Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AB0368

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-12-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/70857, 00/70858, 00/70859
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

AC-procedure / termijnoverschrijding / rechtsbijstand.

Herinvoering van de beleidsregel dat de beschikking uiterlijk één uur voor het einde van de 48-uurstermijn uitgereikt moet worden opdat de rechtshulpverlener kan aangeven of een rechtsmiddel wordt aangewend (het zogenaamde "vovo-uurtje"). Tussen de deelnemers van het beleidsoverleg is kennelijk geen overeenstemming over de strekking van tekst die daarop betrekking heeft. Het verslag van de bespreking heeft nog slechts een concept-status.

Verweerder dient vooralsnog gehouden te worden aan de (uiterste) termijn die hij zichzelf voor het uitreiken van de beschikking in zijn beleid gesteld heeft. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:86, geldigheid: 2000-12-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Haarlem

fungerend president

enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken

U I T S P R A A K

artikel 8:81 en 8:86 Algemene Wet Bestuursrecht (Awb)

artikel 33a, 34a en 34j Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr: AWB 00/70857 OVERIO H (voorlopige voorziening)

AWB 00/70858 OVERIO H (beroepszaak)

AWB 00/70859 OVERIO H (vrijheidsontneming)

inzake: A, geboren op [...] 1967, van gestelde Iraakse nationaliteit, verblijvende in het Grenshospitium te Amsterdam, verzoeker,

gemachtigde: mr. A.A. van Harmelen, advocaat te Wassenaar

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. H.M. Schaak, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te 's-Gravenhage.

1. GEGEVENS INZAKE HET GEDING

1.1 Aan de orde is het verzoek om voorlopige voorziening hangende het beroep van verzoeker tegen de beschikking van verweerder van 18 november 2000. Deze beschikking is genomen in het kader van de zogenoemde AC-procedure en

behelst de niet-inwilliging van de aanvraag om toelating als vluchteling en strekt tevens tot het niet verlenen van een vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard. Verzocht wordt om schorsing van de

beslissing van verweerder om uitzetting niet achterwege te laten totdat op het beroep tegen voormelde beschikking is beslist.

1.2 Voorts is aan de orde het beroep gericht tegen de vrijheidsontnemende maatregel van artikel 7a Vw die verweerder verzoeker met ingang van 15 november 2000 heeft opgelegd. Dit beroep strekt tevens tot toekenning van

schadevergoeding.

1.3 De openbare behandeling van de geschillen heeft plaatsgevonden op 28 november 2000. Daarbij hebben verzoeker en verweerder bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet. Voorts is verzoeker ter zitting

gehoord.

1.4 De president heeft aanleiding gezien het onderzoek ter zitting niet te sluiten teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen nadere informatie te verstrekken. Verzoeker is in de gelegenheid gesteld om op deze informatie

zijn reactie te geven.

1.5 Verweerder heeft de informatie ingezonden bij fax-bericht van 30 november 2000. Verzoeker heeft diezelfde dag, eveneens bij fax-bericht, zijn reactie op de door verweerder verstrekte informatie gegeven.

1.6 De president heeft vervolgens het onderzoek op 1 december 2000 gesloten en bepaald dat heden de uitspraak zal volgen.

2. OVERWEGINGEN

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien

onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, zulks vereist.

2.2 Op grond van artikel 8:86 van de Awb heeft de president na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan

bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Er bestaat in dit geval aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

2.3 De AC-procedure voorziet in een afdoening van asielverzoeken binnen 48 uur.

Deze procedure leent zich slechts voor die asielverzoeken waaromtrent binnen deze korte termijn procedureel en inhoudelijk naar behoren kan worden beslist.

2.4 Bij de beoordeling of in het onderhavige geval van een zodanig verzoek sprake is, is het volgende van belang.

2.5 Ingevolge Vc B7/3 bestaat de AC-procedure uit twee gedeelten. Het eerste gedeelte betreft de formele indiening van de asielaanvraag en, in het eerste gehoor, de vaststelling van de identiteit, nationaliteit en reisroute. In

het tweede gedeelte wordt de asielaanvraag inhoudelijk beoordeeld. Een beschikking wordt uiterlijk een uur voor het einde van de AC-termijn uitgereikt, zodat de beschikking het laatste uur kan worden besproken met een

rechtsbijstandverlener die aangeeft of een rechtsmiddel wordt aangewend. In principe vindt doorverwijzing naar een OC plaats indien de AC-procedure langer duurt dan 48 procesuren. In hoofdstuk B7/3.2 Vc zijn vervolgens de

