Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AB0367

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-11-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/69850, AWB 00/69851, AWB 00/69852
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

AC-procedure / termijnoverschrijding / rechtsbijstand.

Het aanmelden van een zaak bij de rechtsbijstand op een tijdstip kort gelegen voor sluiting van het aanmeldcentrum moet in beginsel als onwenselijk worden beschouwd. Dit neemt in het onderhavige geval echter niet weg dat de termijnoverschrijding was te wijten aan een tolkenprobleem. Hoewel uit de stukken niet kan worden afgeleid dat verweerder de rechtsbijstandverlener op het moment van de termijnoverschrijding voor de nabespreking van het nader gehoor heeft gewezen op die overschrijding, is evenmin gebleken dat op het moment dat het tolkenprobleem zich voordeed, van de zijde van de rechtshulp aan de bel is getrokken teneinde in onderling overleg een oplossing te vinden. Onder die omstandigheden acht de president het niet redelijk de termijnoverschrijding door de rechtsbijstand zonder meer als proceduretijd te doen gelden en voor rekening van verweerder te laten komen.

Verzoeker heeft zich nog beroepen op verweerders werkinstructie 209, waarin is vermeld dat voormalig FAZ-generaals verdacht kunnen worden van steun aan rebellen en dat dit een indicatie vormt voor het verlenen van een A-status. Uit die instructie blijkt echter niet dat familieleden van hoge militairen eenzelfde steun wordt toegedicht en zij eveneens te vrezen hebben voor vervolging.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:86
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Haarlem

fungerend president

enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken

U I T S P R A A K

artikel 8:81 en 8:86 Algemene Wet Bestuursrecht (Awb)

artikel 33a, 34a en 34j Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr: AWB 00/69850 VRWET H (voorlopige voorziening)

AWB 00/69851 VRWET H (beroepszaak)

AWB 00/69852 VRWET H (vrijheidsontneming)

inzake: A, geboren op [...] 1972, van Congolese nationaliteit, verblijvende in het Grenshospitium te Amsterdam, verzoeker,

gemachtigde: mr. L. Vellenga-van Nieuwkerk, advocaat te Alkmaar,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. M. Ramsaroep, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te 's-Gravenhage.

1. GEGEVENS INZAKE HET GEDING

1.1 Aan de orde is het verzoek om voorlopige voorziening hangende het beroep van verzoeker tegen de beschikking van verweerder van 12 november 2000. Deze beschikking is genomen in het kader van de zogenoemde AC-procedure en

behelst de niet-inwilliging van de aanvraag om toelating als vluchteling en strekt tevens tot het niet verlenen van een vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard. Verzocht wordt om schorsing van de

beslissing van verweerder om uitzetting niet achterwege te laten totdat op het beroep tegen voormelde beschikking is beslist.

1.2 Voorts is aan de orde het beroep gericht tegen de vrijheidsontnemende maatregel van artikel 7a Vw die verweerder verzoeker met ingang van 8 november 2000 heeft opgelegd. Dit beroep strekt tevens tot toekenning van

schadevergoeding.

1.3 De openbare behandeling van de geschillen heeft plaatsgevonden op 21 november 2000. Daarbij hebben verzoeker en verweerder bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet. Voorts is verzoeker ter zitting

gehoord.

2. OVERWEGINGEN

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien

onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, zulks vereist.

2.2 Op grond van artikel 8:86 van de Awb heeft de president na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan

bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Er bestaat in dit geval aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

2.3 De AC-procedure voorziet in een afdoening van asielverzoeken binnen 48 uur.

Deze procedure leent zich slechts voor die asielverzoeken waaromtrent binnen deze korte termijn procedureel en inhoudelijk naar behoren kan worden beslist.

