januari 2000 zijn verzoekers vanuit Slowakije naar Nederland gereisd. Op 30 januari 2000 hebben verzoekers aanvragen ingediend om toelating als vluchteling.

1.2 Op 17 maart 2000 is met betrekking tot verzoekers in het kader van de Overeenkomst van Dublin (OvD) een claim op het Verenigd Koninkrijk gelegd op grond van artikel 8 OvD. In het kader hiervan zijn verzoekers op 7 april 2000

gehoord. De schriftelijke correcties en aanvulling op het rapport van gehoor zijn bij de beoordeling van de aanvraag in aanmerking genomen, ondanks dat voornoemde reactie buiten de wettelijke termijn is ingediend.

1.3 Bij bericht van 20 maart 2000 hebben de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk aan verweerder bericht dat zij verzoekers willen overnemen en dat de asielaanvragen in behandeling worden genomen.

1.4 Bij beslissing van 10 mei 2000, aan verzoekers uitgereikt op respectievelijk 15 juni en 29 juni 2000, heeft verweerder de door verzoekers ingediende aanvragen om toelating als vluchteling niet-ontvankelijk verklaard.

1.5 Bij bezwaarschrift van 24 mei 2000 hebben verzoekers tegen dit besluit bezwaar ingesteld. Verweerder heeft bepaald dat uitzetting gedurende de periode dat het bezwaar aanhangig is, niet achterwege zal blijven.

1.6 Bij verzoekschrift van 24 mei 2000 hebben verzoekers de president van de rechtbank verzocht bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat verweerder uitzetting achterwege dient te laten totdat de behandeling van het

bezwaarschrift c.q. beroepschrift is voltooid.

1.7 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 20 oktober 2000. Ter zitting hebben verzoekers en verweerder bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet.

1.8 Bij brief van 26 oktober 2000 heeft de president het onderzoek heropend om verweerder nadere vragen te stellen naar aanleiding van de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 7 maart 2000 (JV

2000/103). Na ontvangst van de reacties van beide partijen heeft de president het onderzoek gesloten.

2. OVERWEGINGEN

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan -onder meer- indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een

voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Ingevolge artikel 32, aanhef en eerste lid, onder a, Vw blijft uitzetting hangende bezwaar achterwege, tenzij er in redelijkheid geen twijfel over kan bestaan dat geen gevaar bestaat voor vervolging als omschreven in artikel

15, eerste lid, Vw danwel, voor zover de voorgenomen uitzetting samenhangt met de weigering om verzoekers een vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard te verlenen, het bezwaar een redelijke kans

van slagen heeft.

2.3 Ingevolge het bepaalde in artikel 15b, eerste lid, sub a, Vw wordt een aanvraag om toelating als vluchteling niet ingewilligd wegens de niet-ontvankelijkheid ervan indien een ander land, Partij bij het Verdrag van Genève

betreffende de status van vluchtelingen (Trb. 1966,197) ingevolge een verdrag of een dit land en Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag, tenzij deze

berust op relevante feiten die bij de beslissing door de autoriteiten van dat land geen rol hebben kunnen spelen.

2.4 De onderhavige bestreden beslissing strekt tot niet-inwilliging van de aanvraag om toelating als vluchteling wegens niet-ontvankelijkheid, nu het Verenigd Koninkrijk op grond van de bepalingen van de OvD verantwoordelijk is

voor de behandeling van het asielverzoek van verzoekers, omdat ten aanzien van verzoekers een procedure om toelating als vluchteling in het Verenigd Koninkrijk aanhangig is.

2.5 Verzoekers hebben zich op het standpunt gesteld dat ten onrechte tot niet-ontvankelijkheid van de asielaanvraag is besloten. Ten onrechte gaat verweerder ervan uit dat verzoekers een genoegzame bescherming zouden genieten in

het Verenigd Koninkrijk. Hiertoe stellen verzoekers dat het Verenigd Koninkrijk een heel ander beleid voert ten aanzien van de Slowaakse zigeuners als Nederland. Overigens hebben verzoekers hun rechten verspeeld in het Verenigd

Koninkrijk omdat verzoekers zich in verband met een noodsituatie naar Slowakije hebben begeven. De tijdelijke vergunning is derhalve niet meer geldig. In het licht van de uitspraak van het EHRM van 7 maart 2000 heeft verweerder dan

ook ten onrechte nagelaten te onderzoeken of verzoekers als gevolg van de overdrachtsbeslissing zullen worden blootgesteld aan een behandeling die strijd oplevert met artikel 3 EVRM.

2.6 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het Verenigd Koninkrijk mede-ondertekenaar van het Vluchtelingenverdrag is en er derhalve van kan worden uitgegaan op grond van het interstatelijke vertrouwensbeginel dat

een correcte vluchtelingrechtelijke toets zal plaatsvinden. Voorts zijn er geen aanwijzingen dat het Verenigd Koninkrijk de uit het EVRM en andere verdragen voortvloeiende verplichtingen niet te goeder trouw nakomt.

De president overweegt als volgt.

2.7 Niet in geschil is dat verzoekers op 2 september 1998 een asielaanvraag in het Verenigd Koninkrijk hebben ingediend, zodat dit land op grond van de bepalingen van de Ovd - in beginsel - verantwoordelijk is voor de

behandeling van het asielverzoek.

2.8 Ter zitting hebben verzoekers te kennen gegeven in te zien dat verweerder, hoewel verzoekers allen gezondheidsklachten hebben en er een broer van verzoekster in Nederland woont, niet gehouden is op grond van die

sociaal-medische omstandigheden het verzoek om toelating aan zich te trekken, omdat artikel 3 lid 4 OvD, noch het terzake door verweerder gevoerde beleid daartoe dwingt.

2.9 Met betrekking tot de stelling van verzoekers dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten te onderzoeken of met de overdracht van verzoekers aan het Verenigd Koninkrijk een juiste toepassing van artikel 3 EVRM gewaarborgd is

wordt het volgende overwogen.

2.10 Bij brief van 26 oktober 2000 heeft de president verweerder de volgende vragen gesteld.

1a. Kunt u aangeven of, en zo ja in hoeverre, het in de rechtspraak van het Verenigd Koninkrijk gehanteerde criterium voor de beantwoording van de vraag of in een concreet geval van (voorgenomen) uitzetting van een vreemdeling

sprake kan zijn van een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM, afwijkt van het in de Nederlandse rechtspraak gehanteerde criterium, zoals geformuleerd in de zaken Soering en Vilvarajah.

1b. Maakt het bij de toetsing door de rechter van het Verenigd Koninkrijk aan artikel 3 EVRM nog uit om welke categorie asielzoekers het gaat (bijvoorbeeld asielzoekers die afkomstig zijn uit een gebied waarin sprake is van het

ontbreken van centraal overheidsgezag maar wel sprake is van een de facto overheid).

2a. Is u bekend of zaken betreffende een (vermeende) schending door een rechter in het Verenigd Koninkrijk van artikel 3 EVRM zijn voorgelegd aan het EHRM danwel de Europese Commissie voor de rechten van de mens (ECRM).

2b. Indien de vorige vraag bevestigend moet worden beantwoord, kunt u dan ook aangeven wat de stand van zaken of uitkomst is in die zaken.

2.11 Verweerder heeft op deze vragen gereageerd bij brief van 10 november 2000. Daarin is vooropgesteld dat het Verenigd Koninkrijk partij is bij het Vluchtelingenverdrag, het EVRM en het AFV en, gelet op het interstatelijk

vertrouwensbeginsel verondersteld mag worden dat de bij deze verdragen aangesloten staten deze verdragen in acht nemen en een vreemdeling niet naar een land zullen zenden waar hij gegronde reden heeft om te vrezen voor vervolging

danwel aan een door artikel 3 EVRM of artikel 3 AFV verboden behandeling onderworpen te worden. Vervolgens is door verweerder, samengevat, aangegeven dat uit informatie van de zijde van de UK Immigration Service blijkt dat artikel 3

EVRM in het Verenigd Koninkrijk - evenals in Nederland - wordt getoetst aan het criterium zoals geformuleerd door het EHRM. Verder is aangegeven dat uit informatie van de zijde van de UK Immigration Service blijkt dat in het

Verenigd Koninkrijk ook aan artikel 3 EVRM wordt getoetst indien in een land centraal overheidsgezag ontbreekt en aldaar slechts sprake is van een de facto overheid. Gelet op het bovenstaande komt verweerder tot de conclusie dat in

de asielprocedure van het Verenigd Koninkrijk alle asielzoekers bescherming kunnen verkrijgen tegen folteringen of onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. De toetsing die in het Verenigd Koninkrijk in dit kader

wordt aangelegd is overeenkomstig de Nederlandse toetsing van een eventuele beschermingsnoodzaak onder artikel 3 EVRM. Hierbij is bovendien van belang dat naast de bovengenoemde bescherming op nationaal niveau eveneens de

mogelijkheid bestaat tot het indienen van een klacht bij het EHRM. Tenslotte wordt vermeld dat zaken betreffende schending door een rechter van het Verenigd Koninkrijk van artikel 3 EVRM die bij het EHRM danwel ECRM zijn voorgelegd

verweerder, behoudens de zaak Vilvarajah en de zaak die geresulteerd heeft in de uitspraak van 7 maart 2000, niet bekend zijn.

2.12 Het EHRM heeft in de uitspraak van 7 maart 2000 onder meer overwogen:

"...The Court finds that the indirect removal in this case to an intermediary country, which is also a Contracting State, does not affect the responsibility of the United Kingdom to ensure that

the applicant is not, as a result of its decision to expel, exposed to treatment contrary to Article 3 of the Convention. Nor can the United Kingdom rely automatically in that context on the arrangements made in the Dublin

Convention concerning the attribution of responsibility between European countries for deciding asylum claims. Where States establish international organisations, or mutatis mutandis international agreements, to pursue co-operation

in certain fields of activities, there may be implications for the protection of fundamental rights.

