Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AB0596

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-12-2000
Datum publicatie
19-11-2001
Zaaknummer
AWB 99/12344 ABW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres niet hoofdelijk aansprakelijk nu zij over betreffende periode geen recht op bijstand had.

Terugvordering bijstand over de periode 18 oktober 1993 t/m 31 januari 1998 ad fl. 80.331,41 aangezien eiser diens inkomsten en die van eiseres niet heeft gemeld en hiermee niet heeft voldaan aan de inlichtingenplicht ex art. 30.2 ABW en 65.1 Abw.

De rechtbank is van mening dat eiseres niet hoofdelijk aansprakelijk gesteld kan worden voor het deel van de vordering van ten onrechte verleende bijstand over de periode 18 oktober 1993 t/m 13 oktober 1997 aangezien de artt. 59a ABW en 84 Abw op haar niet van toepassing zijn.

De rechtbank heeft daarbij overwogen dat eiseres gedurende deze periode geen recht op bijstand had. De terugvorderingsgrondslag van de artt. 59a ABW en 84 Abw werden ingevoerd vanuit de overweging dat het als onredelijk werd ervaren dat een verzwegen partner de terugvorderingsdans ontspringt, terwijl hij wel heeft meegeprofiteerd van de ten onrechte verstrekte bijstand (Wet van 15 april 1992, Stb. 193). In casu kan niet gesteld worden dat eiseres gedurende laatstgenoemde periode van de bijstand heeft meegeprofiteerd. De rechtbank is uit de totstandkomingsgeschiedenis evenwel niet gebleken, dat de bepalingen van genoemde artikelen zo uitgelegd dienen te worden dat zij mede betrekking hebben op onderhavige geval. Voor een dergelijke extensieve uitleg ziet de rechtbank geen ruimte en concludeert zij dat de Abw niet voorziet in een terugvordering op eiseres gedurende de periode dat zij geen recht op bijstand had.

Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente 's-Gravenhage, verweerster.

mr. T.M.A. Claessens

Wetsverwijzingen
Algemene bijstandswet 59a, geldigheid: 2000-12-08
Algemene bijstandswet 84, geldigheid: 2000-12-08
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JABW 2001, 33

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

sector bestuursrecht

eerste kamer, enkelvoudig

Reg. nr. AWB 99/12344 ABW

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

de heer A, verder te noemen eiser en mevrouw B, verder te noemen eiseres, beiden wonende te C,

en

de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente 's-Gravenhage, verder te noemen verweerster.

Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 16 oktober 1998 heeft verweerster het recht op bijstand over de periode van 18 oktober 1993 tot en met 31 januari 1998 op grond van artikel 69 lid 3 Algemene bijstandswet (Abw) herzien. De als gevolg van de herziening teveel betaalde bijstand ad ƒ 80.331,41 heeft verweerster op grond van artikel 81 Abw teruggevorderd.

Bij brief van 30 oktober 1998 en nader aangevuld bij brief van 24 december 1998 hebben eiser en eiseres bezwaar gemaakt tegen het besluit van 16 oktober 1998.

Bij besluit van 5 november 1999 verzonden op 23 november 1999, heeft verweerster de bezwaren van eisers en eiseres gericht tegen het besluit van 16 oktober 1998, ongegrond verklaard onder wijziging van de wettelijke grondslagen van het besluit.

Tegen dit besluit hebben eiser en eiseres bij brief van 30 december 1999, en van gronden voorzien bij brief van 21 maart 2000, beroep ingesteld.

Het beroep is op 23 november 2000 ter zitting behandeld.

Eisers is in persoon verschenen bijgestaan door zijn advocaat mevrouw mr. M.J. Zennipman.

Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door de heer G.R.L. Berkes.

Motivering

De rechtbank staat voor de vraag of verweerster op goede gronden, zoals deze gewijzigd zijn in het besluit op bezwaar van 5 november 1999, is overgegaan tot terugvordering van ƒ 80.331,41 aan verleende bijstand op zowel eiser als op eiseres.

Verweerster heeft aan het bestreden besluit, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Over de periode 18 oktober 1993 tot en met maart 1997 is gebleken dat eiseres inkomsten uit arbeid heeft ontvangen.

Daarnaast is gebleken dat eiser over de periode 14 februari 1994 tot 14 juli 1997 inkomsten uit een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) ontving en over de periode 14 juli 1997 tot 20 april 1998 inkomsten uit een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW).

Verweerster stelt dat eiser bovengenoemde inkomsten van hemzelf en van eiseres tot 5 februari 1998 niet heeft gemeld en hiermee niet heeft voldaan aan de inlichtingenplicht zoals gesteld in artikel 30 lid 2 Algemene Bijstandswet (ABW) en artikel 65 lid 1 Abw. Hierdoor is over de periode van 18 oktober 1993 tot en met 31 januari 1998 een bedrag van in totaal ƒ 80.331,41 teveel aan bijstand toegekend. Dit bedrag wordt op grond van de artikelen 57 sub a en d, 58 en 59a ABW en 81, 82 en 84 Abw van eiser en eiseres teruggevorderd.

