Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AB0376

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-11-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/69239
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / verdenking strafbaar feit / ongetekend proces-verbaal.

Duidelijk is gebleken dat op verzoek van de Officier van Justitie uitgekeken moest worden naar twee verdachten van een roofoverval. Het is derhalve niet verwonderlijk dat de verbalisanten de vreemdeling, wiens uiterlijk geheel voldeed aan de beschrijving van een persoon met een Marokkaans uiterlijk, hebben aangehouden omdat hij mogelijk een van de gezochte personen was. Ondanks het feit dat tijdens de inverzekeringstelling is gebleken dat de vreemdeling dat niet was, mag naar het oordeel van de rechtbank gelet op het vorenstaande niet geconcludeerd worden dat de voorafgaande aanhouding op onrechtmatige wijze is geschied. De rechtbank constateert dat de processen-verbaal van aanhouding en van verhoor voor inverzekeringstelling niet zijn ondertekend door de verbalisant. Dit doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan de bewijskracht van deze processen-verbaal.

Beroep ongegrond, verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, enkelvoudig

__________________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht

juncto artikel 34a Vreemdelingenwet

__________________________________________________

Reg.nr: AWB 00/69239 VRWET

Inzake: A, verblijfplaats onbekend, hierna te noemen de vreemdeling, gemachtigde mr. K. Wijnmalen, advocaat te Dordrecht

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. A.P. Stipdonk, ambtenaar ten departemente.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. De vreemdeling stelt te zijn geboren op [...] 1976 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.

Op 31 oktober 2000 is de vreemdeling aangehouden op verdenking van het overtreden van artikel 312, eerste lid, Wetboek van Strafrecht (WvSr). Op

2 november 2000 is de vreemdeling overgedragen aan de vreemdelingendienst en is hij vervolgens op dezelfde dag in bewaring gesteld met toepassing van het bepaalde in artikel 26, eerste lid, en onder a, van de Vreemdelingenwet (vw)

2. Op 7 november 2000 heeft de vreemdeling tegen de vrijheidsontnemende maatregel beroep ingesteld en daarbij tevens verzocht om toekenning van een schadevergoeding.

3. De openbare behandeling van dit beroep heeft plaatsgevonden op

16 november 2000. De vreemdeling is aldaar verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

4. Op 17 november 2000 heeft verweerder de bewaring ambtshalve opgeheven en de vreemdeling uitgezet naar Marokko. Namens de vreemdeling is het beroep beperkt tot het verzoek om schadevergoeding voor iedere dag dat de bewaring

onrechtmatig moet worden geacht.

II. OVERWEGINGEN

1. Ter beoordeling staat of de toepassing of tenuitvoerlegging van de onderwerpelijke maatregel tot vrijheidsontneming in strijd is met de Vreemdelingenwet dan wel bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet

gerechtvaardigd is te achten.

2. Eiser voert aan dat pas op 2 november 2000, nadat hij was bezocht door zijn huidige gemachtigde, een strafrechtpiketadvocaat zich meldde voor de vreemdeling, terwijl hij al vanaf 31 oktober 2000 in verzekering zat. De

gemachtigde van de vreemdeling is derhalve van mening dat er niet is voldaan aan de formele vereisten en acht het gehele vervolgtraject onrechtmatig. De gemachtigde van de vreemdeling stelt tevens de vraag of zijn cliënt wel terecht

is aangehouden op verdenking van een strafrechtelijk feit. Desgevraagd deelt de vreemdeling mede dat hij tijdens zijn eerste verhoor op 31 oktober 2000 aangaf af te zien van bijstand van een advocaat. Tijdens het verhoor op 2

november 2000 gaf hij pas voor het eerst aan bijstand te willen van een raadsman.

3. Namens verweerder is aangevoerd dat het strafrechtelijke traject marginaal is getoetst. Uit het dossier blijkt niet dat aan de vreemdeling enige rechtshulp is onthouden. Verweerder deelt mede dat met veel voortvarendheid is

gewerkt aan de uitzetting. De vreemdeling is geboekt voor een vlucht naar Casablanca op 17 november 2000.

4. Duidelijk is gebleken dat op verzoek van de Officier van Justitie uitgekeken moest worden naar twee verdachten van een roofoverval. Het is derhalve niet verwonderlijk dat de verbalisanten de vreemdeling, wiens uiterlijk geheel

voldeed aan de beschrijving van een persoon met een Marokkaans uiterlijk, hebben aangehouden omdat hij mogelijk een van de gezochte personen was. Ondanks het feit dat tijdens de inverzekeringstelling is gebleken dat de vreemdeling

dat niet was, mag naar het oordeel van de rechtbank gelet op het vorenstaande niet geconcludeerd worden dat de voorafgaande aanhouding op onrechtmatige wijze is geschied.

5. De rechtbank heeft kennis genomen van de aanvullende verklaringen van zowel verweerder als de gemachtigde van de vreemdeling bij de faxberichten van beide gemachtigden van 16 november 2000. Hieruit is de rechtbank gebleken dat de

naam Anan Abdelsalam, die in het proces-verbaal genoemd wordt, een valse naam betrof die de vreemdeling in eerste instantie had opgegeven. De grief van de gemachtigde met betrekking tot het ontberen van rechtshulp tijdens de

strafrechtelijke detentie faalt, nu de vreemdeling ter zitting desgevraagd heeft verklaard geen advocaat te willen tijdens zijn strafrechtelijke verhoor op 31 oktober 2000. Voorts blijkt uit het bevel tot inverzekeringstelling van

31 oktober 2000 dat aan de raadsman van de verdachte onverwijld een afschrift van voornoemde bevel is verstrekt. De rechtbank constateert tevens dat de processen-verbaal van aanhouding en van verhoor voor inverzekeringstelling ,

beide met mutatienummer PL1820/00-132769, niet zijn ondertekend door de verbalisant. Dit doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan de bewijskracht van deze processen-verbaal.

6. Niet is gebleken dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de bewaring ten aanzien van de vreemdeling in strijd is met de Vreemdelingenwet dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid

ongerechtvaardigd is te achten.

7. Het beroep is derhalve ongegrond. Er bestaat derhalve geen grond voor het toekennen van schadevergoeding, zodat het verzoek daartoe wordt afgewezen.

8. Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten is de rechtbank niet gebleken.

III. BESLISSING

De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage:

RECHT DOENDE:

1. Verklaart het beroep ongegrond;

2. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

IV. RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open voorzover het betreft het beroep tegen het bevel tot in bewaringstelling. Voorzover het betreft de beslissing op het verzoek om schadevergoeding staat tegen deze uitspraak

staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. De Officier van Justitie kan binnen veertien dagen na de uitspraak en de vreemdeling binnen een maand na de betekening van de uitspraak hoger beroep instellen door het

indienen van een verklaring als bedoeld in de artikelen 449 en 451a Wetboek van Strafvordering bij de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage.

Aldus gedaan door mr. J.W.H.B. Sentrop en uitgesproken in het openbaar op 21 november 2000, in tegenwoordigheid van C.K. Wong, griffier.

afschrift verzonden op: