Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AB0347

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
31-10-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/8615
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voortgezet verblijf / middelenvereiste / ACV.

Verweerder heeft zich met betrekking tot de IB'60-verklaring over de jaren 1996 en 1997 - onder verwijzing naar het ACV-advies - op het standpunt gesteld dat de overgelegde stukken niet een zodanig structureel beeld geven dat in dit geval op enig moment na 1996 geoordeeld had moeten worden dat er reden was in plaats van de formele overeenkomst, de feitelijke situatie als uitgangspunt te nemen. De rechtbank komt het ACV-advies op dit punt onbegrijpelijk voor, aangezien de ACV in datzelfde advies concludeert dat in 1996 en 1997 feitelijk aan het inkomensvereiste is voldaan. In dit verband had nader gemotiveerd moeten worden waarom het inkomen van eiser niet als structureel kan worden aangemerkt nu hij gedurende twee jaren aan het inkomensvereiste heeft voldaan. Door verweerder zijn geen criteria gegeven aan de hand waarvan het structurele karakter van het inkomen kan worden getoetst. De rechtbank is van oordeel dat de motivering in het advies van de ACV ontoereikend is, zodat verweerder zich niet zonder meer op dit punt op het advies heeft mogen verlaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

enkelvoudige kamer

Uitspraak

artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr.: AWB 99/8615 VRWET

inzake : A, wonende te B, eiser,

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiser, geboren op [...] 1968, bezit de Marokkaanse nationaliteit. Hij verblijft als vreemdeling in de zin van de Vw in Nederland. Op 3 april 1998 heeft eiser bij de korpschef van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland een aanvraag

ingediend om verlenging van een vergunning tot verblijf met als doel: "het verrichten van arbeid al dan niet in loondienst na verbreking huwelijk". Bij besluit van 7 januari 1999 heeft verweerder op deze aanvraag afwijzend beslist.

Eiser heeft tegen dit besluit op 3 februari 1999, aangevuld bij brieven van 15 februari 1999, 24 februari 1999 en 26 februari 1999, bezwaar gemaakt. Eiser is op 28 april 1999 gehoord door de Adviescommissie voor vreemdelingenzaken

(ACV). Eisers bezwaar is bij besluit van 29 juli 1999 overeenkomstig het advies van de ACV ongegrond verklaard.

2. Bij beroepschrift van 26 augustus 1999, aangevuld bij brief van 3 oktober 1999, heeft eiser tegen dit afwijzende besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. In beroep heeft eiser verzocht het bestreden besluit te vernietigen. Bij

het bestreden besluit is eiser uitstel van vertrek verleend gedurende de behandeling van het beroep. Op 3 november 1999 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van

15 september 2000 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2000. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. B.M. Beg, advocaat te Amsterdam. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door gemachtigde mr. J.G.

Blom, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van verweerders ministerie.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

2. Bij de beantwoording van die vraag gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.

Eiser is omstreeks 5 november 1989 Nederland ingereisd. Op 27 december 1989 is eiser te Amsterdam gehuwd met C (hierna: C). Op 29 oktober 1990 heeft eiser een aanvraag om verlening van een vergunning tot verblijf met als doel:

"verblijf bij Marokkaanse echtgenote C" ingediend. Deze vergunning tot verblijf is aan eiser verleend. Eiser is met ingang van 29 oktober 1991 in het bezit gesteld van een C-document ten bewijze van het feit dat hij de status had

gekregen van vreemdeling die op grond van het tweede lid van artikel 10 van de Vw is toegestaan voor onbepaalde tijd in Nederland te verblijven. Eiser is op 9 december 1994 in dienst getreden van Cemsto B.V. te Amsterdam op basis

van een arbeidsovereenkomst met een werkweek van 12,5 uur die, na stilzwijgende voortzetting op 9 juni 1995, wordt geacht te zijn aangegaan voor onbepaalde tijd. Eiser heeft twee IB'60 verklaringen overgelegd waarin staat vermeld

dat het bruto-loon van eiser over 1996 ƒ 24.524,- en over 1997 ƒ 27.524,- bedroeg.

Op 15 augustus 1996 zijn eiser en Fadma feitelijk uiteen gegaan. Op 10 februari 1997 is aan eiser een nieuw C-document verstrekt, geldig tot 12 maart 2002. Op 15 augustus 1997 is het huwelijk van eiser en C ontbonden door

inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 2 juli 1997 in de registers van de burgerlijke stand.

Op 30 maart 1998 is het dienstverband met Cemsto B.V. beëindigd. Eiser heeft een arbeidsovereenkomst overgelegd waaruit blijkt dat hij met ingang van 2 november 1998 in dienst is getreden bij D Schoonmaakdiensten V.O.F. te

Amsterdam, op basis van een dienstverband voor bepaalde tijd tot 2 mei 1999. Op 26 november 1999 is bij de IND binnengekomen een op 25 november 1999 schriftelijk ingediende aanvraag op grond van de tijdelijke regeling witte

illegalen, zoals bedoeld in het Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire (TBV) 1999/23. Bij besluit van 12 juli 2000 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Op 26 juli 2000 heeft eiser een bezwaarschrift tegen dit besluit

ingediend. Dit bezwaar is nog bij verweerder aanhangig.

3. Eiser meent dat met zijn aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend en klemmende redenen van humanitaire aard tot toelating nopen. Daartoe voert hij aan dat eiser in aanmerking komt voor een vergunning

tot vestiging of een vergunning tot verblijf met als doel: "het verrichten van arbeid al dan niet in loondienst na verbreking huwelijk". Daarbij beroept hij zich op de hoofdstukken A4 onder 7.6.1, A4 onder 9 en B1 onder 2 van de

Vreemdelingencirculaire (Vc). Eiser stelt zich op het standpunt dat hij aan verweerder de adreswijziging op het moment van het feitelijk uiteen gaan van partijen heeft doorgegeven en daarbij eveneens heeft medegedeeld dat de relatie

was verbroken. Dit is aannemelijk aangezien de uitnodiging voor het ophalen van een nieuw C-document, geldig tot 12 maart 2002, is gestuurd naar eisers nieuwe adres, zodat de adreswijziging in ieder geval is doorgegeven. Op grond

van de omstandigheid dat aan hem een nieuw C-document is verstrekt mocht eiser er op vertrouwen dat zijn recht op verblijf niet ineens zou worden beëindigd. Eiser heeft ook nimmer de bedoeling gehad of verwacht dat, op het moment

dat hij de echtelijke woning verliet, de relatie duurzaam ontwricht zou zijn. Bovendien heeft eiser in Marokko niemand waar hij op terug kan vallen, aangezien zijn gehele familie in België woonachtig is. Eiser kan zich niet alleen

in Marokko redden.

In beroep heeft eiser aangevoerd dat hij reeds omstreeks 29 oktober 1995 in aanmerking kwam voor een vergunning tot vestiging. Verweerder had eiser ambtshalve op de mogelijkheid van het verkrijgen van een vergunning tot vestiging op

de hoogte moeten stellen en heeft dit ten onrechte nagelaten. Voorts kan deze vergunning tot vestiging thans niet wegens het ontbreken van voldoende middelen van bestaan worden ingetrokken. Eiser beschikte op 15 augustus 1997

duurzaam over voldoende middelen van bestaan. Verweerder moet van de feitelijke situatie uitgaan. Hij kan niet de vergunning tot verblijf of vergunning tot vestiging weigeren omdat eiser op papier iets te weinig verdiende.

Ter zitting heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat de omstandigheid dat eiser na de peildatum op staande voet ontslagen is niet afdoet aan het feit dat hij op de peildatum wel over voldoende middelen van bestaan beschikte.

Eiser is in 1994 begonnen met werken bij twee werkgevers, Cemsto B.V. en het Carlton hotel. In 1996 is eiser bij het Carlton hotel ontslagen. Voorts zijn de door eiser overgelegde salarisspecificaties enigszins verwarrend, aangezien

eiser bij twee verschillende filialen van Cemsto B.V. werkte en hij bij ieder filiaal een aparte opgave kreeg. De omstandigheid dat eiser van week 33 tot week 37 niet heeft gewerkt kan hem niet worden tegengeworpen, aangezien hij in

deze weken – net als veel andere mensen – op vakantie is geweest. Het overwerk van eiser was structureel, in ieder geval over het gehele jaar bezien. Verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met de feitelijke situatie.

