Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AB0549

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-10-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/9636
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afghanistan. Eiser behoort tot de bevolkingsgroep der shi’itische Hazara’s en stelt dat hij vanwege zijn etnische afkomst te vrezen heeft voor de Taliban. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser het Human Rights Watch Report 1999 overgelegd. Verweerder heeft met toepassing van artikel 7:3 Awb het door eiser gemaakte bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank had verweerder eiser dienen te horen. Te meer nu het door eiser overgelegde rapport tot op zekere hoogte een bevestiging vindt in het ambtsbericht van 16 september 1999, waarin is aangegeven dat de meerderheid van de Taliban Pashtun is Pashtun en andere etnische groepen regelmatig worden gediscrimineerd. Dit geldt met name voor de shi’itische Hazara-minderheid, die op grotere schaal slachtoffer is geweest van het optreden van de Taliban, aldus het ambtsbericht. Niet gebleken is dat verweerder naast de ambtsberichten van 4 maart 1998 en 3 november 1998 ook dit ambtsbericht in haar besluit van 15 september 1999 heeft betrokken. De bestreden beslissing is door de rechtbank om voornoemde reden vernietigd wegens strijd met artikel 7:3 Awb.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE

Zittingsplaats Zwolle

Vreemdelingenkamer

regnr.: Awb 99/9636 VRWET Z VR

UITSPRAAK

inzake: A,

geboren op [...] 1975,

verblijvende te B,

van Afghaanse nationaliteit,

IND dossiernummer 9807128005,

eiser,

gemachtigde: mr. M. Horsten-van Gemeren, advocaat te tegen:

DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde: mr. S. van Waegeningh, advocate te 's-Gravenhage.

1 PROCESVERLOOP

1.1 Op 13 juli 1998 heeft eiser een aanvraag om toelating als vluchteling gedaan. Bij beschikking van 28 januari 1999 heeft verweerder eiser een vergunning tot voorlopig verblijf verleend, met ingang van 13 juli 1998 geldig tot 13

juli 1999. De aanvraag om toelating als vluchteling is niet ingewilligd.

1.2 Eiser heeft daartegen bij brief van 8 maart 1999 bezwaar gemaakt. Bij beschikking van 15 september 1999 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3 Bij beroepschrift van 13 oktober 1999 heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank tegen deze beschikking.

De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eiser gezonden en hem in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 6 juni 2000. Eiser is, na daarvan de rechtbank op de hoogte te hebben gesteld, niet ter zitting verschenen.

2 OVERWEGINGEN

2.1 In deze procedure dient te worden beoordeeld of de bestreden beschikking toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

2.2 Op grond van artikel 15 Vreemdelingenwet (Vw) in samenhang met artikel 1(A) van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen kunnen vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waarin zij gegronde reden hebben

te vrezen voor vervolging wegens hun godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging of hun nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of een bepaalde sociale groep, als vluchteling worden toegelaten.

2.3 Het vluchtrelaas van eiser komt op het volgende neer.

Eiser is afkomstig uit Afghanistan en behoort tot de bevolkingsgroep der shi'itische Hazara's.

In 1988 is eisers vader bij gevechten tijdens zijn militaire dienst om het leven gekomen. Eisers moeder en zus zijn in 1993 bij een raketbeschieting om het leven gekomen.

In 1996, ongeveer 15 dagen na de komst van de Taliban, heeft eiser Afghanistan verlaten. De situatie in Kabul werd steeds grimmiger. Er werden mensen opgepakt en vervolgd. Eiser was bang dat hij ook zou worden opgepakt vanwege zijn

afkomst en religie.

Voor de komst van de Taliban had eiser vanwege het behoren tot de bevolkingsgroep der Hazara's ook problemen, maar deze problemen waren toen niet zo erg om hiervoor Afghanistan te verlaten. Eiser vreesde toen niet voor zijn leven.

Eiser heeft Afghanistan verlaten toen een collega hem toevallig op straat vroeg om mee te gaan. Met hem is eiser naar Pakistan vertrokken. In Pakistan heeft eiser twee jaar gewoond tot 1998. Eiser is vervolgens naar Nederland

gevlucht omdat hij in Pakistan illegaal woonde en bang was te worden gearresteerd en te worden teruggestuurd naar Afghanistan of in een gevangenis te belanden.

In bezwaar is nog naar voren gebracht dat Hazara's te vrezen hebben voor vervolging van de zijde van de Taliban. Hierbij is verwezen naar het Human Rights Watch World Report 1999/ Human Rights Watch december 1998, waarin ter sprake

komt dat de Hazara's speciaal doelwit van de Taliban zijn. Ten aanzien van de dood van de moeder en zus van eiser is opgemerkt dat eiser destijds niet direct na hun dood uit Afghanistan is vertrokken omdat hij toen nog te jong was

om te vluchten.

Voorts is naar voren gebracht dat eiser niet langer in Pakistan kon blijven omdat hij daar illegaal verbleef en de situatie aldaar niet veilig is voor Afghaanse asielzoekers.

2.4 Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor toelating als vluchteling dan wel voor verlening van een vergunning tot verblijf. In de bestreden beschikking is daartoe allereerst verwezen naar de

primaire beschikking. Verder heeft verweerder onder meer overwogen dat de omstandigheid dat eiser behoort tot de bevolkingsgroep der shi'itische Hazara's niet voldoende is voor een geslaagd beroep op het vluchtelingschap. Eiser

heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij om persoonlijke redenen heeft te vrezen voor vervolging in de zin van het Verdrag. Het enkel overleggen van algemene stukken van Human Rights Watch wordt door verweerder niet voldoende geacht.

Eiser heeft op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat hij te vrezen heeft voor de Taliban. De vrees voor vervolging van eiser is louter gebaseerd op eigen vermoedens van eiser. Niet gebleken is van omstandigheden of

gebeurtenissen gericht tegen de persoon van eiser.

De gestelde dood van zijn moeder en zus was voor eiser destijds evenmin aanleiding het land van herkomst te verlaten. Bovendien zijn de moeder en zus van eiser het slachtoffer geworden van een raketaanval, hetgeen er niet op duidt

dat eiser naar aanleiding van de dood van zijn moeder en zus voor vervolging te vrezen zou hebben.

De omstandigheid dat eiser Afghanistan eerst heeft verlaten toen dit aan hem toevallig werd gevraagd, duidt er volstrekt niet op dat eiser in de negatieve aandacht van de Taliban stond. Evenmin levert de onveilige situatie in

Pakistan vanwege de aanwezigheid van de Taliban aldaar grond op voor vluchtelingschap, nu een asielverzoek wordt beoordeeld aan de hand van datgene wat eiser in het land van herkomst heeft ondervonden.

Eiser had zich in Pakistan voor hulp tot de UNHCR kunnen wenden.

Naar de mening van verweerder heeft eiser verder geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan moet worden geconcludeerd dat eiser bij terugkeer in Afghanistan een reëel risico loopt te worden onderworpen aan een

zodanige behandeling dat verwijdering naar dat land in strijd zou zijn met artikel 3 Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Evenmin is gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan eiser om overige klemmende redenen van humanitaire aard in het bezit zou behoren te worden gesteld van een vergunning tot verblijf.

2.5 Eiser stelt zich op het standpunt dat hij niet wist dat hij in Pakistan contact op kon nemen met de UNHCR en hen om bescherming kon vragen. In Pakistan verbleef hij niet bij iemand die hem begeleidde en hem kon wijzen op de

mogelijkheid zich bij de UNHCR te vervoegen. Voor het overige heeft eiser verwezen naar hetgeen hij in bezwaar naar voren heeft gebracht.

2.6 Vooropgesteld moet worden, dat niet is gebleken dat de politieke en mensenrechtensituatie in Afghanistan zodanig is, dat asielzoekers uit dat land zonder meer als vluchteling behoren te worden aangemerkt. Derhalve zal

aannemelijk moeten zijn, dat met betrekking tot eiser persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan waardoor hij gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging in vluchtelingenrechtelijke zin.

2.7 De rechtbank stelt vast dat verweerder het door eiser gemaakte bezwaar, er in hoofdzaak op neerkomend dat hij vrees voor vervolging heeft in verband met het behoren tot de bevolkingsgroep der Hazara's, met toepassing van artikel

7:3 Awb kennelijk ongegrond heeft verklaard. Verweerder heeft deze beslissing in hoofdzaak gebaseerd op de overweging dat eiser geen persoonlijke redenen heeft om te vrezen voor vervolging. Het enkel overleggen van algemene stukken

-zoals het Human Rights Watch Report 1999- acht verweerder onvoldoende. Voorts wordt in de beslissing op bezwaar overwogen dat in het bezwaarschrift geen feiten of omstandigheden worden aangevoerd die anders doen oordelen dan is

verwoord in de in bezwaar bestreden beslissing.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met deze handelwijze miskend dat in bezwaar is gewezen op een meer actuele beschrijving van de stand van zaken dan de beschrijving, waarvan verweerder bij het nemen van de

beslissing in primo is uitgegaan. Een nadere beoordeling van de door eiser aangevoerde omstandigheden acht de rechtbank te meer aangewezen, nu het door eiser overgelegde rapport tot op zekere hoogte een bevestiging vindt in het

ambtsbericht van 16 september 1999. In dit verband wijst de rechtbank op onder meer de passage op pagina 31 van het ambtsbericht, waarin het volgende is aangegeven: "De meerderheid van de Taliban is Pashtun en andere etnische

groepen worden regelmatig gediscrimineerd. Dit geldt met name voor de sjiietische Hazara-minderheid, die op grotere schaal slachtoffer is geweest van het optreden van de Taliban."

De rechtbank merkt daarbij op dat niet gebleken is dat verweerder naast de ambtsberichten van 4 maart 1998 en 3 november 1998 ook dit ambtsbericht in haar besluit van 13 oktober 1999 heeft betrokken.

Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder onder deze omstandigheden niet kunnen volstaan met het nemen van een beslissing op bezwaar zonder eiser ter zake over de door hem aangevoerde omstandigheden te horen. Vaste

jurisprudentie is immers dat naar de mate de omstandigheden, waarin iemand zich bevindt klemmender zijn, er eerder aanleiding zal zijn om het beroep op vluchtelingschap te honoreren. Het bestreden besluit komt om voornoemde redenen

voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met artikel 7:3 Awb.

2.8 Nu het beroep gegrond wordt verklaard, ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van eiser en het griffierecht.

2.9 Derhalve moet als volgt worden beslist.

3 BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 15 september 1999;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon om het griffierecht ad fl. 50,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad fl. 1420,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.C.P. Venema en uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. M.B.A. Mensink, als griffier, op 5 oktober 2000

___________________________

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden: