Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AB0372

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-12-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/3222, 00/3224
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Irak / Sabeeën / ICP / vestigingsalternatief Noord-Irak.

De motivering van de bestreden besluiten op het onderdeel dat verzoekers niet in het bezit behoeven te worden gesteld van een vtv is onvoldoende. In dit oordeel heeft verweerder niet betrokken dat verzoekers behoren tot de Arabische bevolkingsgroep en het Mandese geloof belijden. De president wijst op de inhoud van het algemene ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van april 2000, waarin is gesteld dat de Sabeeën (of Mandeeën) hun woongebied in het zuiden van Irak hebben en dat momenteel een groot aantal van hen in Baghdad woont. In Noord-Irak hoeven ze in het algemeen niet te vrezen voor vervolging. Aangezien vele Sabeeën van oudsher communistische sympathieën koesterden, zullen zij in een aantal gevallen op steun van bijvoorbeeld de ICP in Noord-Irak kunnen rekenen. Het aantal Sabeeën in Noord-Irak is evenwel zeer gering, aldus het ambtsbericht.

Voorts is in het ambtsbericht vermeld dat de invloed en activiteiten van de ICP in Noord-Irak zijn afgenomen sinds de inval in Erbil in augustus 1991. Vele Arabische leden van de ICP zijn uit Noord-Irak vertrokken. Op basis van de thans beschikbare informatie is de president van oordeel dat niet zonder nadere motivering kan worden volgehouden dat verzoekers in Noord-Irak beschikken over gemeenschapsbanden vanwege hun geloof en/of beschikken over politieke banden vanwege de in Noord-Irak zetelende ICP en Noord-Irak voor verzoekers derhalve als reëel vestigingsalternatief kan gelden. Daarbij is tevens overwogen dat van verzoekers niet bekend is dat zij een andere in Irak gangbare taal dan het Arabisch spreken. Toewijzing verzoeken.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:84, geldigheid: 2000-12-20
Algemene wet bestuursrecht 8:67, geldigheid: 2000-12-20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

President van de Arrondissementrechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak ingevolge de artikelen 8:84, eerste lid, juncto 8:67 Algemene wet bestuursrecht en 33a Vreemdelingenwet

Reg.nrs.: AWB 00/3222 VRWET & AWB 00/3224 VRWET

Inzake: A en diens echtgenote B,

verzoekers, woonplaats kiezende ten kantore van hun gemachtigde mr. S.B. Kleerekooper,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. S.H.J.M. Roelofs.

1. ZITTING

Datum: 15 december 2000.

Zitting hebben:

mr. E.S.G. Jongeneel, president,

mr. R. Faasse, griffier.

Bovenvermelde zaken zijn gevoegd behandeld.

Ter zitting zijn verschenen verzoekers in persoon, bijgestaan door hun gemachtigde, en verweerder bij gemachtigde.

Als tolk is verschenen de heer S.G. Tahir.

Na het onderzoek ter zitting te hebben gesloten, heeft de president partijen medegedeeld dat op 20 december 2000 om 14.00 uur mondeling uitspraak wordt gedaan. De uitspraak luidt als onder 3. vermeld.

2. OVERWEGINGEN

In geschil is de niet-inwilliging d.d. 5 januari 2000 van de aanvragen van verzoekers om toelating als vluchteling en in verband daarmee verweerders besluit dat de beslissing op het bezwaar hier te lande niet mag worden afgewacht.

De president overweegt dat verzoekers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij gegronde vrees hebben voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin. Verweerder heeft op goede gronden het standpunt betrokken dat de verklaringen van

verzoekers ongeloofwaardig voorkomen. De president neemt hiertoe in het bijzonder in aanmerking dat verzoekers in het kader van het door hen ingediende bezwaar op meerdere onderdelen ten opzichte van het nader gehoor andersluidende

verklaringen hebben afgelegd.

Met verweerder wordt geoordeeld dat zulks afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van het vluchtrelaas.

Voorts is de president van oordeel dat -zelfs indien zou worden uitgegaan van het geheel van de verklaringen van verzoekers- het relaas onvoldoende zwaarwegend is voor een geslaagd beroep op vluchtelingschap. De president acht met

name van betekenis dat verzoekers vrees dat de gearresteerde vriend, welke lid was van de ICP, zou doorslaan en de naam van verzoeker zou melden aan de Centraal-Iraakse veiligheidsdienst, gebaseerd is op een vermoeden. Voorts is

verzoekers stelling dat -indien hij gehoor zou hebben gegeven aan de oproep van de veiligheidsdienst om zich te melden- hij zou worden gearresteerd, gemarteld en gedood, onvoldoende geconcretiseerd en onderbouwd.

Een verwijzing naar het in Irak veelal samengaan van ICP-symphatisant en Mandeeër zijn en de daarbij behorende belangstelling van de autoriteiten acht de president in dit verband te algemeen en onvoldoende. Aan de overgelegde

verklaring van de OMRIK van 1 februari 2000, dat verzoekers tot een bekende oppositionele familie behoren, kan de president niet dat gewicht toekennen dat verzoekers eraan toegekend willen zien.

Voorzover bij de bestreden beslissingen is overwogen dat verzoekers niet in aanmerking komen voor een vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard, wordt overwogen dat de daaraan in die beslissingen ten

grondslag gelegde motivering onvoldoende wordt geacht. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat verzoekers geacht worden zich in Noord-Irak staande te kunnen houden, zonder hierin te betrekken dat verzoekers hebben gesteld

dat zij behoren tot de arabische bevolkingsgroep en dat zij het Mandese geloof belijden.

Voorzover verweerder bij gelegenheid van het verweerschrift de motivering van de bestreden beslissingen op dit onderdeel heeft aangevuld, wordt overwogen dat die aanvulling niet afdoende wordt geacht.

Overwogen wordt dat in het algemene ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van april 2000 is gesteld dat de Sabeeën (of Mandeeën) hun woongebied in het zuiden van Irak hebben en dat momenteel een groot aantal van hen in

Baghdad woont. In Noord-Irak hoeven ze in het algemeen niet te vrezen voor vervolging. Aangezien vele Sabeeën van oudsher communistische sympathieën koesterden, zullen zij in een aantal gevallen op steun van bijvoorbeeld de ICP in

Noord-Irak kunnen rekenen. Het aantal Sabeeën in Noord-Irak is evenwel zeer gering, aldus het ambtsbericht. Ter zitting is namens verzoekers daaraan toegevoegd dat in Noord-Irak geen rivieren zijn die geschikt zijn om de Mandese

geloofsceremonieën te voltrekken. Voorts is in het ambtsbericht vermeld dat de invloed en activiteiten van de ICP in Noord-Irak zijn afgenomen sinds de inval in Erbil in augustus 1991. Vele Arabische leden van de ICP zijn uit

Noord-Irak vertrokken.

Op basis van de thans beschikbare informatie is de president van oordeel dat niet zonder nadere motivering kan worden volgehouden dat verzoekers in Noord-Irak beschikken over gemeenschapsbanden vanwege hun geloof en/of beschikken

over politieke banden vanwege de in Noord-Irak zetelende ICP en Noord-Irak voor verzoekers derhalve als reëel vestigingsalternatief kan gelden. Daarbij is tevens overwogen dat van verzoekers niet bekend is dat zij een andere in

Irak gangbare taal dan het Arabisch spreken.

Gelet op het voorgaande kan niet worden gezegd dat het bezwaar van verzoekers geen redelijke kans van slagen heeft. Geconcludeerd wordt dat verweerder ten onrechte schorsende werking aan de bezwaarschriften heeft onthouden.

De verzoeken om een voorlopige voorziening komen derhalve voor toewijzing in aanmerking.

De president ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van de verzoeken redelijkerwijs

heeft moeten maken.

Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op f 1.420,- (1 punt voor de verzoekschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van f 710,- en

wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van verzoekers een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht de betaling aan de griffier te geschieden.

3. BESLISSING:

De president:

1. wijst de verzoeken toe;

2. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad f 1.420,-, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie) als rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden en aan de griffier dient te betalen;

3. gelast dat de Staat der Nederlanden als rechtspersoon het door verzoekers betaalde griffierecht ad f 50,- vergoedt.

4. RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Verzonden op: 8 december 2001