uitgangspunten voor afdoening gegeven. Daar is onder andere vastgelegd dat indien de rechtsbijstand de haar toebedeelde tijd overschrijdt, de klok wordt stilgezet. De tijd voor rechtsbijstand gaat lopen vanaf het moment dat de zaak

bij de rechtsbijstand wordt aangemeld en loopt af zodra de zaak bij de planning van de IND telefonisch wordt afgemeld en eventuele schriftelijke reacties zijn overhandigd. In Vc B7/5.3 is, voor zover hier van belang, bepaald dat de

vreemdeling maximaal drie uur heeft voor nabespreking van het nader gehoor.

2.6 Verzoeker heeft aangevoerd dat er sprake is van een overschrijding van de termijn die verweerder voor de afdoening van de aanvraag binnen de AC-procedure had mogen gebruiken. Uit de gegevens blijkt dat de beschikking

uiterlijk op 18 november 2000 om 17:30 uur uitgereikt had dienen te worden. Nu dat pas om 17:46 is gebeurd is de AC-termijn verstreken en had doorzending naar het OC dienen plaats te vinden.

Voorts heeft verzoeker gesteld dat circa 25 minuten van de tijd die voor rechtshulp beschikbaar was verloren is gegaan, doordat verweerder verzoeker - zonder overleg met rechtshulp - voor een consult naar de medische dienst

heeft gebracht in de tijd die voor de nabespreking van het nader gehoor beschikbaar was. Direct na afloop van de nabespreking heeft de aanwezige rechtshulpverlener hierover geklaagd en aangegeven het niet eens zijn met het door

verweerder gehanteerde tijdstip waarop de nabespreking van het nader gehoor zou zijn afgerond.

2.7 Verweerder stelt zich op het standpunt dat de beschikking tijdig, want binnen 48 uur na aanvang van de AC-procedure is uitgereikt. Ook indien er van uitgegaan moet worden dat verweerder de beschikking te laat heeft

uitgereikt dan dient deze termijnoverschrijding voor rekening van verzoeker te komen. Uit de beschikbare gegevens blijkt immers dat het verslag van het nader gehoor op 18 november 2000 om 14:05 uur aan de gemachtigde van verzoeker

is uitgereikt, het zwaarwegend advies om 17:15 is opgesteld en om 17.18 door verweerder is ontvangen, zodat de nabespreking van het nader gehoor op dat laatste tijdstip is afgerond. De beschikbare tijd voor de nabespreking van het

nader gehoor is dan ook door rechtshulp met 13 minuten overschreden.

Indien er niettemin van uitgegaan zou worden dat deze termijnoverschrijding voor rekening van verweerder komt, dan leidt dit niet tot een fatale termijn overschrijding, nu verzoeker hierdoor niet in zijn belangen is

geschaad. In dit verband is verwezen naar de door verweerder overgelegde brief van 16 oktober 2000 van L. Mulder, waarnemend hoofd van de afdeling Uitvoeringsbeleid van de IND aan de deelnemers van het Beleidsoverleg over de

invoering van het zogenaamde "vovo-uurtje".

De president overweegt als volgt.

2.8 Uit de gedingstukken blijkt het volgende. Verzoeker is op 15 november 2000 om 12:30 uur bij het AC aangemeld. Op 18 november 2000 om 14:05 uur is het verslag van nader gehoor aan de rechtshulp overhandigd. Diezelfde dag om

16:30 uur heeft verzoeker een bezoek gebracht aan de medische dienst. Om 17:15 uur heeft de rechtshulpverlener het zwaarwegend advies afgerond, hetwelk door verweerder om 17:18 uur is ontvangen. Hoewel uit de stukken niet duidelijk

wordt hoe laat verzoeker van de medische dienst is teruggekeerd, wordt aangenomen, gelet op de mededeling van de gemachtigde van verzoeker, welke door verweerder ter zitting mondeling noch later schriftelijk is weersproken, dat met

het bezoek van verzoeker aan de medische dienst in totaal 25 minuten gemoeid is geweest.

2.9 Uit het vorenstaande volgt dat de AC-procedure met de aanmelding van verzoeker bij het AC op 15 november 2000 om 12:30 uur is aangevangen. De beschikking diende dan ook uiterlijk op 18 november 2000 om 17:30 uur door

verweerder te zijn uitgereikt. Vast staat dat dit om 17:46 uur is gebeurd, derhalve te laat. Anders dan verweerder is de president van oordeel dat deze termijnoverschrijding niet voor rekening van rechtshulp komt. De

rechtshulpverlener heeft het zwaarwegend advies weliswaar om 17:18 uur aan verweerder overhandigd en daarmee de hem toebedeelde tijd van drie uur met dertien minuten overschreden, doch daar staat tegenover dat verweerder in de voor

rechtshulp beschikbare tijd, zonder enig overleg, verzoeker voor een bezoek aan de medische dienst heeft meegenomen, waardoor de rechtshulpverlener in tijdnood is geraakt. De daardoor ontstane overschrijding van de voor de

bespreking van het nader gehoor beschikbare tijd kan in redelijkheid niet ten nadele van rechtshulp strekken en dient dan ook voor rekening van verweerder te komen. Dat het bezoek aan de medische dienst in belang van verzoeker was

doet daaraan niet af, reeds niet omdat dit een ander belang betreft dan het belang, gediend met de nabespreking van het nader gehoor.

2.10 Vervolgens dient de vraag beantwoord te worden of de te late uitreiking van de beschikking moet leiden tot gegrondverklaring van het beroep. De president beantwoordt deze vraag bevestigend en heeft daartoe het volgende

overwogen.

2.11 Uit de beleidsregel dat de beschikking uiterlijk één uur voor het einde van de termijn moet worden uitgereikt opdat de rechtshulpverlener kan aangeven of een rechtsmiddel wordt aangewend, kan worden afgeleid dat het laatste

uur van de procedure exclusief gereserveerd is voor de rechtshulp en de AC-procedure voor wat betreft verweerder eindigt op het zevenenveertigste uur van die procedure. Dit is ook op te maken uit het verslag van het overleg van 15

november 1999 tussen onder meer de IND, SRA, VWN en de Staatsecretaris van Justitie, waaruit in de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle van 5 oktober 2000 (Awb 00/63259) als volgt is geciteerd:

"Voor de invoering van de 48-uursprocedure was de inschatting dat veel zaken ruim binnen 48 procesuren afgedaan zouden kunnen worden. Nu blijkt dit moeilijk te realiseren. Voor AC-waardige zaken geldt dat het eindpunt van de

AC-procedure de beschikking is. Het instellen van een rechtsmiddel - dat kan worden ingesteld binnen een termijn die veel langer is dan één uur - hoort daar strikt genomen niet bij. In de praktijk wordt ook lang niet altijd binnen

één uur na de beschikking een vovo ingediend. Om recht te doen aan de erkenning van het feit dat rechtsbijstand een rol heeft in de afronding van het AC-proces, zal het TBV als volgt worden aangepast: "een beschikking wordt

uiterlijk een uur voor het einde van de AC-termijn uitgereikt zodat de beschikking in het laatste uur kan worden besproken met een rechtsbijstandverlener die aan het eind van dat uur aangeeft of een rechtsmiddel wordt aangewend".

Voorts blijkt uit de door verweerder aangehaalde, hierboven onder 2.7 aangeduide brief van 16 oktober 2000 dat naar aanleiding van het conceptverslag van het Beleidsoverleg van 29 augustus 2000 als ook de eerrdergenoemde

uitspraak van zittingsplaats Zwolle van 5 oktober 2000 verwarring is ontstaan over de invoering van het zogeheten "vovo-uurtje". In de brief is vervolgens het volgende opgemerkt:

Deze herinvoering van het zogeheten VOVO-uur heeft als uitgangspunt dat de beschikking uiterlijk op het 47e uur dient te zijn uitgereikt. Echter mocht de beschikking nà het 47e uur doch vóór het einde van het 48e uur zijn

uitgereikt dan dient er in het individuele geval getoetst te worden of betrokkenen door de termijnoverschrijding in zijn belangen is geschaad. Indien betrokkenen niet in zijn belangen is geschaad dan is de termijnoverschrijding niet

als fataal aan te merken. Dit is conform de jurisprudentie betreffende het VOVO-uur zoals ook gold onder de 24-uursprocedure.

Met de tekst in de Vreemdelingencirculaire (Vc) betreffende het VOVO-uur is eveneens bedoeld dat de oude handelwijze met betrekking tot de uitreiking zou herleven.

2.12 De president begrijpt het standpunt van verweerder aldus dat met de invoering van het "vovo-uurtje" in de tekst van de Vc de oude handelwijze - belangenafweging bij uitreiking van de beschikking in het laatste uur van de

procedure - is herleefd. Vastgesteld wordt evenwel dat, gezien de inhoud van de brief, tussen de deelnemers aan het Beleidsoverleg kennelijk geen overeenstemming bestaat over de strekking van de desbetreffende tekst. Nu bovendien

het verslag van de bespreking hierover tijdens het beleidsoverleg van 29 augustus 2000 nog slechts de concept-status heeft en mitsdien niet definitief is vastgesteld, ziet de president geen aanleiding om nu reeds uit te gaan van de

uitleg die verweerder aan de herinvoering van het "vovo-uurtje" geeft. Verweerder dient dan ook vooralsnog gehouden te worden aan de (uiterste) termijn die hij zichzelf voor het uitreiken van de beschikking in zijn beleid gesteld

heeft.

2.13 Reeds gelet op het vorenstaande moet geoordeeld worden dat de onderhavige zaak zich niet leende voor afdoening binnen de AC-procedure.

2.14 Het beroep tegen de afwijzende beschikking op de asielaanvraag van verzoeker zal dan ook gegrond worden verklaard. Gegeven deze beslissing bestaat geen aanleiding meer voor toewijzing van het verzoek om voorlopige

voorziening.

2.15 Gelet op de gegrondverklaring van het beroep behoeven de overige grieven van verzoeker geen beantwoording meer.

2.16 Met betrekking tot de aan verzoeker opgelegde maatregel overweegt de rechtbank allereerst dat gesteld noch gebleken is dat de oplegging van de maatregel onrechtmatig is geweest.

2.17 Gelet op voormelde gegrondverklaring van het beroep is echter de grond voor de voortgezette toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel komen te ontbreken. Het beroep tegen de voortduring van de maatregel na de

beslissing op de aanvraag is derhalve gegrond.

2.18 Nu de toepassing van de maatregel vanaf 18 november 2000 onrechtmatig is geweest, bestaat er aanleiding om verzoeker voor de dagen die hij nadien heeft doorgebracht in het Aanmeldcentrum respectievelijk het Grenshospitium

een schadevergoeding toe te wijzen van ƒ 1450,-- (ƒ 150,-- voor de dag doorgebracht in het Aanmeldcentrum en  1300,-- voor de dertien dagen die hij heeft doorgebracht in het Grenshospitium).

2.19 In dit geval ziet de president aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten, zulks met inachtneming van het Besluit proceskosten

bestuursrecht. De kosten zijn op voet van het bepaalde in het bovengenoemde Besluit vastgesteld op ƒ 1.420,-- (1 punt voor het verzoekschrift, beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1). Aangezien ten

behoeve van verzoeker een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge het tweede lid van artikel 8:75 Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier.

2.20 De president ziet tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:82, vierde lid, Awb, te bepalen dat verweerder aan verzoeker het zowel voor de hoofdzaak als voor het verzoek om voorlopige voorziening betaalde

griffierecht ad telkens ƒ 50,-- zal vergoeden.

3. BESLISSING

De fungerend president:

3.1 verklaart het beroep gegrond en vernietigt de bestreden beschikking van 18 november 2000;

3.2 draagt verweerder op een nieuwe beschikking te nemen op de aanvraag van 15 november 2000;

3.3 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad ƒ 1.420,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, moet voldoen;

3.5 wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door verzoeker betaalde griffierecht ad tweemaal ƒ 50,--.

De rechtbank:

3.6 verklaart het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel ex artikel 7a, tweede en derde lid, Vw gegrond en beveelt de opheffing van de maatregel van verzoeker met ingang van heden;

3.7 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad ƒ 710,--, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon, die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, moet voldoen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.C. Greeuw, fungerend president, tevens lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken, en uitgesproken in het openbaar op 1 december 2000, in tegenwoordigheid van mr. A.M. Meesters

als griffier.

afschrift verzonden op: 4 december 2000

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage, voor zover het betreft de beslissing inzake schadevergoeding. De Officier van Justitie kan binnen veertien dagen na de uitspraak en de vreemdeling

binnen een maand na de betekening van de uitspraak hoger beroep instellen door het indienen van een verklaring als bedoeld in de artikelen 449 en 451a van het Wetboek van Strafvordering bij de Arrondissementsrechtbank te

's-Gravenhage, zittingsplaats Haarlem.

Voor het overige staat geen gewoon rechtsmiddel open.