2.4 Bij de beoordeling of in het onderhavige geval van een zodanige aanvraag sprake is, is het volgende van belang.

2.5 Bij de beoordeling of er in dit kader sprake is van termijnoverschrijding is het volgende van belang.

2.6 Ingevolge het door verweerder gevoerde beleid, neergelegd in hoofdstuk B7/3 Vc 1994, bestaat de AC-procedure uit twee fasen. Het eerste deel betreft het onderzoek naar identiteit, nationaliteit en reisroute. Het tweede deel

betreft de beoordeling van de asielaanvraag. Voor het tweede deel zijn maximaal 24 procesuren beschikbaar. Indien de eerste fase langer dan 24 uur duurt, gaat dit ten koste van de tijd die beschikbaar is voor de tweede fase.

In principe vindt doorverwijzing naar een OC plaats indien de AC-procedure langer duurt dan 48 procesuren.

Er is, aldus hoofdstuk B7/3, evenwel geen sprake van termijnoverschrijding indien (onder meer) de asielzoeker binnen de 48 procesuren meer tijd benut met rechtsbijstand dan de termijnen die daarvoor formeel beschikbaar zijn.

Deze extra tijd is in het belang van de asielzoeker en geldt niet als proceduretijd.

Ingevolge hoofdstuk B7/5 Vc 1994 heeft de asielzoeker voor aanvang van het nader gehoor gedurende maximaal twee uur de gelegenheid om met behulp van een rechtsbijstandverlener het verslag van het eerste gehoor en overige

onderzoeksresultaten uit de eerste fase na te bespreken en zich voor te bereiden op het nader gehoor.

Na afronding van het nader gehoor krijgt de asielzoeker maximaal drie uur de gelegenheid te reageren op het voornemen van verweerder de asielaanvraag niet in te willigen en het rapport van het nader gehoor na te bespreken.

2.7 Niet in geschil is dat de rechtshulp in de eerste fase 2 uur en 25 minuten heeft besteed aan de voorbespreking van het nader gehoor en in de tweede fase 7 uur en 25 minuten aan de nabespreking ervan. Evenmin is in geschil

dat de beschikking 40 minuten te laat is uitgereikt. Het geschil spitst zich toe op de vraag welke partij de termijnoverschrijding dient te worden aangerekend.

2.8 Verweerder heeft zich onder verwijzing naar zijn beleid, zoals neergelegd in de Vreemdelingencirculaire, op het standpunt gesteld dat in casu van termijnoverschrijding geen sprake is, nu in voorkomende gevallen de klok wordt

stilgezet. De tijdsoverschrijding van de beschikbare uren door de rechtshulp bedraagt in de tweede fase 4 uur en 25 minuten.

2.9 Verzoeker heeft betoogd dat de 48-uurstermijn wel degelijk is overschreden. Daartoe is betoogd dat verzoeker op 10 november 2000 om 21.25 is aangemeld voor het tweede gehoor, zulks terwijl het Aanmeldcentrum sluit om 22.00

uur. Die tijd is, aldus de gemachtigde, verloren tijd en kan niet voor rekening komen van de rechtshulp. Voorts is de overschrijding van 4 uur en 25 minuten in de tweede fase bij de nabespreking van het nader gehoor te wijten aan de

grote moeite die het heeft gekost een tolk Lingala te regelen. Ten slotte heeft ook verweerder zelf ook bijna 7 uur laten verstrijken alvorens het tweede gehoor af te nemen.

2.10 De president stelt voorop dat het aanmelden van de zaak bij de rechtsbijstand op een tijdstip kort gelegen voor sluiting van het aanmeldcentrum in beginsel als onwenselijk moet worden beschouwd. Dit neemt in het onderhavige

geval echter niet weg dat de termijnoverschrijding van 4 uur en 25 minuten aan de zijde van rechtshulp is toe te schrijven aan een probleem bij het verkrijgen van een tolk Lingala. Ingevolge B7/3.2 van de Vc, ligt de

