Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AB0366

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-11-2000
Datum publicatie
19-08-2002
Zaaknummer
AWB 00/71434
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

AC-procedure / 48-uurstermijn / wijziging nationaliteit.

De president acht voldoende aannemelijk geworden dat in de fase bij de Kmar, voorafgaand aan de AC-procedure, tot de Rwandese nationaliteit geconcludeerd is op grond van een, buiten aanwezigheid van een tolk, zeer moeizaam verlopen gesprek tussen verzoeker en medewerkers van de Kmar en een niet volledig ingevuld vragenformulier. Onder deze omstandigheden kan niet gezegd worden dat met verzoekers opgave in het eerste gehoor dat hij de Keniaanse nationaliteit bezit, sprake is van een wijziging van nationaliteit als bedoeld in hoofdstuk B7/3.2 Vc-1994. Dat verweerder op basis van de door de Kmar getrokken, gebrekkige conclusie heeft aangenomen dat verzoeker de Rwandese nationaliteit bezit, dient voor rekening en risico van verweerder te komen en kan niet ten nadele van verzoeker strekken.

Overigens is niet zonder meer duidelijk hoe de door verweerder gegeven uitleg van de hier aan de orde zijnde beleidsregel zich verdraagt met het doel van het eerste gehoor, dat er juist toe dient om - onder meer - de nationaliteit van de asielzoeker vast te stellen, hetgeen impliceert dat deze alsdan nog niet als vaststaand wordt aangenomen. Verweerders uitleg van genoemde beleidsregel miskent bovendien dat wordt uitgegaan van gegevens die verkregen zijn in een situatie waarin de bijstand van een tolk ontbeerd wordt, waarmee het risico op vergissingen en misverstanden al gauw aanwezig is.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:86
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Haarlem

fungerend president

enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken

U I T S P R A A K

artikel 8:81 en 8:86 Algemene Wet Bestuursrecht (Awb)

artikel 33a, 34a en 34j Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr: AWB 00/71434 VRWET H (voorlopige voorziening)

AWB 00/71435 VRWET H (beroepszaak)

AWB 00/71436 VRWET H (vrijheidsontneming)

inzake: A, geboren op [...] 1978, van Keniaanse nationaliteit, verblijvende in het Grenshospitium te Amsterdam, verzoeker,

gemachtigde: mr. C.J. Schoorl, advocaat te Alkmaar,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. H.M. Schaak, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te 's-Gravenhage.

1. GEGEVENS INZAKE HET GEDING

1.1 Aan de orde is het verzoek om voorlopige voorziening hangende het beroep van verzoeker tegen de beschikking van verweerder van 22 november 2000. Deze beschikking is genomen in het kader van de zogenoemde AC-procedure en behelst

de niet-inwilliging van de aanvraag om toelating als vluchteling en strekt tevens tot het niet verlenen van een vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard. Verzocht wordt om schorsing van de beslissing van

verweerder om uitzetting niet achterwege te laten totdat op het beroep tegen voormelde beschikking is beslist.

1.2 Voorts is aan de orde het beroep gericht tegen de vrijheidsontnemende maatregel van artikel 7a Vw die verweerder verzoeker met ingang van 18 november 2000 heeft opgelegd. Dit beroep strekt tevens tot toekenning van

schadevergoeding.

1.3 De openbare behandeling van de geschillen heeft plaatsgevonden op 28 november 2000. Daarbij hebben verzoeker en verweerder bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet. Voorts is verzoeker ter zitting

gehoord.

2. OVERWEGINGEN

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde

spoed, gelet op de betrokken belangen, zulks vereist.

2.2 Op grond van artikel 8:86 van de Awb heeft de president na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen

aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Er bestaat in dit geval aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

2.3 De AC-procedure voorziet in een afdoening van asielverzoeken binnen 48 uur.

Deze procedure leent zich slechts voor die asielverzoeken waaromtrent binnen deze korte termijn procedureel en inhoudelijk naar behoren kan worden beslist.

2.4 De vraag of van zodanig verzoek sprake is wordt in het navolgende beantwoord.

2.5 Ingevolge Vc B7/3 bestaat de AC-procedure uit twee gedeelten. Het eerste gedeelte betreft de formele indiening van de asielaanvraag, en, in het eerste gehoor, de vaststelling van de identiteit, nationaliteit en reisroute. In

het tweede gedeelte wordt de asielaanvraag inhoudelijk beoordeeld. Indien de AC-procedure langer duurt dan 48 proceduren vindt in principe doorverwijzing naar het OC plaats. In Vc B7/3.2 is vastgelegd dat indien tijdens de

AC-procedure blijkt dat de asielzoeker een andere leeftijd, identiteit, nationaliteit heeft en/of een andere reisroute en/of asielrelaas heeft, de 48 procesuren opnieuw beginnen.

2.6 Namens de vreemdeling is naar voren gebracht dat de 48-uurs termijn is overschreden. Deze termijnoverschrijding is aan verweerder toe te rekenen, omdat verweerder ten onrechte het eerste gehoor heeft gestaakt en de

48-uurstermijn opnieuw heeft laten aanvangen nadat verzoeker in het eerste gehoor heeft aangegeven de Keniaanse nationaliteit te bezitten. Nu verzoeker in het aanmeldtraject bij de Kmar nimmer heeft aangegeven de Rwandese

nationaliteit te bezitten, is geen sprake geweest van een wisseling van nationaliteit en had verweerder de 48-uurstermijn niet opnieuw mogen laten aanvangen. Verweerders aanname, dat verzoeker van Rwandese nationaliteit was,

berustte op een misverstand dat ontstaan was tijdens de aanmelding bij de Kmar. In het gesprek met de medewerkers van de Kmar heeft verzoeker bij de beantwoording van de vraag naar zijn geboorteplaats gemeend te moeten aangeven, in

welk land hij laatstelijk heeft verbleven. Hij heeft toen Rwanda opgeschreven. Dit misverstand valt verzoeker niet te verwijten, nu hij tijdens de aanmelding bij de Kmar heeft aangegeven alleen in het Swahili te kunnen communiceren,

er geen tolk aanwezig was bij het gesprek en verzoeker wegens geringe scholing slechts in beperkte mate het Swahili in geschrift beheerst, waardoor hij het invulformulier van de Kmar niet geheel juist heeft geïnterpreteerd.

2.7 Naar uit een zich bij de gedingstukken bevindend overlegformulier blijkt is de 48-uursprocedure gestopt omdat betrokkene tijdens de intake heeft aangegeven niet de Rwandese nationaliteit te hebben, zoals hij oorspronkelijk had

opgegeven, maar de Keniaanse nationaliteit. De gemachtigde van verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat, ook al moet worden aangenomen dat verzoeker niet doelbewust de Rwandese nationaliteit heeft opgegeven,

verweerder ervan uit mocht gaan dat hij die nationaliteit bezat. Er is dus sprake geweest van een wisseling van nationaliteit, op grond waarvan verweerder ingevolge Vc B7/3.2 de 48-uurstermijn opnieuw mocht laten aanvangen.

2.8 De vraag die thans ter beantwoording voorligt is of verweerder op goede gronden heeft besloten de 48-uursprocedure stop te zetten en opnieuw te doen aanvangen. Dienaangande wordt het volgende overwogen.

2.9 Uit de gedingstukken komt het volgende naar voren. Blijkens een zich in het dossier bevindend werkbriefje van de Kmar is verzoeker vermoedelijk op 17 november 2000 op Schiphol aangekomen, aangezien hij een briefje bij zich had

met daarop de tekst: " 8.00 uur RWANDA" dat geschreven is door een medewerker van de Kmar op het moment dat Bureau Asielzaken gesloten was. Voorts bevindt zich in het dossier een aanmeldformulier met daarop vragen in het Nederlands

en een vertaling in het Swahili. Verzoeker heeft op dit formulier bij "geboorteplaats" ingevuld "Moro" en "Rwanda". Bij "nationaliteit", "woonplaats" en "adres" is niets ingevuld. Verzoeker is op 18 november 2000 om 10:30 naar het

AC gebracht, alwaar hij om 10:50 is aangekomen en is aangemeld. Op 20 november 2000 is een aanvang gemaakt met het eerste gehoor. Verzoeker heeft in dit gehoor desgevraagd aangegeven de Keniaanse nationaliteit te bezitten. De

gehoorambtenaar heeft daarop de vraag gesteld, waarom verzoeker op het aanmeldformulier van de Kmar "Rwanda" heeft aangegeven. Verzoeker heeft hierop geantwoord dat het formulier verkeerd is ingevuld, dat hij uit Kenia komt en dat

hij gezegd heeft dat hij heeft gewerkt in Rwanda, maar geboren is in Kenia.

2.10 Daarnaar ter zitting gevraagd heeft verzoeker de gang van zaken rond het invullen van het Kmar-aanmeldformulier nader toegelicht. Bij het gesprek was geen tolk aanwezig, zodat de communicatie moeizaam verliep. Verzoeker heeft

op aanwijzing- en met hulp van een medewerker van de Kmar het aanmeldformulier ingevuld. Verzoeker was nerveus en hetgeen hij in het Swahili las, drong niet goed tot hem door. De Kmar-medewerker heeft met gebarentaal en door te

wijzen op een landkaart de vragen geprobeerd te verduidelijken. Verzoeker begreep dit aldus dat hij naast zijn geboorteplaats ook de plaats moest aangeven waar hij vandaan kwam, door hem opgevat als het land waar hij het laatt

verbleven heeft. Hierop heeft verzoeker bij "geboorteplaats" naast "Moro", de stad in Kenia waar hij is geboren, "Rwanda" ingevuld.

2.11 De president acht op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting voldoende aannemelijk geworden dat de aanduiding van verzoekers nationaliteit als Rwandese het gevolg is van een gebrekkige communicatie tussen

verzoeker en de medewerkers van de Kmar, waarbij verzoeker bovendien niet rechtstreeks is gevraagd naar zijn nationaliteit - deze vraag is op het aanmeldformulier immers oningevuld gebleven. Tot de Rwandese nationaliteit is dan ook

geconcludeerd op grond van een, buiten aanwezigheid van een tolk, zeer moeizaam verlopen gesprek en een niet volledig ingevuld vragenformulier. Onder deze omstandigheden kan niet gezegd worden dat met verzoekers opgave in het eerste

gehoor dat hij de Keniaanse nationaliteit bezit, sprake is van een wijziging van de nationaliteit als bedoeld in de hierboven weergegeven beleidsregel. Dat verweerder op basis van de door de Kmar getrokken, gebrekkige conclusie

heeft aangenomen dat verzoeker de Rwandese nationaliteit bezit, dient voor rekening en risico van verweerder te komen en kan niet ten nadele van verzoeker strekken.

2.12 De president ziet aanleiding met betrekking tot de hier aan de orde zijnde beleidsregel overigens het volgende op te merken. Gelet op het betoog van verweerders gemachtigde ter zitting acht verweerder deze regel kennelijk niet

slechts van toepassing in de situatie waarin door een asielzoeker in de AC-procedure de hiervoor bedoelde gegevens zijn verstrekt en deze in het verdere verloop van de AC-procedure wijzigen, doch acht verweerder daaronder ook

begrepen de situatie als de onderhavige waarin de door de asielzoeker verstrekte gegevens afwijken van gegevens uit de aan de AC-procedure voorafgaande fase bij de Kmar. Voor de president is niet zonder meer duidelijk hoe deze

uitleg van de beleidsregel zich verdraagt met het doel van het eerste gehoor. Immers dit gehoor dient er juist toe om - onder meer - de nationaliteit van de asielzoeker vast te stellen, hetgeen impliceert dat deze alsdan nog niet

als vaststaand wordt aangenomen. Die uitleg miskent ook - en de onderhavige zaak getuigt daarvan - dat wordt uitgegaan van gegevens, die verkregen zijn in een situatie waarin de bijstand van een tolk ontbeerd wordt, waarmee het

risico op vergissingen en misverstanden al gauw aanwezig is.

2.13 Nu geen sprake is geweest van een wijziging van nationaliteit was er geen grond aanwezig om het eerste gehoor te staken en de 48-uurstermijn opnieuw te doen aanvangen.

2.14 Met verzoeker moet dan ook geconcludeerd worden dat de 48-uurstermijn is overschreden. Deze is aangevangen op 18 november 2000 om 10:50 en liep mitsdien op 21 november 2000 om 16:50 af. De beschikking is in casu eerst op 22

november 2000 om 17:20 uitgereikt, hetgeen een overschrijding oplevert van 14 uur en dertig minuten.

2.15 Het beroep tegen de afwijzende beschikking op de asielaanvraag van verzoeker wordt derhalve gegrond verklaard. Gegeven deze beslissing bestaat geen aanleiding meer voor toewijzing van het verzoek om voorlopige voorziening.

2.16 Met betrekking tot de aan verzoeker opgelegde maatregel overweegt de rechtbank allereerst dat gesteld noch gebleken is dat de oplegging van de maatregel onrechtmatig is geweest.

2.17 Gelet op voormelde gegrondverklaring van het beroep is echter de grond voor de voortgezette toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel Vw komen te ontbreken. Het beroep tegen de voortduring van de maatregel na de

beslissing op de aanvraag is derhalve gegrond.

2.18 Nu de toepassing van de maatregel vanaf 22 november 2000 onrechtmatig is geweest, wordt, gelet op het in het Grenshospitium geldende regime, een schadevergoeding toegekend van ƒ 100,-per dag over 9 dagen.

2.19 In dit geval ziet de president aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten, zulks met inachtneming van het Besluit proceskosten

bestuursrecht. De kosten zijn op voet van het bepaalde in het bovengenoemde Besluit vastgesteld op ƒ 1.420,-- (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van

verzoeker een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge het tweede lid van artikel 8:75 Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier.

2.20 De president ziet tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:82, vierde lid, Awb, te bepalen dat verweerder aan verzoeker het zowel voor de hoofdzaak als voor het verzoek om voorlopige voorziening betaalde griffierecht

ad telkens ƒ 50,-- zal vergoeden.

3. BESLISSING

De fungerend president:

3.1 verklaart het beroep gegrond en vernietigt de bestreden beschikking van 22 november 2000;

3.2 draagt verweerder op een nieuwe beschikking te nemen op de aanvraag van 20 november 2000;

3.3 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad ƒ 1.420,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, moet voldoen;

3.5 wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door verzoeker betaalde griffierecht ad tweemaal ƒ 50,--.

De rechtbank:

3.6 verklaart het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel ex artikel 7a, tweede en derde lid, Vw gegrond en beveelt de opheffing van de maatregel van verzoeker met ingang van 30 november 2000;

3.7 wijst het verzoek om toekenning van schadevergoeding toe;

3.8 kent aan verzoeker ten laste van de Staat (Ministerie van Justitie) een vergoeding toe van ƒ 900,-- (zegge: negen honderd gulden), uit te betalen door de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem;

3.9 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad ƒ 710,--, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon, die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, moet voldoen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.C. Greeuw, fungerend president, tevens lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken, en uitgesproken in het openbaar op 30 november 2000, in tegenwoordigheid van mr. drs. H.J.M. Baldinger

als griffier.

Voornoemd lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken beveelt de tenuitvoerlegging van de in deze uitspraak toegekende schadevergoeding ten bedrage van ƒ 900,-- (zegge: negen honderd gulden).

Aldus gedaan op 30 november 2000, door mr. H.C. Greeuw, lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken.

afschrift verzonden op: 30 november 2000

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage, voor zover het betreft de beslissing inzake schadevergoeding. De Officier van Justitie kan binnen veertien dagen na de uitspraak en de vreemdeling

binnen een maand na de betekening van de uitspraak hoger beroep instellen door het indienen van een verklaring als bedoeld in de artikelen 449 en 451a van het Wetboek van Strafvordering bij de Arrondissementsrechtbank te

's-Gravenhage, zittingsplaats Haarlem.

Voor het overige staat geen gewoon rechtsmiddel open.