Voorts is gebleken dat er in de periode dat eiser zijn adreswijziging heeft doorgegeven en heeft gemeld dat de relatie feitelijk verbroken was, zich meerdere vreemdelingen hebben gemeld waarbij eveneens niet opgetekend is dat zij

zich hebben gemeld, zodat aan het tijdstip waarop eiser zich al dan niet zou hebben gemeld, niet te zwaar moet worden getild.

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het door hem ten tijde van de aanvraag gevoerde beleid, zoals neergelegd in hoofdstuk A4 onder 6.7.2. van de Vc, eveneens van toepassing is op de vreemdeling die verzoekt om voortgezet

verblijf na verlies van de aan hem verleende status ingevolge artikel 10, tweede lid, Vw. Aangezien eiser en C hun samenwoning op 15 augustus 1996 hebben verbroken is hun huwelijk vanaf die datum duurzaam ontwricht en heeft eiser de

status die hij aan het tweede lid van artikel 10 Vw ontleende van rechtswege verloren. Het verlaten van de echtelijke woning is een ingrijpende stap op grond waarvan in beginsel sprake is van duurzame ontwrichting van het huwelijk,

zodat het niet ter zake doet of eiser het vertrek uit de echtelijke woning slechts als tijdelijk heeft beschouwd. Niet gebleken is dat er sprake is van een dusdanig bijzonder geval dat van het uitgangspunt moet worden afgeweken dat

na het verlaten van de echtelijke woning niet meer wordt voldaan aan de beperking waaronder verblijf is toegestaan. Op grond van voornoemd beleid wordt een aanvraag om voortgezet verblijf na verbreking huwelijk niet afgewezen op de

enkele grond dat zij te laat is ingediend, mits de termijn van zes maanden niet is overschreden. Aangezien eiser pas op 3 april 1998, twintig maanden na de feitelijke verbreking en acht maanden na de juridische ontbinding van het

huwelijk, zijn aanvraag heeft ingediend, is de termijnoverschrijding niet verschoonbaar te achten.

Op grond van een brief van verweerder aan de voorzitter van de ACV van 20 oktober 1993 dient te worden bepaald of de vreemdeling op het moment van de ontwrichting van het huwelijk voor voortgezet verblijf in aanmerking kwam en of

dit nog steeds het geval is. Eiser kwam na 29 oktober 1995, na vijf jaar hoofdverblijf in Nederland, niet in aanmerking voor een vergunning tot vestiging aangezien niet gebleken is dat eiser op deze datum duurzaam de beschikking had

over voldoende middelen van bestaan. Er bestond naar aanleiding van de door eiser overgelegde stukken ook geen aanleiding om in plaats van de formele arbeidsovereenkomst, de feitelijke situatie als uitgangspunt te nemen. De

omstandigheid dat eiser feitelijk wel over voldoende middelen van bestaan beschikte vloeit voort uit kortlopende uitkeringen krachtens de Werkloosheidswet (WW) en overwerk. De WW-uitkeringen noch het overwerk kunnen als duurzaam

worden beschouwd, aangezien de WW-uitkeringen kortlopend waren en er ook perioden waren dat er geen sprake was van overwerk, zodat eiser ook op grond hiervan niet duurzaam over voldoende middelen van bestaan beschikte. Niet gebleken

is dat eiser voor een ander doel dan arbeid een vergunning tot verblijf had moeten worden verleend. Eiser kwam – op grond van het door verweerder gevoerde beleid zoals neergelegd in hoofdstuk B1 onder 2 van de Vc – ten tijde van de

ontwrichting van het huwelijk op 15 augustus 1996 slechts in aanmerking voor een vergunning tot verblijf met beperking arbeid (het zogenaamde zoekjaar). Deze vergunning tot verblijf zou – indien daartoe tijdig een aanvraag zou zijn

ingediend – aan eiser zijn verleend tot 15 augustus 1997. Vervolgens moet worden beoordeeld of deze vergunning tot verblijf zou zijn verlengd. Aangezien eiser op 15 augustus 1997 niet duurzaam beschikte over voldoende middelen van

bestaan, diende de verlenging van de geldigheidsduur van de zelfstandige vergunning tot verblijf na verbreking huwelijk te worden geweigerd. Eiser beschikte op 15 augustus 1997 weliswaar over een vast dienstverband, doch hiermee

verwierf hij onvoldoende middelen. Eiser voldeed derhalve op 15 augustus 1997 niet aan de voorwaarden voor het voorgezette verblijf, zodat de aanvraag van eiser van 3 april 1998 dient te worden getoetst aan de voorwaarden voor

eerste toelating van een vreemdeling in Nederland. Met de aanwezigheid van eiser in Nederland is geen wezenlijk Nederlands belang gediend, aangezien er voldoende prioriteitsgenietend aanbod op de desbetreffende arbeidsmarkt

(schoonmaakbranche) aanwezig is. Evenmin is gebleken dat eiser in aanmerking komt voor een vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard. Eiser is geboren en getogen in Marokko en heeft daar tot zijn

twintigste levensjaar verbleven zodat hij, mede gelet op zijn leeftijd, in staat kan worden geacht zich aldaar te handhaven. Niet aannemelijk is dat eiser zodanig is vervreemd van Marokko dat terugkeer naar dat land niet van hem kan

worden gevergd. De omstandigheid dat eiser de Nederlandse taal redelijk goed spreekt en ten tijde van het bestreden besluit reeds feitelijk tien jaar in Nederland heeft verbleven doet hieraan niet af, aangezien eiser zijn

verblijfstitel reeds op 15 augustus 1996 heeft verloren.

In het verweerschrift heeft verweerder zijn standpunt gehandhaafd. Hierbij heeft verweerder ten aanzien van de stellingen in beroep nog opgemerkt dat er geen verplichting bestaat te overwegen waarom geen gebruik gemaakt wordt van de

inherente afwijkingsbevoegdheid.

Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser zijn adreswijziging heeft doorgegeven aan de gemeente Amsterdam en niet aan de Vreemdelingendienst. Eiser heeft zich voorts eerst op 11 september 1997 gevestigd op

het nieuwe adres. Verweerder heeft het nieuwe C-document op 10 februari 1997 aan eiser verstrekt. Zelfs indien moet worden aangenomen dat de adreswijziging is doorgegeven aan de Vreemdelingendienst, dan betekent dit nog niet dat het

einde van het huwelijk eveneens aan de Vreemdelingendienst is doorgegeven. Er is derhalve geen sprake van opgewekt vertrouwen.

Op grond van het beleid, zoals neergelegd in hoofdstuk A4 onder 4.2.1 van de Vc, kan alleen structureel overwerk worden meegenomen bij het bepalen of eiser duurzaam over voldoende middelen van bestaan beschikt. Aangezien er perioden

van overwerk waren, is dit overwerk niet structureel. Uit de omstandigheid dat eiser in 1996 een GAK-uitkering heeft genoten blijkt evenzeer dat het overwerk alsmede het werk zelf niet structureel was. Voorts heeft eiser een beroep

gedaan op de openbare kas, doch dit beroep is afgewezen. De omstandigheid dat eisers voormalige werkgever, Cemsto B.V., in het kader van een reorganisatie zekerheid gezocht heeft voor zichzelf door slechts contracten te geven met

een geringe hoeveelheid overeengekomen vaste uren, brengt des te meer onzekerheid met zich, hetgeen aanleiding vormt om aan te nemen dat de middelen niet duurzaam beschikbaar waren.

Desgevraagd heeft verweerder te kennen gegeven dat bij de beoordeling van de vraag of eiser in aanmerking kwam voor een vergunning tot vestiging wellicht een andere (peil)datum dan 15 augustus 1997 had moeten worden genomen om vast

te stellen of eiser voldoet aan het middelenvereiste.

De rechtbank overweegt het volgende.

5. Ingevolge artikel 11, vijfde lid, Vw, kan het verlenen van een vergunning tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend.

6. Verweerder voert bij de toepassing van dit artikellid het beleid dat vreemdelingen niet voor toelating in aanmerking komen, tenzij met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel klemmende

redenen van humanitaire aard of verplichtingen voortvloeiende uit internationale overeenkomsten tot toelating nopen. Dit beleid is neergelegd in de Vc.

7. Op grond van het beleid zoals neergelegd in hoofdstuk A4 onder 9 van de Vc behoudt de vreemdeling zijn op grond van het tweede lid van artikel 10 van de Vw verleende verblijfsrecht, zolang hij aan de voorwaarden verbonden aan dit

verblijfsrecht voldoet.

8. Ingevolge het door verweerder gevoerde beleid, zoals neergelegd in hoofdstuk A4 onder 6.7.2 van de Vc zoals dat luidde ten tijde van eisers aanvraag, moet – voor zover hier van belang – de verlenging van een vergunning tot

verblijf worden aangevraagd voordat deze vergunning haar geldigheid verliest. De aanvraag van de verlening van een vergunning tot verblijf wordt echter niet afgewezen op de enkele grond dat deze te laat is ingediend, mits daarbij

een termijn van zes maanden niet is overschreden.

9. Met betrekking tot het tijdstip van de aanvraag overweegt de rechtbank het volgende. Eiser heeft gesteld dat gelet op de wijze van functioneren van de Vreemdelingendienst op het moment dat de feitelijke relatie is verbroken, het

mogelijk is dat de adreswijziging is doorgegeven, doch desondanks niet in het dossier is opgenomen. Aan dit standpunt moet worden voorbijgegaan, aangezien niet is gebleken dat eiser aan de Vreemdelingendienst heeft gemeld dat zijn

huwelijk duurzaam is ontwricht. In het onderhavige geval is de aanvraag op 3 april 1998 ingediend en is er sinds de datum waarop de vergunning tot verblijf van eiser verviel, de datum van het feitelijk uiteengaan van partijen, te

weten 15 augustus 1996, meer dan een jaar verstreken. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de aanvraag ontijdig is ingediend.

10. Gelet op de brief van verweerder van 20 oktober 1993 aan de voorzitter van de ACV wordt een verzoek om voortgezet verblijf van een vreemdeling na verlies van de status die deze vreemdeling op grond van het tweede lid van artikel

10 van de Vw heeft verkregen, niet afgewezen op grond van de enkele omstandigheid dat zijn verzoek te laat is ingediend. In een dergelijk geval zal moeten worden getoetst of de vreemdeling – indien zijn aanvraag tijdig zou zijn

ingediend – destijds in aanmerking kwam voor voortgezet verblijf.

11. Ingevolge artikel 13, derde lid, Vw, kan een vergunning tot vestiging aan een vreemdeling die gedurende een tijdvak van vijf jaren zijn hoofdverblijf in Nederland heeft gehad – voor zover hier van belang – alleen worden

geweigerd, indien niet redelijkerwijs gewaarborgd is dat de vreemdeling duurzaam zal kunnen beschikken over voldoende middelen van bestaan. De korpschef dient aan deze vreemdelingen ambtshalve mededeling te doen van de mogelijkheid

een aanvraag om een vergunning tot vestiging in te dienen.

12. In het door verweerder gevoerde beleid inzake de verlening van een vergunning tot vestiging, zoals neergelegd in hoofdstuk A4 onder 7.6.1 van de Vc, staat dat een vergunning tot vestiging alleen op de gronden genoemd in artikel

13, derde lid, Vw, kan worden geweigerd.

13. Volgens het door verweerder gevoerde beleid ter zake van voortgezet verblijf na verbreking van het huwelijk, zoals neergelegd in hoofdstuk B1 onder 2 van de Vc, wordt de vreemdeling na de feitelijke verbreking van de relatie één

jaar verblijf toegestaan onder de beperking het verrichten van arbeid al dan niet in loondienst. De vreemdeling wordt in dit jaar geacht werk te zoeken waarmee hij in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien. Bij de aanvraag om de

verlenging van de geldigheidsduur van de verleende vergunning tot verblijf – gewoonlijk één jaar na de feitelijke verbreking van het huwelijk – dient te worden getoetst of de vreemdeling nog werk voor ten minste één jaar beschikt.

Indien de vreemdeling op deze peildatum niet over werk voor ten minste één jaar beschikt, zal voortgezet verblijf worden geweigerd.

14. De rechtbank stelt vast dat in het onderhavige geval de korpschef eiser niet heeft gewezen op de mogelijkheid dat hij een aanvraag om verlening van een vergunning tot vestiging kon indienen. Verweerder heeft derhalve gehandeld

in strijd met hetgeen bepaald is in hoofdstuk A4 onder 7.6.1 van de Vc. Verweerder heeft ter zitting erkend dat de korpschef deze melding achterwege heeft gelaten, doch volgens verweerder kan dit eiser niet baten aangezien eiser

niet aan het middelenvereiste voldeed. Niet in geschil is dat eiser aan het middelenvereiste moet voldoen, doch in geschil is of eiser op 29 oktober 1995 of enig tijdstip daarna aan dit middelenvereiste voldeed. Eenzelfde geschil

doet zich voor met betrekking tot het zoekjaar bij voortgezet verblijf na verbreking van het huwelijk, met dit verschil dat op dit punt in geschil is of eiser op 15 augustus 1997 voldeed aan het middelenvereiste.

15. De datum waarop eiser in beginsel voor een vergunning tot vestiging in aanmerking zou komen ligt op 25 oktober 1995, aangezien hij met ingang van deze datum gedurende vijf jaar in het bezit is geweest van een vergunning tot

verblijf, hetgeen ingevolge artikel 13, derde lid, Vw, voldoende kan zijn om in aanmerking te komen voor een vergunning tot vestiging. Niet betwist is dat eiser blijkens de IB'60-verklaring over de jaren 1996 en 1997 ƒ 24.524,-

respectievelijk ƒ 27.524,- heeft verdiend en derhalve feitelijk voldaan heeft aan het inkomensvereiste. Verweerder heeft zich met betrekking tot dit punt – onder verwijzing naar het ACV-advies – op het standpunt gesteld dat de

overgelegde stukken niet een zodanig structureel beeld geven dat in dit geval op enig moment na 1996 geoordeeld had moeten worden dat er reden was in plaats van de formele overeenkomst, de feitelijke situatie als uitgangspunt te

nemen. De rechtbank komt het ACV-advies op dit punt onbegrijpelijk voor, aangezien de ACV in datzelfde advies concludeert dat in 1996 en 1997 feitelijk aan het inkomensvereiste is voldaan. In dit verband had nader gemotiveerd moeten

worden waarom het inkomen van eiser niet als structureel kan worden aangemerkt nu hij gedurende twee jaren aan het inkomensvereiste heeft voldaan. Door verweerder zijn geen criteria gegeven aan de hand waarvan het structurele

karakter van het inkomen kan worden getoetst. In verband met het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de motivering in het advies van de ACV ontoereikend is, zodat verweerder zich niet zonder meer op dit punt op het advies

heeft mogen verlaten.

16. Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit zal worden vernietigd. Verweerder zal opnieuw op het bezwaar moeten beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

17. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken.

Deze kosten zijn begroot op ƒ 1.420,- als kosten van verleende rechtsbijstand.

18. Ingevolge artikel 8:74, eerste lid, Awb, dient het griffierecht te worden vergoed door de rechtspersoon, aangewezen door de rechtbank.

De rechtbank beslist daarom als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad ƒ 225,- (zegge: tweehonderdenvijfentwintig gulden);

5. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op ƒ 1.420,-, (zegge: veertienhonderdentwintig gulden), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier.

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2000, door mr. F. Salomon, rechter, in tegenwoordigheid van K. van Berloo, griffier.

Afschrift verzonden op: 20 december 2000

Conc: KB

Coll:

Bp: -

D: B

281295