(...)

It would be incompatible with the purpose and object of the Convention if Contracting States were thereby absolved from their responsibility under the Convention in relation to the field of activity covered by such attribution.

(...)

The court's primary concern is whether there are effective procedural safeguards of any kind protecting the applicant from being removed from Germany to Sri Lanka.".

2.13 Zoals de president van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle, in zijn uitspraak van 16 augustus 2000 (AWB 00/3678 en 00/5567 VRWET Z VS) reeds heeft overwogen, vloeit uit deze overwegingen voort dat de overdragende

Staat zich er altijd van moet vergewissen dat een vreemdeling niet als gevolg van het besluit hem over te dragen aan een derde land op grond van artikel 15b, eerste lid, sub a, Vw wordt blootgesteld aan een behandeling in strijd met

het bepaalde in artikel 3 EVRM. Daarbij is op zichzelf niet van belang of de vreemdeling in het betreffend land reeds is uitgeprocedeerd of niet. De zelfstandige toets kan derhalve niet achterwege blijven in het geval er sprake is

van een eerste asielaanvraag waarop nog niet onherroepelijk is beslist. In een situatie dat de asielaanvraag van de vreemdeling in het betreffende land nog in het geheel niet is onderzocht, zal die toetsing met name betrekking

moeten hebben op de procedurele waarborgen voor toepassing van artikel 3 EVRM bij de beoordeling van verzoekers verzoek om toelating. Voorts kan van belang zijn het antwoord op de vraag of het betreffende land op grond van artikel 3

EVRM een minder vergaande bescherming biedt dan blijkens de uitleg van dat artikel door het EHRM ten minste moet worden gegeven. Hoe ver een dergelijke toetsing overigens moet gaan zal uiteraard verder afhangen van hetgeen bekend is

over de concrete casus en de - onderbouwing van de - stellingname van de vreemdeling ter zake.

2.14 De president stelt vast dat verweerder, hoewel ten tijde van de beslissing bekend met voornoemde uitspraak van het EHRM van 7 maart 2000, geen onderzoek heeft verricht ter beantwoording van de vraag of het Verenigd

Koninkrijk, bij overdracht van verzoekers aan dat land, voldoende bescherming zal bieden indien verwijdering naar Slowakije tot schending van artikel 3 EVRM zal leiden. Ook de door verweerder, naar aanleiding van de door de

president gestelde vragen, verstrekte informatie is in het licht van de hiervoor genoemde uitspraak van het EHRM ontoereikend te achten, nu uit die - niet met concrete gegevens onderbouwde - informatie niet op te maken is dat het

Verenigd Koninkrijk "effective procedural safeguards of any kind" biedt tegen uitzetting van verzoekers naar Slowakije in strijd met artikel 3 EVRM. Klaarheid hieromtrent klemt temeer, nu uit de stukken niet duidelijk wordt welke de

positie van verzoekers is bij terugkeer in het Verenigd Koninkrijk, in aanmerking genomen dat hun asielaanvraag aldaar - kennelijk - wel reeds in behandeling is genomen, doch zij in afwachting van een (definitieve) beslissing daarop

het land hebben verlaten.

2.15 Gelet op het vorenstaande staat onvoldoende vast dat de uitzetting van verzoekers niet zal leiden tot (indirecte) schending van artikel 3 EVRM.

2.16 De thans bestreden beschikking kan derhalve wegens gebrek aan zorgvuldige voorbereiding niet in stand blijven. Verweerder zal alsnog bovenbedoeld onderzoek dienen te verrichten. Bij de dan te verrichten heroverweging zal

verweerder opnieuw moeten betrekken de vraag of alle omstandigheden van het geval in casu niet alsnog nopen tot het aan zich trekken van verzoekers aanvraag om toelating hier te lande.

2.17 De fungerend president acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 33b Vw.

2.18 In dit geval ziet de president aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door verzoekers gemaakte proceskosten, zulks met inachtneming van het Besluit proceskosten

bestuursrecht. De kosten zijn op voet van het bepaalde in bovengenoemd Besluit vastgesteld op ƒ 1.420,-- (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

2.19 De president ziet tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:82, vierde lid, Awb te bepalen dat verweerder aan verzoekers het voor het verzoek om voorlopige voorzieningen betaalde griffierecht ad ƒ 50,-- zal

vergoeden.

3. BESLISSING

De fungerend president:

3.1 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

3.2 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad ƒ 1.420,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, moet voldoen;

3.3 wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door verzoeker betaalde griffierecht ad ƒ 50,--.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.C. Greeuw, fungerend president, en uitgesproken in het openbaar op 1 december 2000, in tegenwoordigheid van mr. M. Valk als griffier.

afschrift verzonden: 14 december 2000

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.