verantwoordelijkheid voor het tijdig inzetten van tolken niet alleen bij de IND maar ook bij de rechtsbijstand. Hoewel uit de stukken niet kan worden afgeleid dat verweerder de rechtsbijstandverlener op het moment van overschrijding

van de beschikbare termijn voor de nabespreking van het nader gehoor heeft gewezen op die overschrijding, is evenmin gebleken dat op het moment dat het tolkenprobleem zich voordeed, van de zijde van de rechtshulp aan de bel is

getrokken teneinde in onderling overleg een oplossing te vinden. Onder die omstandigheden acht de president het niet redelijk de termijnoverschrijding door de rechtsbijstand zonder meer als proceduretijd te doen gelden en voor

risico van verweerder te laten komen waardoor een (overigens geringe) overschrijding van de 48-uurstermijn zou ontstaan.

2.11 Voor de conclusie dat verweerder vanwege "een gekkenhuis" op het Aanmeldcentrum, zoals de gemachtigde van verzoeker ter zitting heeft aangegeven, en de onevenredige belasting die dat meebrengt voor de rechtshulp gehouden was

tot afwijking van het in de vreemdelingencirculaire neergelegde beleid ten gunste van verzoeker acht de president geen termen aanwezig. In dit verband wordt overwogen dat het in beginsel op de weg ligt van de SRA om zorg te dragen

voor voldoende bezetting van haar bureau en dat ingeval van onverwachte drukte, SRA binnen de voor haar beschikbare termijn dient te zorgen voor de beschikbaarheid van extra menskracht.

2.12 De gemachtigde heeft bij de gronden van het beroepschrift rapporten overgelegd van de OSAR en Amnesty International en zich op het standpunt gesteld dat deze zaak zich, gelet op de zorgwekkende algemene situatie in de DRC,

niet leende voor afdoening in AC. De president verwerpt dit betoog, omdat de situatie in de DRC niet zo zorgwekkend is dat beoordeling van de AC-waardigheid niet kan plaatsvinden aan de hand van het individuele relaas.

2.13 Aangaande de inhoud van het asielrelaas van verzoeker overweegt de president als volgt. De kern van verzoekers relaas betreft zijn vrees te worden vervolgd door de Congolese veiligheidsdiensten ANR en DEMIAP. Verzoeker is

nimmer lid van een politieke partij of beweging geweest. In 1997 is verzoeker van zijn geboorteplaats Ngidinga naar Kinshasa verhuisd, alwaar hij tot maart 2000 bij zijn zuster B heeft gewoond. Deze zuster was weer getrouwd met C,

welke laatstgenoemde een zoon had uit een eerder huwelijk, D. C was kolonel onder Mobutu en D is rebellenleider en heeft de opstand in Baskongo geleid. De ouders van verzoeker zijn vermoord, en zijn broers zijn opgepakt. De vader

van verzoeker was voormalig lid van de Faz en zodoende op de hoogte van strategische informatie, die hij heeft doorgespeeld aan D. De ouders van verzoeker hebben zich aldus tot vijand van Kabila gemaakt en zijn door Kabila naar een

kamp in Kitona gestuurd, waarvan Kabila wist dat het zou worden gebombardeerd door de Angolezen. Dat heeft verzoeker van anderen gehoord. Verzoeker heeft D in 1998 helpen vluchten naar Angola. Nu vreest hij als neef van D voor zijn

leven: hij werd namelijk regelmatig gezien met D. Eerder werd verzoeker bij problemen door C beschermd. Zo is hij bijvoorbeeld eind 1999 een keer opgepakt en ondervraagd over de verblijfplaats van D. Na drie dagen te zijn

vastgehouden is hij met behulp van C vrijgekomen. C is echter in maart 2000 opgepakt. Na de aanhouding van C is verzoeker door een Moluba, werkzaam bij de ANR, ingelicht dat hij werd gezocht. Vervolgens heeft verzoeker het huis van

zijn zuster verlaten en is op en neer gaan reizen tussen Brazzaville en Kinshasa. Eind 1999 heeft verzoeker zijn dossier bij de veiligheidsdienst DEMIAP gezien. Het enige dat hij zich kan herinneren is dat zijn naam als gezocht

persoon erin voorkwam. Van september 2000 tot eind oktober 2000 heeft verzoeker in een armenhuis gewoond in Kinshasa.