Hiertegen is namens eiser in beroep, samengevat, het volgende naar voren gebracht. Eiser is van mening dat hij terecht in de veronderstelling verkeerde volledige en juiste gegevens te hebben overgelegd. Eiser verkeerde in de veronderstelling dat zijn uitkering werd verrekend tussen Cadans en de DSZW en voorts dat de WW en ZW niet onder de noemer inkomsten vielen. Daarnaast meende hij dat de inkomsten van zijn partner/eiseres niet meetelde aangezien zij illegaal was en hij een uitkering naar de norm van een alleenstaande ontving. Eiser is voorts van mening dat hem niet kan worden verweten onjuiste inlichtingen te hebben verstrekt nu hij de vragen over zijn partner/eiseres, mede door zijn taalprobleem, niet heeft ingevuld. Eiser is van mening dat het op de weg van de DSZW had gelegen om te vragen waarom deze vragen niet werden ingevuld. Eiser is van mening dat ten onrechte de partner/eiseres over de gehele periode als mede hoofdelijk aansprakelijk wordt beschouwd.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Met betrekking tot de inkomsten van eiseres over de periode 18 oktober 1993 tot en met maart 1997 merkt de rechtbank het volgende op.

Eiser en eiseres vormden ten tijde van de bijstandsverlening een gezamenlijke huishouding. Bij de vaststelling of een belanghebbende in bijstandsbehoevende omstandigheden verkeert zoals neergelegd in artikel 1 lid 1 en 2 ABW dient rekening te worden gehouden met alle middelen waarover het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Dit beginsel blijft overeind staan ook in het onderhavige geval waarbij eiseres op grond van het ontbreken van een verblijfsvergunning geen recht op bijstand had. In het geval zij over inkomsten ging beschikken, diende hier bij de bijstandsverlening rekening mee te worden gehouden. Eiser diende dit op grond van de inlichtingenplicht zoals gesteld in artikel 30 lid 2 ABW en artikel 65 lid 1 Abw te melden. Onder de werking van de (oude) ABW is dit uitgangspunt terug te vinden in de Circulaire van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 28 mei 1991, nr. SZ/BV/UKB/MZM/5518 inzake bijstandsverlening aan vreemdelingen. In deze circulaire wordt ingegaan op de afstemming van de bijstand bij een gezamenlijke huishouding met een illegale vreemdeling of asielzoeker. De afstemming houdt in dat aan de rechthebbende partner bijstand wordt toegekend naar de norm van een alleenstaande dan wel alleenstaande ouder en dat met het inkomen van de illegale of asielzoekende partner rekening wordt gehouden voor zover dat inkomen ten goede komt aan de bijstandsgerechtigde. Hiervan kan in de regel worden uitgegaan indien en voorzover het gezamenlijke inkomen het normbedrag voor een echtpaar overschrijdt. Zie hiertoe ook de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 20 juni 1995 ABW 1994/588. Onder de (nieuwe) Abw is dit uitgangspunt terug te vinden in artikel 32.

Uit gedingstuk B61 blijkt dat verweerster bovengenoemde systematiek heeft toegepast bij de berekening van de teveel verstrekte bijstand. Het deel van de inkomsten van eiseres dat het verschil tussen de bijstandsnorm van eiser en de gezinsnorm voor een echtpaar vormde is hiermee buiten beschouwing gebleven. Het meerdere diende te leiden tot een lagere bijstandsverlening aan eiser. Nu dit niet is gebeurd doordat deze inkomsten niet zijn opgegeven vordert verweerster terecht dit deel van de verleende bijstand van eiser terug.

Ten aanzien van de inkomsten van eiser over de periode 14 juli 1997 tot en met 31 januari 1998. Eiser heeft inkomsten uit WW- en ZW-uitkering ontvangen welke hij niet heeft opgegeven opdat hiermee bij de bijstandsverlening rekening kon worden gehouden. De door eiser aangevoerde bezwaren dat hij meende te voldoen aan de inlichtingenplicht en dat voor zover dit niet het geval was dit mede veroorzaakt werd door een taalprobleem kan de rechtbank niet volgen mede gelet op de voorgeschiedenis van eiser waarbij hij onder andere in 1993 reeds werd geconfronteerd met het niet opgeven van inkomsten uit arbeid hetgeen leidde tot een terugvordering. Daarnaast heeft eiser aangevoerd in de veronderstelling te verkeren dat de inkomsten uit WW en ZW met de bijstand werden verrekend. Ook voor deze veronderstelling kan de rechtbank geen rechtvaardigingsgrond vinden aangezien dit onverlet laat dat eiser de inkomsten op grond van de inlichtingenplicht diende te vermelden en dit heeft nagelaten.

Verweerster heeft derhalve terecht de teveel verstrekte bijstand op grond van artikel 57 aanhef en sub a en d in relatie met artikel 30 lid 2 ABW alsmede artikel 58 ABW van eiser teruggevorderd over de periode dat de (oude) ABW van toepassing was. Voor de periode dat de (nieuwe) Abw van toepassing was, heeft verweerster de periode tot 1 juli 1997 de teveel betaalde bijstand terecht teruggevorderd op grond van artikel 81 lid 1 Abw in relatie met artikel 65 lid 1 Abw alsmede artikel 82 Abw. Voor de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 januari 1998 is de bijstand terecht herzien op grond van artikel 69 lid 3 Abw en de teveel betaalde bijstand teruggevorderd op grond van artikel 81 lid 1 Abw. Ten aanzien van de door verweerster gehanteerde rechtsgrond van artikel 82 lid 2 Abw merkt de rechtbank op dat het besluit duidelijkheid zou moeten geven voor welk deel van de vordering deze rechtsgrond wordt gehanteerd, dit mede vanwege de rechtsgevolgen inzake de verjaringstermijn. Bovendien ziet de rechtbank niet in wat artikel 81, tweede lid, Abw toevoegt aan het besteden besluit naast de reeds gehanteerde rechtsgrond van artikel 81, eerste lid. Abw. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om met toepassing van artikel 8:69, tweede lid, Awb, de rechtsgrond van artikel 81, tweede lid, Abw te laten vervallen.

Met betrekking tot de toepassing van artikel 59a ABW en 84 Abw waarmee eiseres hoofdelijk aansprakelijk is gesteld ten aanzien van de gehele vordering overweegt de rechtbank het volgende.

Vanaf 13 oktober 1997 wordt de bijstand aan eiser en eiseres als gezinsbijstand naar de norm van een echtpaar verstrekt. Het deel van de vordering dat ziet op de ten onrechte verstrekte bijstand van 13 oktober 1997 tot en met 31 januari 1998 kan terecht met toepassing van artikel 84, eerste en derde lid, Abw van eiseres worden teruggevorderd.

De rechtbank is echter van mening dat eiseres niet hoofdelijk aansprakelijk gesteld kan worden voor het deel van de vordering van ten onrechte verleende bijstand over de periode 18 oktober 1993 tot 13 oktober 1997 aangezien het bepaalde in artikel 59a ABW en 84 Abw op haar niet van toepassing is.

De rechtbank komt tot dat oordeel aangezien eiseres over de desbetreffende periode geen recht op bijstand had. De terugvorderingsgrondslag van artikel 59a ABW en 84 Abw werden ingevoerd vanuit de overweging dat het als onredelijk werd ervaren dat een verzwegen partner de terugvorderingsdans ontspringt, terwijl hij wel heeft meegeprofiteerd van de ten onrechte verstrekte bijstand (Wet van 15 april 1992, Stb. 193 inwerkingtreding 1 augustus 1992, toelichting in Nota naar aanleiding van het eindverslag, II 1988-1989, 20598, nr. 9 p. 16). In dit geval kan niet gesteld worden dat eiseres gedurende de periode van 18 oktober 1993 tot 13 oktober 1997 van de bijstand heeft meegeprofiteerd. De rechtbank is uit de totstandkomingsgeschiedenis evenwel niet gebleken, dat de bepalingen van genoemde artikelen zo uitgelegd dienen te worden dat zij mede betrekking hebben op het onderhavige geval. Voor een dergelijke extensieve uitleg ziet de rechtbank geen ruimte en concludeert zij dat de Abw niet voorziet in een terugvordering op eiseres gedurende de periode dat zij geen recht op bijstand had.

Gelet op het vorenstaande dient het beroep gegrond te worden verklaard wegens strijd met artikel 59a ABW en 84 Abw voor zover het besluit betrekking heeft op eiseres en ongegrond voor zover het besluit betrekking heeft op eiser.

Verweerster dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen rekening houdend met hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

De president ziet aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75 Awb te veroordelen in de door verzoeker in verband met de behandeling van het beroep gemaakte kosten. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op ƒ 1.420,-. Daarbij is één punt toegekend voor het indienen van een beroepsschrift door een advocaat en één punt voor de aanwezigheid ter zitting van de advocaat, met een wegingsfactor voor de zaak van één (gemiddeld) terwijl de waarde per punt ƒ 710,- bedraagt.

Aangezien ten behoeve van verzoeker een toevoeging is afgegeven, dient ingevolge het tweede lid van artikel 8:75 Awb de betaling van bovengenoemd bedrag te geschieden aan de griffier van deze rechtbank. Het door verzoeker betaalde griffierecht dient aan hemzelf te worden vergoed.

Beslissing

De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit voor zover het bepaalt dat eiseres hoofdelijk aansprakelijk is voor de terugvordering over de periode van 18 oktober 1993 tot 13 oktober 1997;

Veroordeelt verweerder tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker ten bedrage van ƒ 1.420,- onder aanwijzing van de gemeente Den Haag als de rechtspersoon die dit bedrag aan de griffier van de rechtbank dient te betalen;

Gelast dat de gemeente Den Haag als de rechtspersoon aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht vergoedt;

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mr. T.M.A. Claessens en in het openbaar uitgesproken op 8 december 2000, in tegenwoordigheid van de griffier T.A. Willems-Dijkstra.

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

Verzonden op: