Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AB0373

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-12-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/3958
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Irak / Syrisch-katholiek / vvtv / vestigingsalternatief Noord-Irak.

De rechtbank volgt verweerder niet in zijn stelling dat uit de enkele omstandigheid dat zich in Noord-Irak een christelijke gemeenschap bevindt reeds volgt dat eiser beschikt over gemeenschapsbanden als bedoeld in de REK-uitspraak d.d. 20 maart 2000.

In het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van 12 april 2000 wordt ten aanzien van Syrische katholieken uitsluitend opgemerkt dat er in Noord-Irak een kleine Syrisch-katholieke gemeenschap bestaat. In het ambtsbericht is verder - uitsluitend nog - gesteld dat de Syrische katholieken ook wel tot de jakobieten worden gerekend en dat sinds de achttiende eeuw de Syrisch-katholieke kerk een eigen patriarch heeft, die door de kerk van Rome werd erkend. Dit geeft echter geen beeld over de omvang van en de omstandigheden waaronder die gemeenschap in Noord-Irak kan verblijven.

Niet is gebleken dat verweerder op enige andere wijze heeft onderzocht welke omvang deze gemeenschap in Noord-Irak heeft alsmede of de positie van die gemeenschap zelf zodanig stabiel is en leden van die gemeenschap dermate geïntegreerd zijn dat ze nieuwkomers behulpzaam kunnen zijn bij het vinden van toegang tot essentieel te achten basisvoorzieningen. Beroep gegrond voor zover het zich richt tegen de weigering eiser een vtv te verlenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE

Zittingsplaats Zwolle

Vreemdelingenkamer

regnr.: Awb 00/3958 VRWET Z VB

uitspraak:

UITSPRAAK

inzake: A,

geboren op [...] 1966,

verblijvende te B,

van Iraakse nationaliteit,

IND dossiernummer 9708.28.8046,

eiser,

gemachtigde: mr. M.S. Meima, werkzaam bij het Buro voor rechtshulp te B;

tegen: DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde: mr. P.H. Smits, advocaat te 's-Gravenhage.

1 FEITEN EN PROCESVERLOOP

1.1 Op 28 augustus 1997 heeft eiser aanvragen om toelating als vluchteling en verlening van een vergunning tot verblijf gedaan. Bij beschikking van 18 februari 1998, verzonden op 24 februari 1998 aan de toenmalige gemachtigde

van eiser en op 3 maart 1998 aan eiser in persoon uitgereikt, heeft verweerder de aanvragen niet ingewilligd. Wel is aan eiser een voorwaardelijke vergunning tot verblijf verleend.

1.2 Eiser heeft daartegen bij brief van 19 maart 1998 bezwaar gemaakt. Bij beschikking van 14 augustus 1998 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3 Bij beroepschrift van 9 september 1998 heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank tegen deze beschikking. Het beroepschrift is behandeld ter zitting van deze rechtbank van 17 mei 1999. Bij uitspraak van 27 juli 1999 is

het beroepschrift gegrond verklaard.

Op 29 november 1999 is eiser gehoord door een ambtelijke commissie. Bij beschikking van 6 maart 2000 is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Bij beroepschrift van 31 maart 2000 heeft eiser tegen deze beschikking beroep ingesteld bij de rechtbank.

De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eiser gezonden en hem in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 4 juli 2000. Eiser is daarbij verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

1.4 Na zitting van de enkelvoudige kamer van deze rechtbank van 3 juli 2000 is het onderzoek ter zitting heropend en de zaak verwezen naar de zitting van de meervoudige kamer van deze rechtbank. De openbare behandeling van deze

kamer van de rechtbank heeft plaats gevonden op 27 september 2000.

Eiser is daarbij verschenen, bijgestaan door mr. Roosen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. Hoogvliet, kantoorgenoot van mr. Smits.

2. OVERWEGINGEN

2.1 In deze procedure dient te worden beoordeeld of de bestreden beschikking toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

2.2 Op grond van artikel 15 Vreemdelingenwet (Vw) in samenhang met artikel 1(A) van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen kunnen vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waarin zij gegronde reden

hebben te vrezen voor vervolging wegens hun godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging of hun nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of een bepaalde sociale groep, als vluchteling worden

toegelaten.

2.3 Bij uitspraak van 27 juli 1999 heeft deze rechtbank het beroep gegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat eiser vage verklaringen heeft afgelegd omtrent de ruzie van zijn broer met een lid van de Baathpartij. Voorts is

overwogen dat aan eisers verklaring, dat zijn broer zou zijn gearresteerd en dat naar eiser zou zijn gezocht, geen doorslaggevend gewicht kon worden toegekend aangezien deze verklaringen niet gebaseerd waren op objectief

verifieerbare gegevens. De rechtbank was echter van oordeel dat verweerder, mede gelet op de situatie in Centraal-Irak, eiser had dienen te horen omtrent de inhoud van de door eiser gestelde evangelisatie-activiteiten voor de

vereniging Liefde en Vrede en de bekendheid daarvan bij de bevolking, alsmede de contacten van de vereniging met buitenlandse organisaties.

2.4 Ten overstaan van de ambtelijke commissie heeft eiser onder meer het volgende verklaard.

De Vereniging van Liefde en Vrede (hierna: de Vereniging) bestond uit 12 bestuursleden en 70 leden. Eiser was zelf bestuurslid. Zijn dagelijkse activiteiten bestonden uit het voorbereiden van vergaderingen, het klaarmaken van

pamfletten en het overdragen van de pamfletten aan anderen ter verspreiding. Eén van de doelen van de organisatie was het werven van mensen voor het (christelijke) geloof. Er werden slechts mensen benaderd die werden vertrouwd. Dit

gebeurde mondeling, door persoonlijk contact met die mensen en via het verspreiden van pamfletten. Aanvankelijk benaderde eiser iemand als persoon. Eerst na twee of drie ontmoetingen nodigde hij de benaderde persoon uit voor een

vergadering van de Vereniging. De Vereniging onderhield ook contact met twee Amerikaanse christelijke organisaties. Van deze organisaties ontving de Vereniging pamfletten en bijbels. Daarnaast verleenden deze organisaties financiële

steun. Het contact tussen de Vereniging en de twee Amerikaanse organisaties verliep via een in Amerika woonachtige persoon. Als een bestuurslid naar het buitenland ging werd er contact met deze persoon opgenomen en als deze persoon

naar Irak kwam hadden de bestuursleden contact met hem. Er was geen direct contact tussen de Vereniging en de Verenigde Staten. De Vereniging verleende ook humanitaire hulp. Hierbij werd de naam van de organisatie verspreid. Toen de

organisatie groter werd begonnen de problemen. Mensen klaagden over de wijze van verdeling van de humanitaire hulp en schreven rapporten aan de veiligheidsdienst. Het zijn van christen was echter geen voorwaarde voor het verkrijgen

van de humanitaire hulp.

2.5 Verweerder heeft de aanvragen afgewezen, omdat eiser slechts op kleine schaal evangelisatie-activiteiten heeft verricht en hij hierbij voorzichtig te werk is gegaan, zodat niet aannemelijk is geworden dat de Iraakse

autoriteiten van deze activiteiten op de hoogte zijn geraakt. Verweerder acht dan ook evenmin aannemelijk geworden dat de autoriteiten op de hoogte zijn geraakt van de contacten van de Vereniging Liefde en Vrede met de Amerikaanse

organisaties. Bovendien zijn eisers verklaringen hieromtrent slechts gebaseerd op vermoedens. De gestelde arrestatie van eisers broer C op 15 juli 1997 maakt dit, gelet op de uitspraak van de rechtbank van 27 juli 1997, niet anders.

Verweerder is verder van mening dat eiser in Noord-Irak een vestigingsalternatief heeft.

2.6 Eiser stelt zich op het standpunt dat hij in Irak voor vervolging heeft te vrezen vanwege zijn evangelisatie-activiteiten voor de Vereniging Liefde en Vrede. Ondanks het feit dat eiser wellicht slechts op kleine schaal

evangelisatie-activiteiten heeft verricht, bestond er een grote kring van mensen die op de hoogte waren van de bekeringsactiviteiten van de Vereniging van Liefde en Vrede. Daardoor was het risico, dat een van hen dit aan de

veiligheidsdienst zou overbrengen, niet gering. Eiser is verder van mening dat verweerder ten onrechte een onderscheid maakt tussen de liefdadigheidsactiviteiten en de bekeringsactiviteiten. Door (uitbreiding van) beide soorten van

activiteiten begon de Vereniging bekender te worden, waarbij geen twijfel bestond over de religieuze identiteit van de vereniging. Eiser meent verder dat het gegeven dat vijf personen, waaronder zijn broer, van de Vereniging in

dezelfde periode werden gearresteerd wel degelijk verband houdt met hun lidmaatschap van en activiteiten voor de Vereniging. Voorts is door de ambtelijke commissie niet gevraagd naar de omstandigheden rond de arrestatie van eisers

broer, zulks ten onrechte, nu de rechtbank in de uitspraak van 27 juli 1999 op dit punt niet zonder meer tot ongeloofwaardigheid heeft geconcludeerd.

Eiser is verder van mening dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat eiser in Noord-Irak een vestigingsalternatief heeft.

2.7 Vooropgesteld moet worden, dat niet is gebleken dat de politieke en mensenrechtensituatie in Irak zodanig is, dat asielzoekers uit dat land zonder meer als vluchteling behoren te worden aangemerkt. Derhalve zal aannemelijk

moeten zijn, dat met betrekking tot eiser persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan waardoor hij gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging in vluchtelingenrechtelijke zin.

2.8 Naar het oordeel van de rechtbank is eiser daarin niet geslaagd. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Het is niet aannemelijk dat de Iraakse autoriteiten van eisers bekeringsactiviteiten voor de Vereniging op de hoogte zijn geraakt . Eiser heeft ten overstaan van de ambtelijke commissie verklaard dat de activiteiten van de

Vereniging beperkt waren en dat hij zeer voorzichtig te werk ging met zijn bekeringsactiviteiten.

De stelling van eiser dat alle leden van de Vereniging contacten hadden met zo'n 20 mensen en dat daardoor het gevaar bestond dat de activiteiten bij de autoriteiten bekend zouden raken, berust uitsluitend op veronderstellingen en

is onvoldoende om de conclusie te trekken dat de autoriteiten op de hoogte zijn geraakt van de genoemde activiteiten.

Tevens is van belang dat eiser zowel tijdens het nader gehoor als tegenover de ambtelijke commissie heeft verklaard dat de problemen zijn begonnen nadat mensen begonnen te klagen over de wijze van verdeling van de humanitaire

hulpgoederen. Er zijn geen aanwijzingen om te concluderen dat deze mensen ervan op de hoogte waren dat de Vereniging ook bekeringsactiviteiten verrichtte.

Anders dan eiser is de rechtbank van oordeel dat uit het gegeven, dat mensen op de hoogte zijn van de liefdadigheidsactiviteiten van eiser en de Vereniging niet zonder meer kan worden afgeleid dat ze ook op de hoogte zijn van eisers

bekeringsactiviteiten, te meer daar eiser heeft verklaard dat aan de hulpverlening niet de voorwaarde was verbonden dat men christen moet zijn of worden.

Gelet op het voorgaande is evenmin aannemelijk dat de bevolking dan wel de Iraakse autoriteiten op de hoogte zijn geraakt van de contacten van de Vereniging met twee Amerikaanse organisaties. Daarbij is nog van belang dat eiser ten

overstaan van de ambtelijke commissie heeft verklaard, dat er geen direct contact tussen de Vereniging en de twee Amerikaanse organisaties bestond.

De gestelde arrestatie van eisers broer C op 15 juli 1997 maakt het bovenstaande, gelet op hetgeen in de uitspraak van de rechtbank van 27 juli 1999 is overwogen, niet anders.

Derhalve heeft verweerder kunnen besluiten eiser niet als vluchteling toe te laten.

2.9 Op grond van artikel 11, vijfde lid, Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf, daaronder begrepen de voorwaardelijke vergunning tot verblijf, geweigerd worden op gronden aan het algemeen belang ontleend.

Verweerder voert met het oog op de bevolkings- en werkgelegenheidssituatie hier te lande bij de toepassing van dit artikellid een beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen - behoudens verplichtingen welke voortvloeien uit

internationale overeenkomsten - slechts voor verlening van een vergunning tot verblijf in aanmerking komen indien met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend of indien sprake is van klemmende

redenen van humanitaire aard.

2.10 Gelet op hetgeen in rechtsoverweging 2.8 is overwogen, is niet aannemelijk dat eiser bij gedwongen verwijdering naar Irak een reëel risico loopt te worden blootgesteld aan een behandeling waartegen artikel 3 van het

(Europees) Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) bescherming beoogt te bieden, zodat eiser aan die bepaling geen aanspraak op verlening van een vergunning tot verblijf zonder

beperkingen kan ontlenen.

2.11 Verweerder heeft in het algemene beleidsstandpunt gesteld dat het ontbreken van een vestigingsalternatief er niet toe leidt dat een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv) moet worden verleend doch dat dit er onder

omstandigheden toe kan leiden dat een vergunning tot verblijf zonder beperkingen moet worden verleend.

2.12 In haar uitspraken d.d. 20 maart 2000 heeft de REK overwogen dat de eisen die ten aanzien van de kwaliteit van het binnenlands vestigingsalternatief gelden uitvloeisel zijn van de gedachte dat daaraan minimaal voldaan moet

zijn met het oog op de verzekering van een menswaardig bestaan. De REK heeft vastgesteld dat uit de brieven van de UNHCR d.d. 11 december 1998 en 14 juni 1999 volgt dat een uit Centraal-Irak afkomstige (afgewezen) asielzoeker

slechts dan geacht kan worden een binnenlands vestigingsalternatief te hebben in Noord-Irak als hij aldaar familie-, gemeenschaps- of politieke banden heeft en aangenomen dat de UNHCR hiermee een op de specifieke kenmerken van de

Iraakse samenleving toegesneden concretisering heeft gegeven van de maatstaf dat een menswaardig bestaan moet zijn verzekerd. De REK heeft voorts overwogen dat de noodzaak van het stellen van de bandeneis niet alleen wordt

ondersteund door het rapport van het Deutsches Orient-Institut d.d. 21 mei 1999, maar ook door de brief van de Minister van Buitenlandse Zaken d.d. 12 januari 2000. Hierbij heeft de REK aangegeven geen overwegende betekenis te

hechten aan de omstandigheid dat de internationale hulporganisaties bij (een poging tot) hervestiging in Noord-Irak in sommige opzichten steun kunnen bieden, omdat uit de brief van 12 januari 2000 onvoldoende is af te leiden dat,

zelfs als de steun in aanmerking wordt genomen, de toegang tot de essentieel te achten basisvoorzieningen voor een ieder is gewaarborgd. Naar het oordeel van de REK dient verweerder, alvorens te beslissen of een uit Centraal-Irak

afkomstige vreemdeling al dan niet in aanmerking komt voor een vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard, onder ogen te zien wat de feitelijke mogelijkheden voor de betrokkene zijn om op korte of

middellange termijn in Noord-Irak een bestaan te vinden waarbij de daadwerkelijke toegang tot de basisvoorzieningen is verzekerd.

De rechtbank verstaat deze uitspraken met verweerder aldus, dat in de visie van de REK voor (afgewezen) asielzoekers uit Centraal-Irak het hebben van familie-, politieke en/of gemeenschapsbanden noodzakelijk is voor het

daadwerkelijk verkrijgen van toegang tot de essentiële basisvoorzieningen in Noord-Irak en daarmee voor het kunnen leiden van een menswaardig bestaan c.q. het hebben van een binnenlands vestigingsalternatief in Noord-Irak.

2.13 De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft in haar uitspraak van 7 september 2000, Awb 00/241, JV 2000/244, geoordeeld dat - anders dan verweerder stelt - uit het ambtsbericht van de minister van buitenlandse zaken van 12

april 2000 niet valt af te leiden dat de daadwerkelijke toegang tot de essentiële basisvoorzieningen voor een ieder - dus ook voor Centraal Irakezen zonder banden - in Noord-Irak is gewaarborgd.

De meervoudige kamer van deze rechtbank is vervolgens in genoemde uitspraak tot het oordeel gekomen dat het uitgangspunt van verweerder als neergelegd in de brief van 13 juli 2000 aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten

Generaal onvoldoende ondersteuning vindt in de over Noord-Irak bekende gegevens. Het standpunt van de Staatssecretaris van Justitie van 13 juli 2000 is onvoldoende gemotiveerd. Verweerder heeft thans geen argumenten aangevoerd, die

nopen tot een ander oordeel.

2.14 Daarmee resteert - nu er van klemmende redenen van humanitaire aard anderszins niet is gebleken - de vraag of eiser over dergelijke banden in Noord-Irak beschikt.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser gemeenschapsbanden met Noord-Irak heeft.

De rechtbank volgt verweerder niet in zijn stelling dat uit de enkele omstandigheid dat zich in Noord-Irak een christelijke gemeenschap bevindt reeds volgt dat eiser beschikt over gemeenschapsbanden als bedoeld in de eerdergenoemde

uitspraak van de REK d.d. 20 maart 2000. Het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken d.d. 12 april 2000 biedt daarvoor geen aanknopingspunten. Blijkens het betreffende ambtsbericht is er in Noord-Irak immers geen sprake

van één homogene christelijke gemeenschap, maar van diverse grotere en kleinere groeperingen, elk met een eigen signatuur.

2.15 Eiser is Syrisch Katholiek. In het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 12 april 2000 wordt ten aanzien van Syrisch Katholieken uitsluitend opgemerkt dat er in Noord-Irak een kleine Syrisch-katholieke

gemeenschap bestaat. In het ambtsbericht is verder - uitsluitend nog - gesteld dat de Syrisch Katholieken ook wel tot de jakobieten worden gerekend en dat sinds de 18e eeuw de Syrisch-katholieke kerk een eigen patriarch heeft, die

door de kerk van Rome werd erkend. Dit geeft echter geen beeld over de omvang van en de omstandigheden waaronder die gemeenschap in Noord-Irak kan verblijven.

Niet is gebleken dat verweerder op enige andere wijze heeft onderzocht welke omvang deze gemeenschap in Noord-Irak heeft alsmede of de positie van die gemeenschap zelf zodanig stabiel is en leden van die gemeenschap dermate

geïntegreerd zijn dat ze nieuwkomers behulpzaam kunnen zijn bij het vinden van toegang tot essentieel te achten basisvoorzieningen.

Derhalve dient het bestreden besluit wegens een motiveringsgebrek te worden vernietigd.

2.16 Het beroep van eiser is derhalve gegrond, voorzover deze zich uitstrekt tegen de weigering aan eiser een vergunning tot verblijf te verlenen.

2.17 In de bestreden beslissing heeft verweerder eveneens het bezwaar tegen de intrekking van de voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv) ongegrond verklaard. Het beroep richt zich niet tegen dit onderdeel van de bestreden

beslissing en hiertegen zijn geen gronden aangevoerd, zodat de rechtbank de beslissing van verweerder naar aanleiding van het bezwaarschrift gericht tegen de intrekking van de vvtv niet bij haar oordeel zal betrekken.

2.18 Nu het beroep gegrond verklaard wordt, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten en tot vergoeding van het door hem betaalde griffierecht, zoals hierna weergegeven.

3. BESLISSING

De rechtbank

- verklaart het beroep voor zover het zich richt tegen de weigering aan eiser een vergunning tot verblijf te verlenen gegrond;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- vernietigt de beschikking van 6 maart 2000 voor zover het zich richt tegen de weigering aan eiser een vergunning tot verblijf te verlenen;

- gebiedt verweerder om opnieuw op het bezwaar te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ad fl. 2130,- (1 punt voor de beroepschriften, 2x 1 punt voor het verschijnen ter zitting), onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten

aan eiser dient te vergoeden;

- wijst de Staat der Nederlanden aan om het griffierecht ad fl. 50,- aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Blomsma, voorzitter, en mrs. F. Sijens en J.F.M.J. Bouwman, rechters, en in het openbaar uitgesproken door mr. G. Blomsma in tegenwoordigheid van mr. W.P.M. Elderman als griffier op 21 december

2000

----------------

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Afschrift verzonden: 21 december 2000