2.14 Verzoeker is van mening dat zijn asielrelaas onvoldoende uit de verf is gekomen en dat de contactambtenaar nader had moeten doorvragen over bepaalde onderwerpen. De rechtbank stelt voorop dat in een dergelijke situatie er

voor verweerder wel aanknopingspunten dienen te zijn. Dergelijke aanknopingspunten zijn bijvoorbeeld gelegen in aanwijzingen dat de asielzoeker de strekking van de gestelde vragen onvoldoende heeft begrepen. In de onderhavige zaak

is daarvan niet gebleken. Blijkens het rapport van gehoor is door de contactambtenaar verscheidene keren de vraag herhaald, als daarop door verzoeker een onbevredigend antwoord werd gegeven. Verzoeker is daarop op bepaalde punten,

zoals bijvoorbeeld de reden waarom hij zou worden gezocht, vaag gebleven. De president is dan ook van oordeel dat verweerder hierbij niet onzorgvuldig te werk is gegaan. Voorts ligt op de weg van verzoeker volledige opening van

zaken te geven over de aspecten van zijn asielrelaas. Verzoeker heeft dit niet gedaan. Zo is verzoeker uiterst vaag gebleven over de aandacht van de autoriteiten en veiligheidsdiensten voor zijn persoon en over de wijze waarop hij

op de hoogte is geraakt van de lotgevallen van zijn familieleden. In dit verband verdient voorts opmerking dat de president, anders dan de gemachtigde heeft betoogd, niet is gebleken dat verzoeker een spraakgebrek heeft waardoor hij

moeilijk zijn verhaal naar voren kan brengen.

2.15 Voorts kan er niet aan worden voorbijgegaan dat verzoeker zich bij aankomst op Schiphol aanvankelijk heeft bediend van valse personalia en zich heeft voorgedaan als E. Eerst na confrontatie met de paspoortkopieën die waren

verkregen van de aanvoerende luchtvaartmaatschappij, heeft verzoeker zijn eerder afgelegde verklaringen herroepen en zijn ware naam opgegeven zoals die in het paspoort stond vermeld. Daarnaast heeft verzoeker zeer weinig over zijn

reisroute kunnen verklaren en wordt zijn verklaring hiervoor, namelijk dat hij te veel had gedronken, niet afdoende geacht.

Voormelde gang van zaken doet ernstig afbreuk aan het serieuze gehalte van verzoekers ware asielmotieven.

2.16 Daarnaast deelt de president de mening van verweerder dat de oorzaak dat verzoeker zeer weinig heeft kunnen verklaren en vaag is gebleven, veeleer is gelegen in de omstandigheid dat verzoeker zelf geen persoonlijke negatieve

aandacht van de zijde van de autoriteiten heeft ondervonden. Zijn vrees te worden gearresteerd door de DEMIAP danwel ANR is geheel en al op vermoedens gebaseerd en heeft hij geheel en al van horen zeggen. Dit geldt evenzeer voor

hetgeen verzoeker heeft verklaard omtrent de dood van zijn ouders en de arrestatie van zijn broers. Weliswaar heeft verzoeker verklaard dat hij een keer is opgepakt door de DEMIAP en aldaar inzage heeft gehad in zijn dossier, maar

van de inhoud van dat dossier heeft verzoeker, daarnaar uitgebreid door verweerder gevraagd, niets kunnen vertellen.

2.17 Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat verzoeker vervolging door de Congolese overheid ook niet andere wijze aannemelijk heeft gemaakt. Weliswaar heeft hij aangevoerd dat hij door de arrestatie van C in

maart 2000 niet meer heeft kunnen rekenen op diens bescherming, maar verzoeker heeft ook verklaard dat hij tot september nog heen en weer is blijven reizen tussen Kinshasa en Brazzaville en in Kinshasa nog in een armenhuis heeft

verbleven. Kennelijk heeft verzoeker zijn eigen situatie in Congo in deze periode niet als gevaarlijk ingeschat.

2.18 Verzoeker heeft zich nog beroepen op verweerders werkinstructie 209, waarin is vermeld dat voormalig FAZ-generaals verdacht kunnen worden van steun aan rebellen en dat dit indicatie vormt voor het verlenen van een A-status.

Uit die instructie blijkt echter niet dat familieleden van hoge militairen eenzelfde steun wordt toegedicht en zij eveneens te vrezen hebben voor vervolging. Dit betoog faalt derhalve.

2.19 Tot slot heeft de gemachtigde zich op het standpunt gesteld dat de beschikking een tegenstrijdigheid bevat. Zo wordt verzoeker tegengeworpen legaal te zijn uitgereisd, maar tevens wordt hem de Wet Ongedocumenteerden

tegengeworpen omdat het paspoort niet langs legale weg is verkregen en slechts een kopie van dat paspoort voorhanden is.

De president begrijpt de desbetreffende passage in de bestreden beschikking aldus dat verzoeker op zijn eigen naam is uitgereisd en hij derhalve gemakkelijk zou zijn opgevallen als hij daadwerkelijk zou worden gezocht.

Daaraan doet niet af verweerders terechte en los daarvan staande tegenwerping dat het paspoort niet op legale wijze is verkregen.

2.20 Uit het voorgaande volgt dat in redelijkheid buiten twijfel is dat bij terugzending van verzoeker naar het land van herkomst geen gevaar voor vervolging c.q. schending van artikel 3 EVRM bestaat.

2.21 Uit het voorgaande volgt tevens dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan beoordeling van de hoofdzaak en dat deze slechts in ongegrondverklaring van het beroep kan eindigen. De president ziet derhalve

aanleiding om met toepassing van artikel 8:86 Awb onmiddellijk op dat beroep te beslissen. Dat brengt mee dat het verzoek om voorlopige voorziening bij gebrek aan belang dient te worden afgewezen.

2.22 Voorts ziet de rechtbank geen grond om de oplegging dan wel de voortduring van de aan verzoeker opgelegde maatregel onrechtmatig te achten. De toepassing ervan is in overeenstemming met het terzake door verweerder gevoerde

beleid dat is neergelegd in hoofdstuk B7/14 van de Vreemdelingencirculaire (Vc). Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de belangen van verzoeker bij invrijheidstelling zwaarder wegen dan het belang van verweerder bij de

toepassing en voortduring van de maatregel is niet gebleken.

2.23 Ook het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel is derhalve ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt dan ook afgewezen.

2.24 Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is niet gebleken.

3. BESLISSING

De fungerend president:

3.1 verklaart het beroep ongegrond;

3.2 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

De rechtbank:

3.3 verklaart het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel ongegrond;

3.4 wijst het verzoek om toekenning van schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.A.M. van Brussel, fungerend president, tevens lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken, en uitgesproken in het openbaar op 23 november 2000, in tegenwoordigheid van mr. S.O.

Vos als griffier.

afschrift verzonden op: 23 november 2000

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage, voor zover het betreft de beslissing inzake schadevergoeding. De Officier van Justitie kan binnen veertien dagen na de uitspraak en de vreemdeling

binnen een maand na de betekening van de uitspraak hoger beroep instellen door het indienen van een verklaring als bedoeld in de artikelen 449 en 451a van het Wetboek van Strafvordering bij de Arrondissementsrechtbank te

's-Gravenhage, zittingsplaats Haarlem.

Voor het overige staat geen gewoon rechtsmiddel open.